E090193
Laatste revisie: 08-08-2012

E090193 - Voorstel voor een kaderbesluit over het voorkomen en oplossen van jurisdictiegeschillen in strafzaken (initiatief van Tsjechië, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden)



Onderhavig initiatiefPDF-document te laat aangeleverd-icoon van Tsjechië, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden is bedoeld om een bindende procedure in het leven te roepen om jurisdictiegeschillen tussen lidstaten te voorkomen. Hierdoor wordt mede beoogd ne bis in idem-situaties te vermijden. Daarnaast is het doel om de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten in de aanloop naar gerechtelijke procedures te verbeteren. Het voorstel vloeit mede voort uit de resultaten van een questionnaire die Tsjechië in 2008 onder de lidstaten en Eurojust heeft verspreid.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: gepubliceerd in Europees publicatieblad.

Kaderbesluit 2009/948/JBZPDF-document werd op 30 november 2009 aangenomen en gepubliceerd in Pb EU L328 d.d. 15 december 2009.


Kerngegevens

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen


Implementatie

Kaderbesluit 2009/948/JBZPDF-document werd op 30 november 2009 aangenomen en gepubliceerd in Pb EU L328 d.d. 15 december 2009. Het Kaderbesluit diende voor 15 juni 2012 te zijn geïmplementeerd. 

Bron: Kwartaaloverzicht omzetting EG-richtlijnen, stand per 1 juli 2012.


Behandeling Eerste Kamer

Op 24 november 2009 heeft de Eerste Kamer de eerder verleende instemming bevestigd.

Op 3 november 2009 heeft de Eerste Kamer instemming verleend.

Tijdens de vergadering van 27 oktober 2009 heeft de commissie voor de JBZ-Raad in reactie op de brief van de minister van Justitie van 20 oktober 2009 de Kamer geadviseerd instemming te verlenen over onderhavig ontwerp-kaderbesluit.

Op 31 maart 2009 heeft de Eerste Kamer (wederom) instemming onthouden op formele gronden.

Op 3 maart 2009 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden. Tevens zou de commissie graag een regeringsappreciatie in onderhavig voorstel ontvangen.

Op 18 februari 2009 heeft de Voorzitter van de Eerste Kamer aan de regering meegedeeld dat de Kamer geacht wordt instemming te hebben onthouden, aangezien de vergaderstukken voor de JBZ-Raad te laat aan de Kamer zijn aangeboden.


Standpunt Nederlandse regering


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Onderhavig initiatiefPDF-document te laat aangeleverd-icoon van Tsjechië, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden is bedoeld om een bindende procedure in het leven te roepen om jurisdictiegeschillen tussen lidstaten te voorkomen. Hierdoor wordt mede beoogd ne bis in idem-situaties te vermijden. Daarnaast is het doel om de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten in de aanloop naar gerechtelijke procedures te verbeteren. Het voorstel vloeit mede voort uit de resultaten van een questionnaire die Tsjechië in 2008 onder de lidstaten en Eurojust heeft verspreid. Uit het resultatenoverzicht dat als bijlagePDF-document bij het voorstel is gevoegd blijkt onder meer dat jurisdictiegeschillen tussen EU-lidstaten zich vaker voor doen dan aanvankelijk werd aangenomen.

Het voorstel is gericht op situaties waarbij feiten van de betreffende zaak zich voordoen in twee of meer lidstaten. De betrokken autoriteiten worden verplicht in het geval een significante band bestaat, de autoriteiten in de andere lidstaten zo snel als doenlijk in kennis te stellen van de onderzoekshandelingen die worden uitgevoerd. Zo kan worden nagegegaan of ook in de andere lidstaat/lidstaten onderzoekshandelingen worden uitgevoerd die leiden tot een strafvervolging. Volgens artikel 6 van het voorstel is er sprake van een significante band, wanneer de gedraging of de wezenlijke aspecten daarvan die het strafbare feit opleveren, plaatsvond op het grondgebied van een andere lidstaat. Voor de kennisgeving aan een andere lidstaat en de reactie daarop, zijn standaardformulieren opgesteld waarop de benodigde informatie kan worden ingevuld. Het voorstel voorziet tevens in standaard reactietermijnen. Wanneer een reactie uitblijft, kan Eurojust worden ingeschakeld.

