Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
E090221
Laatste revisie: 19-08-2011

E090221 - Voorstel voor een kaderbesluit betreffende het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures



Het onderhavige voorstel betreft het eerste voorstel in een reeks maatregelen ter vervanging van een eerder voorstel voor een kaderbesluit uit 2004. Dit eerdere voorstel had niet alleen betrekking op de diensten van tolken en vertalers, maar zag tevens op het recht op rechtsbijstand, het recht op een 'Letter of Rights', het recht op bijzondere aandacht voor kwetsbare verdachten, het recht op communicatie met de consulaire autoriteiten en het recht om familieleden van een inhechtenisneming in kennis te stellen. De Commissie is tot het inzicht gekomen dat het bij het tot stand brengen van een pakket procedurele waarborgen in strafprocedures beter is volgens een 'stap-voor-stap' principe te werken. De eerste stap die gezet wordt, is het waarborgen van het recht op tolk- en vertaaldiensten voor verdachten. Ter waarborging van dat recht dient het onderhavige voorstel.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in Eerste Kamer afgerond.

Europees

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, moest het ontwerp-kaderbesluit betreffende het recht op vertolk- en vertaal-diensten in strafprocedures worden omgezet in een voorstel voor een richtlijn. Op 22 januari 2010 is dit voorstel door een groep van lidstaten op basis van art. 76, onder b, VWEU ingediend (zie dossier E110011a).


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2009)338PDF-document, d.d. 8 juli 2009

commissie Eerste Kamer

beleidsterreinen

verwante dossiers


Behandeling Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets

Onderhavig voorstel maakt deel uit van de lijstPDF-document met voorstellen die door de Tijdelijke Gemengde Commissie Subsidiariteitstoets in 2009 aan een toetsing worden onderworpen. Op 18 augustus 2009 heeft de TGCS advies gevraagd inzake subsidiariteit en proportionaliteit aan de commissie voor de JBZ-raad van de Eerste Kamer en de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer. Op 10 september 2009 is er een brief namens de Eerste Kamer der Staten-Generaal naar de Europese Commissie gestuurd met het verzoek om een uitgebreidere motivering over de gekozen rechtsgrondslag te geven. Een afschrift van de brief wordt aan het Europees Parlement, de Europese Raad, COSAC en de Nederlandse regering gestuurd. De Vice-Voorzitter van de Europese Commissie heeft hier op 14 december 2009 per brief op gereageerd.


Behandeling Eerste Kamer

De reactie van de minister van Justitie op de commissiebrief d.d. 11 november 2009 werd tijdens de vergadering van 15 december 2009 besproken en voor kennisgeving aangenomen.

De commissie voor de JBZ-stuurde op 11 november 2009 een brief naar de minister van Justitie met een verzoek om aanvullende informatie met betrekking tot het Nederlandse standpunt omtrent de rechtsgrondslag van het voorstel en de vermeende inconsistente toepassing van de relevante bepalingen van het EVRM.

Tijdens de vergadering van 27 oktober 2009 heeft de commissie voor de JBZ-Raad de brief van de minister van Justitie van 22 oktober 2009 besproken. De commissie merkt op dat de artikelen uit het ontwerpbesluit zijn aangepast. Mocht aan de commissie de ontwerpbesluiten niet in een vroeg stadium worden voorgelegd, behoudt zij zich het recht voor bij het slot van de behandeling tot een finaal oordeel te komen dat mogelijk afwijkt van het uitgedragen regeringsstandpunt.

Op 22 oktober 2009 heeft de minister van Justitie geantwoord op de brief van de Eerste Kamer d.d. 16 oktober 2009.

Op 13 oktober 2009 heeft de Eerste Kamer instemming onthouden op formele gronden.

De commissie voor de JBZ-Raad heeft tijdens haar vergadering van 22 september 2009 besloten een brief op te stellen waarin de regering wordt verzocht haar standpunt ten aanzien van onderhavig voorstel nader toe te lichten. Een brief is op 16 oktober 2009 naar de minister van Justitie verstuurd.

