E130056
  ruit icoon
Laatste revisie: 24-04-2019

E130056 - Voorstel voor een richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure



Dit voorstel maakt deel uit van een reeks voorstellen (zie ook E130055 en E130057) die moeten leiden tot gemeenschappelijke EU-normen in alle strafprocedures, zoals voorgesteld in het programma van Stockholm. Met dit voorstel beoogt de Europese Commissie speciale waarborgen te creëren voor kinderen die verdachte of beklaagde in een strafzaak zijn.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: gepubliceerd in Europees publicatieblad.

nationaal

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 1 mei 2014 op de vragen van de SP-fractie en de Groenlinks-fractie over het richtlijnvoorstel. De commissie V&J nam de reactie van de minister op 6 mei 2014 voor kennisgeving aan.

Europees

Richtlijn (EU) 2016/800PDF-document werd op 11 mei 2016 ondertekend door de Raad en het Europees Parlement en werd op 21 mei 2016 gepubliceerd in Pb EU L132/1.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2013)822PDF-document, d.d. 27 november 2013

rechtsgrondslag

Artikel 82(2) van het VWEU

commissie Eerste Kamer

beleidsterrein

verwante dossiers


Implementatie

Richtlijn (EU) 2016/800PDF-document werd op 11 mei 2016 ondertekend door de Raad en het Europees Parlement en werd op 21 mei 2016 gepubliceerd in Pb EU L132/1. De richtlijn dient voor 11 juni 2019 geïmplementeerd te zijn. Deze deadline dreigt te worden overschreden. Implementatie zal geschieden door wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Overleveringswet ter implementatie van de richtlijn 2016/800/EU procedurele rechten minderjarige verdachten.

Bron: Stand van zaken implementatie richtlijnen eerste kwartaal 2019

Kamerstukdossier 35.116 geeft een volledig overzicht van de behandeling van de implementatiewet in zowel de Eerste als de Tweede Kamer.


Behandeling Eerste Kamer

De commissie V&J nam op 6 mei 2014 de reactie van de minister van Veiligheid en Justitie van 1 mei 2014 voor kennisgeving aan.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 1 mei 2014 op de vragen van de SP-fractie en de Groenlinks-fractie over het richtlijnvoorstel. De minister geeft onder meer aan dat ondanks de punten die de fracties naar voren brengen in de brief, hij geen aanleiding ziet tot bijstelling van het regeringsstandpunt over de subsidiariteit en de proportionaliteit van het richtlijnvoorstel. De minister wil daarnaast niet ingaan op het verzoek van de fracties om een beoordeling te geven over de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) door andere lidstaten van de EU. De commissie V&J zal de reactie van de minister op 6 mei 2014 bespreken.

Op 1 april 2014 stelde de commissie voor Veiligheid en Justitie de conceptbrief met nadere vragen van de SP-fractie aan de regering over het richtlijnvoorstel vast. De fractie van GroenLinks besloot zich aan te sluiten bij de vragen van de SP. De brief werd op 2 april 2014 aan de minister van Veiligheid en Justitie verstuurd.

Op 18 maart 2014 besloot de fractie van de SP in de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) inbreng te leveren voor nader schriftelijk overleg met de regering naar aanleiding van de reactie van de regering op de brief van 11 februari 2014. Een conceptbrief is op 1 april 2014 besproken.

De minister van Veiligheid en Justitie reageerde op 10 maart 2014 op de brief van de commissie. In zijn reactie op de stelling van de leden van de SP dat het richtlijnvoorstel ervoor zorgt dat het strafprocesrecht voor minderjarigen met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) wordt gebracht geeft de minister aan dat het het jeugdstrafprocesrecht ook nu reeds met het IVRK in overeenstemming is. Verder gaat de minister op verzoek van de SP fractie in op de passage uit het BNC-fiche waarin wordt opgemerkt dat de voorzieningen die betrekking hebben op de duur van de vrijheidsbeneming of de voorkoming daarvan, in een ver verwijderd verband staan tot de rechtsgrondslag die voor de concept-richtlijn is gekozen. De commissie V&J zal de reactie van de minister naar verwachting op 18 maart 2014 bespreken.

Op 28 januari 2014 besloot de fractie van de SP inbreng te leveren voor schriftelijk overleg met de regering. De brief aan de regering werd op 11 februari 2014 verzonden. Naast de inbreng van de SP-fractie geven de fracties van CDA en VVD in de brief aan het regeringsstandpunt te steunen.

De commissie voor Veiligheid en Justitie stuurde op 13 december 2013 een brief aan de minister van Veiligheid en Justitie en een brief aan de minister van Buitenlandse Zaken met daarin het verzoek om de BNC-fiches over de drie ontwerprichtlijnen en twee bijbehorende aanbevelingen, welke moeten leiden tot gemeenschappelijke EU-normen in alle strafprocedures, voor 17 januari 2014 aan de Kamer te doen toekomen.