Wanneer eenmaal contact is gelegd, is het zaak dat de betrokken autoriteiten elkaar op de hoogte houden van de onderzoekshandelingen. Voorts is het aan de betrokken autoriteiten om gezamenlijk de meest geschikte jurisdictie voor de afhandeling van de zaak vast te stellen. Het is immers wenselijk dat een procedure slechts in één lidstaat wordt gevoerd. Ook hiervoor is voorzien in een bindende procedure. Als uitgangspunt wordt het zogenoemde territorialiteitsprincipe gehanteerd, waarbij de berechting plaatsvindt in de lidstaat waar (het grootste deel van) de feiten zijn begaan (artikel 15 lid 1). Het tweede lid van artikel 15 geeft echter ook een niet-limitatieve opsomming van andere factoren die een rol kunnen spelen bij het bepalen van de meest geschikte jurisdictie. Desgewenst kunnen de lidstaten Eurojust vragen te bemiddelen. Wanneer er ook na tussenkomst van Eurojust geen overeenstemming is bereikt, of wanneer een periode van zes maanden sinds het eerste overleg is verstreken, dient te worden vastgesteld dat er geen overeenstemmig is. Eurojust dient hiervan in kennis te worden gesteld.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 30 november en 1 december 2009 (agendapunt 2w)

Uit de geannoteerde agenda blijkt dat dit voorstel het procedurele kader bevat voor informatie-uitwisseling tussen nationale autoriteiten betreffende lopende strafrechtelijke procedures voor specifieke feiten om na te gaan of er in andere lidstaten voor dezelfde feiten parallelle strafprocedures lopen, en voor het aangaan van rechtstreeks overleg tussen hun nationale autoriteiten om vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om specifieke feiten die onder de jurisdictie van twee of meer lidstaten vallen, te behandelen. Verder bevat dit voorstel voorschriften en gemeenschappelijke criteria die de nationale autoriteiten van twee of meer lidstaten in acht moeten nemen wanneer zij trachten vast te stellen welke jurisdictie het meest geschikt is om specifieke feiten te behandelen. Nederland kan instemmen met dit kaderbesluit.

JBZ-Raad 6 en 7 april 2009 (agendapunt B7)

Blijkens het verslag heeft de Raad een algemeen akkoord bereikt over onderhavig kaderbesluit. Er werd overeenstemming bereikt over een termijn voor implementatie van het kaderbesluit van 30 maanden. Minister Hirsch Ballin tekende een parlementair voorbehoud voor Nederland aan.

Onderhavig voorstel is voor het eerst besproken tijdens de bijeenkomst van de Raad van 26 en 27 februari jl. Uit de geannoteerde agenda blijkt dat het voorzitterschap streeft naar een politiek akkoord tijdens deze bijeenkomst van de Raad. De inspanningen van Nederland, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en sommige andere lidstaten tijdens de onderhandelingen zijn erop gericht het zeer omvangrijke voorstel terug te brengen tot de kern, dat is het voorkomen dubbele bestraffing van personen voor dezelfde feiten. Het doel van Nederland en de genoemde lidstaten is om een voor de praktijk eenvoudig uitvoerbare regeling te treffen, waarmee het beoogde doel kan worden bereikt en waarbij ook rekening wordt gehouden met de bevoegdheden van Eurojust.

Blijkens de aanvullend geannoteerde agenda heeft het voorzitterschap een compromis op tafel gelegd. De regeling komt er nu op neer dat in gevallen waarin tijdens een opsporingsonderzoek of een verdere fase van de strafvervolging in lidstaat A de officier van justitie het redelijk vermoeden krijgt dat in lidstaat B dezelfde verdachte voor het zelfde feit wordt vervolgd, hij contact op moet nemen met de bevoegde autoriteit in lidstaat B en met hem moet overleggen hoe een dubbele vervolging kan worden voorkomen. Die verplichting vormt de kern van het kaderbesluit, dat verder alleen nog maar de hoogst noodzakelijke voorschiften bevat over de wijze waarop contact moet worden opgenomen en overleg moet worden gevoerd. Aldus is het kaderbesluit zodanig vereenvoudigd, dat het aan zijn doel beantwoordt en tegelijkertijd geen onnodige werklast voor het OM oplevert. De laatste ontwikkelingen zijn van zeer recente datum en zullen in een document voor het Comité van Permanente Vertegenwoordigers en de Raad, dat thans nog niet beschikbaar is, worden vastgelegd. Nederland acht de verplichting tot overleg een goede zaak, omdat deze bijdraagt aan een goede rechtsbedeling. De verdachte wordt behoed voor een dubbele vervolging en de opsporingsinstanties kunnen er onnodig dubbel werk door voorkomen. Dit leidt tot een positief oordeel van de Nederlandse regering over het kaderbesluit zoals het nu voorligt. Dit eindoordeel vervangt ook het in het BNC-fiche aangegeven vooralsnog negatieve oordeel over de proportionaliteit van het voorgestelde kaderbesluit.