Onderhavig voorstel was onderwerp van een subsidiariteitstoets in COSAC-verband (Conference of Community and European Affairs Committees of parliaments of the EU) en ten behoeve van deze toets is op 17 september 2009 een evaluatie opgesteld.

Tijdens de vergadering van 8 september 2009 heeft de commissie voor JBZ-Raad het conceptadvies besproken en de Eerste Kamer geadviseerd enige reserves over onderhavige voorstel kenbaar te maken aan de Europese instellingen, het COSAC-secretariaat en de Nederlandse regering.


Behandeling Tweede Kamer

In de brief d.d. 11 september 2009 aan de vice-voorzitter van de Europese Commissie heeft de Tweede Kamer aangegeven met het onderhavige voorstel geen bezwaren te zien ten aanzien van de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

In een brief d.d. 9 september 2009 heeft de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer aangegeven geen bezwaren te zien ten aanzien van de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

  • advies
    Tweede Kamer - 32010, 4
    11 september 2009
  • brief
    Tweede Kamer - 32010, 3
    9 september 2009

Standpunt Nederlandse regering

Volgens het BNC-fiche staat de Nederlandse regering in zijn algemeenheid positief tegenover het voorstel van de Commissie. Nederland erkent dat het voor de justitiële samenwerking benodigde vertrouwen tussen de lidstaten verder versterkt moet worden. Het onderhavige voorstel kan daaraan bijdragen. Nederland tekent daarbij aan dat naast wetgevende maatregelen, ook praktische maatregelen geboden zijn teneinde ervoor te zorgen dat de in wetgeving neergelegde normen ook daadwerkelijk in praktijk worden gebracht. Algemene steun voor het voorstel laat overigens onverlet dat met name de verplichting tot het verstrekken van kosteloze schriftelijke vertalingen van bepaalde processtukken naar het oordeel van Nederland te ver gaat. De door de Commissie voorgestelde verplichting gaat aanzienlijk verder dan waartoe het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM de lidstaten thans verplicht. De verdergaande verplichting zou niet alleen leiden tot een aanzienlijke stijging van de gerechtskosten, maar draagt tevens het reële risico in zich dat de termijnen van het strafproces langer worden als gevolg van tijd die nodig is om de desbetreffende stukken te vertalen. Gelet hierop meent Nederland dat de reikwijdte van het voorgestelde artikel 3 betreffende het recht op vertaling moet worden beperkt.

  • bnc-fiche
    Ministerie van Buitenlandse Zaken - 22.112, 922
    14 september 2009

Samenvatting voorstel Europese Commissie

Het onderhavige voorstel betreft het eerste voorstel in een reeks maatregelen ter vervanging van een eerder voorstel voor een kaderbesluit uit 2004. Dit eerdere voorstel had niet alleen betrekking op de diensten van tolken en vertalers, maar zag tevens op het recht op rechtsbijstand, het recht op een 'Letter of Rights', het recht op bijzondere aandacht voor kwetsbare verdachten, het recht op communicatie met de consulaire autoriteiten en het recht om familieleden van een inhechtenisneming in kennis te stellen. De Raad kon na drie jaar discussie over dit voorstel uiteindelijk niet tot overeenstemming komen. De hele gang van zaken heeft de Commissie tot het inzicht gebracht dat het bij het tot stand brengen van een pakket procedurele waarborgen in strafprocedures beter is volgens een 'stap-voor-stap' principe te werken. De eerste en naar het oordeel van de Europese Commissie -minst controversiële stap die gezet wordt, is het waarborgen van het recht op tolk- en vertaaldiensten voor verdachten. Ter waarborging van dat recht dient het onderhavige voorstel.