Op 10 december 2013 besprak de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) de procedure voor behandeling van het richtlijnvoorstel. De commissie V&J besloot de regering te verzoeken het BNC-fiche uiterlijk op 17 januari 2014 aan de Kamer te zenden. De commissie zou op 28 januari 2014 inbreng leveren voor schriftelijk overleg over het richtlijnvoorstel.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft dit voorstel als prioritair geselecteerd uit het werkprogramma 2012 van de Europese Commissie.


Behandeling Tweede Kamer

De Europese Commissie reageerde op 15 mei 2014 op de brief met subsidiariteitsbezwaren van 11 februari 2014.

Op 20 maart 2014 hield de commissie voor Veiligheid en Justitie een algemeen overleg over het behandelvoorbehoud EU-wetgevingspakket waarborgen in strafrechtelijke procedures (zie ook E130055 en E130057). Voorafgaand hieraan werden de Kamerleden op 11 maart 2014 in besloten setting geïnformeerd door ambtenaren van het ministerie over het wetgevingspakket

Op 20 februari 2014 heeft de commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) een algemeen overleg gevoerd met de minister van Veiligheid en Justitie over de JBZ-Raad van 3-4 maart 2014. Het richtlijnvoorstel kwam ook ter sprake.

Op 11 februari 2014 stemde de Tweede Kamer plenair in met de conceptbrief met subsidiariteitsbezwaren aan de Europese Commissie. Volgens de Tweede Kamer zijn de procedurele rechten van kinderen die verdacht of beklaagde zijn in een strafprocedure al voldoende gewaarborgd op nationaal niveau, in internationale verdragen zoals het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest voor de grondrechten van de EU en in reeds vastgestelde Europese richtlijnen. Daarom is Europese wetgeving op dit gebied volgens de Tweede Kamer niet nodig.

De commissie V&J stemde op 5 februari 2014 in met de conceptbrief met subsidiariteitsbezwaren aan de Europese Commissie. Er dient nog plenair te worden gestemd over de brief.

De commissie V&J besloot op 22 januari 2014 dit voorstel te betrekken bij het algemeen overleg over het behandelvoorbehoud EU-wetgevingspakket waarborgen in strafrechtelijke procedures (zie ook E130055 en E130057) op 12 maart 2014.

De commissie V&J besloot op 18 december 2013 dit voorstel te onderwerpen aan een subsidiariteitstoets.

De commissie voor Veiligheid en Justitie (V&J) heeft dit voorstel ook als prioritair geselecteerd uit het werkprogramma 2012 van de Europese Commissie.


Standpunt Nederlandse regering

De minister van Veiligheid en Justitie stuurde op 17 januari 2014 het BNC-fiche aan de Kamer. Hieruit blijkt onder andere dat het kabinet hecht aan een effectieve verwezenlijking van het recht op een eerlijk proces. Minderjarigen zijn tot de verwezenlijking van dit recht niet altijd zelfstandig in staat. Passende ondersteuning kan worden geboden door een ouder of vertrouwenspersoon en een raadsman. Het kabinet is van oordeel dat preciezere vormgeving van aanvullende maatregelen ter bescherming van de procespositie van minderjarigen beter aan de lidstaten zelf kan worden overgelaten. Het kabinet onderschrijft de doelstellingen van de richtlijn. Het beoordeelt de subsidiariteit voorshands positief, maar plaatst daarbij kritische kanttekeningen. De proportionaliteit wordt negatief beoordeeld.

Op 18 december 2013 stuurde de minister van Veiligheid en Justitie een brief aan de Tweede Kamer met daarin het bericht dat de BNC-fiches inzake de voorstellen voor drie richtlijnen over gemeenschappelijke EU-normen in strafprocedures, niet binnen de daarvoor geldende drie-weken termijn naar de Kamer kunnen worden verzonden. De minister geeft aan dat de fiches op zo kort mogelijk termijn alsnog aan de Kamer zullen worden gezonden.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Dit voorstel maakt deel uit van een reeks voorstellen (zie ook E130055 en E130057) die moeten leiden tot gemeenschappelijke EU-normen in alle strafprocedures, zoals voorgesteld in het programma van Stockholm. Met dit voorstel beoogt de Europese Commissie speciale waarborgen te creëren voor kinderen die verdachte of beklaagde in een strafzaak zijn. Daarmee is nader invulling gegeven aan het fundamentele recht op een eerlijk proces, op grond waarvan een redelijk evenwicht tussen de procespartijen is vereist.

Het voorstel is van toepassing op personen tot 18 jaar en biedt voor kinderen, die door hun jonge leeftijd kwetsbaar zijn, waarborgen in alle fasen van het strafproces: het recht om door ouders (of andere geschikte personen) te worden bijgestaan en het recht direct op hun rechten te worden gewezen; het recht geen afstand kunnen mogen doen van het recht op bijstand van een advocaat; het recht op medische verzorging; het recht niet publiekelijk te worden gehoord; het recht om het proces bij te wonen; justitiële autoriteiten die te maken hebben met kinderen, moeten daarvoor speciale training ontvangen; kinderen mogen bij vrijheidsbeneming niet samen met volwassen gedetineerden worden opgesloten. De Europese Commissie baseert haar bevoegdheid voor deze ontwerprichtlijn op artikel 82, lid 2 VWEU. De gemeenschappelijke minimumnormen moeten bijdragen aan het vergroten van wederzijds vertrouwen tussen lidstaten en daarmee aan het vergemakkelijken van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning.