JBZ-Raad 26 en 27 januari 2009 (agendapunt B1)

Blijkens het verslag gaf de voorzitter aan dat het voorgestelde kaderbesluit bedoeld is om de samenwerking tussen lidstaten bij strafvervolging te verbeteren. Het kaderbesluit zal mechanismen voor het doorgeven van informatie en voor consultatie bevatten. De nadelen van parallelle procedures en ne bis in idem situaties kunnen hiermee worden voorkomen. De voorzitter stelde vervolgens dat het toepassingsgebied van het voorgestelde kaderbesluit zich beperkt tot de situaties waarin ne bis in idem dreigt, dat wil zeggen situaties waarin dezelfde persoon voor dezelfde feiten vervolgd dreigt te worden. Andere situaties, waarbij het gaat over verschillende personen, kunnen facultatief opgenomen worden.

Commissaris Barrot pleitte voor een ruimere werkingssfeer van het kaderbesluit en ook situaties waarin het gaat over verschillende personen onder het kaderbesluit te laten vallen. Staatssecretaris Albayrak gaf met enkele lidstaten aan dat de regeling proportioneel dient te zijn en daarom alleen betrekking dient te hebben op ne bis in idem situaties.

Wat betreft de procedure voor het opnemen van contact tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten merkte de voorzitter op dat de communicatie niet moet verlopen via een formulier, maar op basis van een lijst van punten waaraan de opgevraagde informatie moet voldoen. Staatssecretaris Albayrak gaf aan dat er in dit verband niet gesproken moet worden over een contactprocedure, maar over een procedure voor overleg. Niet het leggen van contact dient centraal te staan, maar het voeren van overleg tussen de bevoegde autoriteiten.

De voorzitter concludeerde dat er overeenstemming is over de conclusies die door het voorzitterschap aan de Raad zijn voorgelegd. De tekst van het ontwerp-kaderbesluit zal nader in de betreffende Raadswerkgroep worden uitgewerkt.

Uit de geannoteerde agenda blijkt dat het voorzitterschap voornemens heeft een eerste keer op ministerieel niveau te spreken over het initiatief van Tsjechië, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden van januari 2009. Het door deze lidstaten voorgestelde nieuwe instrument is erop gericht te voorkomen dat in meer dan één lidstaat strafprocedures met betrekking tot dezelfde verdachten en dezelfde feiten lopen (wat zou strijden met het 'ne bis in idem' beginsel) en poogt een oplossing te bieden voor positieve jurisdictiegeschillen. Het voorstel van de initiatiefnemers heeft een brede reikwijdte en is zwaar opgetuigd, hetgeen een flexibele en praktische toepassing van een op voorkoming van bis in idem-berechting gericht instrument in de weg zou staan. Nederland zet zich met andere lidstaten in om het voorstel om te buigen tot een voor de rechtspraktijk bruikbaar en zinvol instrument. De onderhandelingen zijn thans gaande en gaan de goede kant op.

In de databank Prelex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van JAI(2009)9 weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 8 oktober 2009 heeft het Europees Parlement een wetgevingsresolutie aangenomen waarin het onder ander zijn goedkeuring hecht aan het initiatief van de Tsjechische Republiek, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en het Koninkrijk Zweden, zoals geamendeerd door het Parlement op 1 oktober 2009. En de Raad verzoekt het voorstel dienovereenkomstig te wijzigen.


Reacties Derden

De Commissie Meijers heeft zich bij brief van 25 augustus 2009 aan Vice-President Barrot van de Europese Commissie positief uitgelaten over het onderhavige kaderbesluit. Met enige kleine aanpassingen zou het kaderbesluit volgens de Commissie Meijers kunnen worden vastgesteld. Een eensluidend brief in het Nederlands werd op 27 oktober 2009 door de Eerste Kamer ontvangen.

  • PDF-document
    Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtenlingen- en strafrecht - CM0907
    27 oktober 2009
  • PDF-document
    Permanente commissie van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, vluchtenlingen- en strafrecht - CM0905
    25 augustus 2009

Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via