Senaat schort wetsbehandeling omgang grootouders met kleinkinderen op



De Eerste Kamer debatteerde dinsdag 10 maart over een wetsvoorstel om de drempel te verlagen voor grootouders om bij de rechter omgang met hun kleinkinderen te kunnen vragen. Na de beantwoording van de vragen van de Kamer in de eerste termijn, besloot de senaat om het wetsvoorstel aan te houden. Staatssecretaris Van Bruggen van Justitie en Veiligheid zegde toe om binnen een maand een brief naar de Kamer te sturen over het vervolg.


Belang van het kind

Momenteel moeten grootouders na een scheiding van de ouders bij de rechter kunnen aantonen of er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met hun kleinkind(eren) voordat het verzoek voor omgang in behandeling kan worden genomen. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet hier verandering in brengen door een nauwe persoonlijke betrekking als vanzelfsprekend te zien.

Het is een groot goed als grootouders een rol spelen in het leven van kinderen, zeiden de Eerste Kamerleden. Desondanks riep dit wetsvoorstel veel vragen bij hen op. Zo wezen verschillende woordvoerders erop dat met dit wetsvoorstel het belang van het kind ondergeschikt lijkt te worden gemaakt aan de belangen van de grootouders. De senatoren vinden dat onwenselijk. Ook vroegen zij of het wetsvoorstel wel nodig is ('welk probleem lost dit wetsvoorstel op?') en of het niet voor een onnodige toename van het aantal omgangszaken zal zorgen. De Kamer maakte zich zorgen dat dit de al bestaande werkdruk bij de rechtbank nog zal vergroten, omdat deze zaken vragen om gespecialiseerde kinderrechters.


Essentiële rol grootouders

In het wetsvoorstel wordt gesproken van een nauwe persoonlijke betrekking van juridische grootouders. Dat onderscheid met anderen, zoals sociale grootouders, bijvoorbeeld in het geval van meeroudergezinnen, maar ook ooms en tantes, stuitte op bezwaren bij een deel van de Kamer. Voorstanders van de wet zeiden juist te geloven in de essentiële rol van grootouders in het leven van hun kleinkinderen. Alleen een onafhankelijke rechter kan volgens hen oordelen dat zij weggehouden moeten worden van de kinderen.


Aanhouden wetsvoorstel

Nadat staatssecretaris Van Bruggen de vragen van de Kamer had beantwoord, vroeg zij de Kamer het wetsvoorstel aan te houden. 'Om,' zo zei zij, 'me te beraden en in de minsterraad inhoudelijk te bespreken of we het nog verder willen brengen'. Een ruime meerderheid van de Kamer stemde in met het aanhouden van het wetsvoorstel. De staatssecretaris zegde toe binnen een maand een brief te sturen met daarin voorstellen voor het vervolg van het wetsvoorstel.


Over het wetsvoorstel

Met het wetsvoorstel wordt tegemoetgekomen aan de knelpunten zoals die blijken uit het WODC-onderzoek 'Omgang tussen grootouders en kleinkinderen, een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie'. Ook wordt invulling gegeven aan de motie van het Tweede Kamerlid Van Toorenburg c.s. over verlagen van de drempel voor grootouders om tot omgang te kunnen verzoeken.

Van Toorenburg (nu Eerste Kamerlid) en de andere indieners stelden in de motie van februari 2021 dat er nog altijd veel grootouders zijn die niet steeds in de gelegenheid worden gesteld om contact en omgang te onderhouden met hun kleinkinderen, terwijl zij dit wel heel graag willen. Uit onderzoek bleek dat de drempel voor grootouders om tot omgang te verzoeken relatief hoog ligt in Nederland vergeleken met omringende landen.

De indieners van de motie constateerden dat de onderzoekers de aanbeveling doen om deze drempel te verlagen door een andere uitleg in de rechtspraktijk te geven van het begrip 'nauwe persoonlijke betrekking' en de wens van het kind leidend te laten zijn. Daarom verzochten zij de regering, deze aanbeveling op te volgen en een wetsvoorstel in te dienen.