Aanvullende aanbevelingen

Als onderdeel van een pakket maatregelen zijn naast dit voorstel twee aanbevelingen uitgebracht door de Europese Commissie, te weten: een aanbevelingPDF-document betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure én een aanbevelingPDF-document inzake het recht op rechtsbijstand voor verdachte of beklaagde in een strafprocedure.


Behandeling Raad

JBZ-Raad 21 april 2016

Tijdens de Raad wordt de wetgevingshandeling van de ontwerprichtlijn, die is goedgekeurd door het Coreper op 13 april 2016, naar verwachting aangenomen.

JBZ-Raad 8-9 oktober 2015 (agendapunt II.12)

Tijdens de Raad zijn de laatste stand van zaken gegeven over dit voorstel, waarbij onder andere zal worden aangegeven dat de trilogen tussen Raad en Europees Parlement zijn gestart.

JBZ-Raad 15-16 juni 2015 (agendapunt III.9)

Het Voorzitterschap gaf tijdens de JBZ-Raad van 15-16 juni 2015 informatie over de stand van zaken in de onderhandelingen van dit voorstel. Zoals hieronder beschreven werd op de JBZ-raad van 5 en 6 juni 2014 een algemene benadering bereikt in de Raad over de richtlijn. Het Europees Parlement heeft op 5 februari 2015 zijn positie en onderhandelingsmandaat voor de trilogen met de Raad vastgesteld. Na de vaststelling van dit standpunt zijn de trilogen tussen Raad en Europees Parlement gestart (eerste lezing).

JBZ-Raad 5-6 juni 2014 (agendapunt III.3)

Tijdens de Raad is een algemene benaderingPDF-document bereikt over het richtlijnvoorstel. Nederland houdt wel zorgen bij de regeling in artikel 6a (recht op bijstand door een raadsman). Die regeling kan aanzienlijke kosten met zich brengen en dit is voor Nederland een belangrijk punt in de triloog met het Europees Parlement. De Europese Commissie verwacht dat het Europees Parlement tijdens de trilogen de lat hoger willen leggen in het belang van het kind.

JBZ-Raad 3-4 maart 2014 (agendapunt II.4)

Tijdens de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken op 3-4 maart 2014 heeft een oriënterend debat plaatsgevonden over het richtlijnvoorstel op basis van een documentPDF-document van het Voorzitterschap. Het Voorzitterschap concludeerde dat de meeste lidstaten er een voorkeur voor hebben dat bepaalde artikelen van de richtlijn van toepassing blijven nadat een kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, maar dat ook een aantal lidstaten van oordeel is dat de richtlijn niet langer van toepassing is nadat een kind de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Daarnaast moet er altijd recht op toegang tot een raadsman zijn zonder dat daarvan kan worden afgezien. Wel zal een uitzondering voor minor cases worden opgenomen. Ten slotte heeft de Raad ten aanzien van de privacy van kinderen een voorkeur voor een bepaling waarin aan de lidstaten een verplichting wordt opgelegd om voldoende waarborgen op te nemen in de nationale wetgeving zodat het belang van het kind wordt beschermd

Informele JBZ-Raad 23-24 januari 2014 (agendapunt I.2)

Tijdens de informele Raad heeft de Europese Commissie een discussie ingeleid over het richtlijnvoorstel. Een klein aantal lidstaten sprak steun uit voor de uitvoering van de routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Op 9 maart 2016 heeft het Europees Parlement een ontwerprichtlijn aangenomen over het procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.

De commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken (LIBE) heeft op 5 februari 2015 zijn positie en onderhandelingsmandaat voor de trilogen met de Raad vastgesteld. Na de vaststelling van dit standpunt zijn de trilogen tussen Raad en Europees Parlement gestart (eerste lezing). Het Europees Parlement zal naar verwachting op 15 december 2015 haar standpunt in eerste lezing vaststellen.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

De deadline voor het indienen van eventuele subsidiariteitsbezwaren was gesteld op 12 februari 2014.

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden

Naar aanleiding van de algemene benaderingPDF-document waar de Raad Algemene Zaken op 5-6 juni 2014 overeenstemming over bereikte, stuurde de Commissie Meijers op 26 september 2014 wederom een notitie aan de de commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken (LIBE) van het Europees Parlement. In de notitie uit de commissie haar zorgen over een aantal punten uit de algemene benadering.

De Commissie Meijers stuurde op 18 maart 2014 een notitie aan de commissie voor Burgerlijke Vrijheden, Justitie en Binnenlandse Zaken (LIBE) van het Europees Parlement over de EU-voorstellen gemeenschappelijke normen in strafprocedures, waar dit voorstel deel van uitmaakt. Een afschrift van de brief werd tevens aan de Eerste Kamer gezonden.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via