Het recht op tolk- en vertaaldiensten, opdat de verdachte begrijpt wat hem ten laste wordt gelegd en wat het verloop van de procedure is, vloeit reeds voort uit de artikelen 5 en 6 van het EVRM en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het nu voorgestelde kaderbesluit bouwt hierop voort. Achtergrond van het besluit is de wens het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen tot hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Europese Unie te maken. Daarvoor dienen bepaalde parameters te bestaan, waaronder bepaalde procedurele waarborgen in strafprocedures, waarvan het recht op tolk- en vertaaldiensten zoals gezegd de eerste is. Dit recht gaat niet alleen gelden in strafprocedures, maar ook in procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

De in het kaderbesluitPDF-document neergelegde rechten gelden voor alle personen die worden verdacht van een strafbaar feit, vanaf het moment dat zij van de verdenking in kennis worden gesteld (bijv. door arrestatie) tot aan de beëindiging van de procedure. De in het kaderbesluit gebruikte term 'verdachte' is autonoom en staat los van het nationaalrechtelijke begrip 'verdachte'. Verdachten die de taal van de procedure niet spreken hebben recht op bijstand door een tolk tijdens de onderzoeks- en de gerechtelijke fase van de procedure. Daaronder vallen onder meer politieverhoren en gerechtszittingen, maar ook contacten tussen de verdachte en zijn advocaat, althans indien deze laatste de taal van de verdachte niet machtig is. De lidstaten dienen te voorzien in een procedure om vast te stellen of de verdachte de taal van de procedure spreekt. Ook personen met gehoor- of spraakstoornissen hebben recht op bijstand door een tolk.

De verdachte heeft recht op vertaling van alle noodzakelijke procesdocumenten, zoals de tenlastelegging, het belangrijkste bewijsmateriaal, getuigenverklaringen, het (Europese) aanhoudingsbevel en uiteraard de uitspraak of uitspraken van de rechter. Alle kosten van de tolk- en vertaaldiensten komen voor rekening van de lidstaten, iets wat voor wat betreft de bijstand door een tolk overigens ook reeds uit artikel 6 EVRM en de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeit. De lidstaten hebben de plicht de kwaliteit van de tolk- en vertaaldiensten te waarborgen. Het kaderbesluit bevat slechts minimumnormen en het staat de lidstaten dan ook vrij om verdachten meer bescherming te bieden. De lidstaten krijgen 2 jaar de tijd (dat wil zeggen: 24 maanden na bekendmaking van het kaderbesluit in het Publicatieblad) om aan hun uit het kaderbesluit voortvloeiende verplichtingen te voldoen.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 25-26 februari 2010 (agendapunt B4)

Als gevolg van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, moest het ontwerp-kaderbesluit betreffende het recht op vertolk- en vertaaldiensten in strafprocedures -waarover op 23 oktober 2009 binnen de Raad een algemene oriëntatie was overeengekomen, maar dat niet vóór 1 december 2009 formeel was vastgesteld- worden omgezet in een voorstel voor een richtlijn. Op 22 januari jl. is dit voorstel door een groep van lidstaten op basis van art. 76, onder b, VWEU ingediend. De inhoud ervan komt overeen met de tekst van de algemene oriëntatie over het eerdergenoemde ontwerp-kaderbesluit. Nederland steunt het voorstel, omdat het kan bijdragen een het verder vergroten van het voor de strafrechtelijke samenwerking noodzakelijke wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten. 

JBZ-Raad 23 oktober 2009 (agendapunt B7)

Blijkens het verslag gaf de Commissie aan dit kaderbesluit volledig te steunen. Verder schetste de Commissie de meerwaarde hiervan t.o.v. regelingen in het kader van de Raad van Europa:

  • recht op vertaling van stukken is verhelderd;
  • recht op vertaling en vertolking betreft nu ook het EAB.

De lidstaten gaven aan, in navolging van de Commissie, het kaderbesluit volledig te steunen.

Minister Hirsch Ballin accentueerde dat de in de onderhandelingen gevolgde stapsgewijze aanpak, zoals neergelegd in de routekaart, zijn vruchten afwerpt met het eerste kaderbesluit over vertolking en vertaling en een daarbij behorende resolutie met praktische maatregelen. Verder gaf hij aan dat het tot voldoening stemt dat een goede balans is gevonden tussen het waarborgen van de rechten van verdachten in de gehele Unie en de uitvoerbaarheid van de regeling en dat het nu zaak is de toepassing in de praktijk goed in het oog te houden. Pas dan zal deze regelgeving ook daadwerkelijk het beoogde resultaat opleveren.

Het Voorzitterschap concludeerde dat de routekaart is aangenomen en dat binnen de Raad ten aanzien van het ontwerp-kaderbesluit en de ontwerp-resolutie algemene oriëntaties zijn vastgesteld. Nadat de adviezen van het Europees Parlement zijn ontvangen, zullen het ontwerp-kaderbesluit en de ontwerp-resolutie voor finale besluitvorming aan de Raad worden voorgelegd.

Uit de geannoteerde agenda blijkt dat dit bindende regels betreft op het terrein van het recht op kosteloze vertolking van hetgeen wordt gezegd in het strafproces en kosteloze vertaling van de essentiële documenten. Dit kaderbesluit heeft niet alleen betrekking op het strafproces, maar ook op EAB-procedures. Nederland kan instemmen met de voorgestelde tekst.

Het ontwerp-resolutie inzake vertolking en vertaling betreft een document met best practice dat beoogt de implementatie van het kaderbesluit te bevorderen en de praktijk te verbeteren. Nederland kan instemmen met de voorgestelde tekst.

Op 15 juli 2009 heeft het voorzitterschap van de Raad van de EU en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten een resolutiePDF-document voorgesteld ten aanzien van onderhavig kaderbesluit. Het voorzitterschap is van mening dat aan de lidstaten richtsnoeren moeten worden gegeven ter bevordering van de toepassing van de rechten op bekwame tolk- en vertaaldiensten voor verdachten, waar de strafprocedure in een ander lidstaat plaatsvindt en die de taal van de lidstaat niet begrijpen of spreken.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden

De Tsjechische SenaatPDF-document heeft bij resolutie van 7 oktober 2009 aanbevolen de reikwijdte van de verplichting van de staat om de kosten van vertolkingen en vertalingen voor zijn rekening te nemen te heroverwegen. De Senaat ziet geen noodzaak voor de bepalingen in het ontwerp-kaderbesluit die een recht op beroep toekennen tegen de beslissing dat geen tolk- of vertaaldiensten nodig zijn.

De commissie voor Buitenlandse en Europese Zaken van het Huis van Afgevaardigden van MaltaPDF-document (Il-Kamra Tad-Deputati) heeft met betrekking tot het ontwerp-kaderbesluit de volgende conclusies getrokken. De commissie is van mening dat artikel 31 lid 1 sub c EU-verdrag geen basis biedt voor het reguleren van 'fair trial' procedures. Het recht op een eerlijk proces is reeds geregeld door iedere individuele EU-lidstaat in overeenstemming met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Hof van Justitie van de EU heeft uitgemaakt dat dit verdrag deel uitmaakt van de algemene beginselen van Gemeenschapsrecht. Bovendien zal het recht op een eerlijk proces na de ratificatie van het Verdrag van Lissabon vallen onder het Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie. De commissie beschouwt het voorstel daarom als 'an instance of overregulation and duplication' en meent dat het kaderbesluit niet voldoet aan het subsidiariteitsbeginsel.

De EU-commissie van de Oostenrijkse BundesratPDF-document heeft het voorstel voor een kaderbesluit op 21 juli 2009 getoetst en geconcludeerd dat het voorstel in zijn huidige vorm niet kan worden geaccepteerd. Het komt de commissie voor dat het voorstel problematisch is in het licht van het proportionaliteitsbeginsel. Zij merkt op dat er geen directe noodzaak voor het voorstel lijkt te bestaan. Het voorstel betreft in essentie een codificatie van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat Hof heeft voorts slechts een klein aantal schendingen van artikel 6 lid 3 sub a en e EVRM (over vertaling en tolkendiensten) vastgesteld. Het voorstel voor een kaderbesluit leidt wel tot aanzienlijke kosten voor de lidstaten, vooral als een advocaat de taal van de verdachte niet spreekt. Deze kosten zijn volgens de commissie alleen dan gerechtvaardigd wanneer de advocaat is toegewezen, niet wanneer deze door de verdachte zelf is gekozen. De verplichting tot het leveren van schriftelijke vertalingen van processtukken gaat veel te ver en kan zelfs leiden tot een verlenging van het voorarrest van een verdachte. De vaste subcommissie voor Europese Zaken van de Oostenrijkste NationalratPDF-document heeft op 17 september 2009 een eensluidende opinie afgegeven.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via