De commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport organiseerden dinsdag 22 september een gezamenlijke deskundigenbijeenkomst over het zogenoemde voorzorgsbeginsel in landbouw en dierhouderij. Dit beginsel houdt in dat de landbouw en dierhouderij maatregelen moeten nemen om mogelijke schade aan mens, dier of milieu te voorkomen. Ook wanneer nog niet volledig vaststaat dat die schade daadwerkelijk zal optreden. Tijdens de bijeenkomst vroegen senatoren hoe het voorzorgsbeginsel wordt toegepast, welke belangen daarin worden meegenomen en hoe die worden afgewogen. Eén vraag liep als een rode draad door de bijeenkomst: wie is er vooral aan zet, overheid of ondernemer?
De commissies besloten tot de bijeenkomst met experts naar aanleiding van de voorlichting van de Raad van State en deeladviezen van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico's in de omgeving van geitenhouderijen. Zes sprekers gaven in twee rondes een introductie op het onderwerp, waarna senatoren vragen stelden.
Wat is het voorzorgsbeginsel precies? En wanneer kan de overheid optreden op basis van dit beginsel? Kars de Graaf, hoogleraar Bestuursrecht en duurzaamheid aan de Rijksuniversiteit Groningen, trapte af met een 'warming-up' over het voorzorgsbeginsel. Hij zei dat er 'redelijke gronden' moeten zijn om op te treden op basis van het voorzorgsbeginsel. Maar wat heeft voorrang, het voorzorgsbeginsel of het belang van een bedrijf? En welke risico's vinden we maatschappelijk aanvaardbaar? Dat vraagt een politiek-bestuurlijke afweging. Het voorzorgsbeginsel gaat over potentiële risico's, die voldoende aannemelijk gemaakt kunnen worden én wetenschappelijk beoordeeld zijn. Het is volgens De Graaf aan wetgevende instanties om te besluiten over maatregelen.
Hierna was het woord aan Marcel van Raaij, secretaris-directeur van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Hij ging in op de vraag hoe het voorzorgsbeginsel wordt toegepast bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Hij zei dat de geldende verordening uitgaat van het principe: niet toelaten, tenzij. Dat betekent dat een gewasbeschermingsmiddel alleen mag worden toegelaten wanneer is aangetoond dat het voldoet aan de wettelijke eisen. Ook na toelating van een middel zijn er mechanismen in het stelsel die tot herbeoordeling kunnen leiden. Bijvoorbeeld als er nieuwe informatie of inzichten beschikbaar komen.
Karien Stronks, voorzitter van de Gezondheidsraad, stelde dat er vaak sprake is van onzekerheid in wetenschappelijk onderzoek. Toch wordt de Gezondheidsraad vervolgens wél om een advies gevraagd. Daarbij wordt vaak het voorzorgsbeginsel ingezet. De Gezondheidsraad geeft zoveel mogelijk bewijs bij potentiële gezondheidsrisico's en beoordeelt deze in samenhang met andere risico's. Hoe ziet het risico op longontsteking eruit als iemand niet naast een geitenhouderij maar naast een snelweg zou wonen? Ook Stronks benadrukte dat er een politiek-bestuurlijke afweging moet plaatsvinden. Wetenschappelijke onzekerheid moet niet als reden worden gebruikt om maatregelen af te zwakken. Het voorzorgsbeginsel is er juist om aannemelijk gemaakte risico's af te dekken.
Senatoren vroegen onder andere wat de wetgever beter kan doen, zowel in het stellen van kaders als in de afweging van belangen. De Graaf zei dat de civiele rechter soms oordeelt dat er te weinig normen zijn. In dat geval is het aan de wetgever om na te denken over aanvullende normstelling. De Graaf benadrukte daarbij dat niet te snel in 'wetgevingshiaten' gedacht moet worden. Soms wordt door een andere instantie, met andere belangen in het spel een andere afweging gemaakt. Je kunt niet aan één instantie alle bevoegdheden toekennen. Het is de taak van de wetgever om te beoordelen of de afweging op basis van het voorzorgsbeginsel goed gemaakt is. Twee senatoren vroegen welke rol de 'modellenwerkelijkheid' speelt in relatie tot longontsteking rondom geitenhouderijen. Zowel De Graaf, Van Raaij als Stronks stelden dat er geen onderscheid is tussen 'feitelijke werkelijkheid' en de veronderstelde 'modellenwerkelijkheid'. Er moeten potentiële gezondheidsrisico's zijn aangetoond. Met modellen wordt vervolgens geprobeerd om de werkelijkheid zo goed mogelijk na te bootsen. Die modellen worden gevuld met feitelijke data, gebaseerd op onderzoek naar echte mensen.
De tweede ronde startte met een inleiding van Ciska Scheidel, directeur Publieke Gezondheid bij de GGD Kennemerland. Zij legde uit hoe de GGD invulling geeft aan de wettelijke taak voor publieke gezondheid. De GGD adviseert het bevoegd gezag, zoals gemeenten, over de mogelijkheden om gegronde gezondheidsrisico's te voorkomen of te beperken. Het voorzorgsbeginsel is volgens Scheidel daarbij onmisbaar, mits duidelijk gemotiveerd en vertaald naar proportionele maatregelen.
Gerben Boom, voorzitter van het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), stelde dat boeren de politiek-bestuurlijke afweging vaak missen. Jonge boeren kijken dertig jaar vooruit. Voorspelbaarheid is daarom cruciaal voor een gezonde bedrijfsvoering en investeringen. Wetenschappelijke onzekerheid mag volgens Boom 'niet eenzijdig op het boerenerf terechtkomen'. Vanaf het begin moet helder zijn welke kennis nog ontbreekt en hoe die vergaart gaat worden. Zodat de politiek-bestuurlijke afweging, op goede gronden, alsnog gemaakt kan worden.
Volgens Henk Baptist, jurist en ecoloog bij de Drentse vereniging Meten=Weten, past het Ctgb het voorzorgsbeginsel niet volledig toe, waardoor burgers en natuur niet adequaat worden beschermd. Daarom rest er volgens hem voor burgers momenteel geen andere mogelijkheid dan de bescherming tegen pesticiden bij de rechter af te dwingen.
Verschillende senatoren vroegen welke rol agrariërs voor zichzelf zien en hoe de politiek hen daarbij zou kunnen helpen. Volgens Boom passen agrariërs het voorzorgsbeginsel zelf ook toe, bijvoorbeeld door onkruid te bestrijden met zogenoemde spotsprayers. Boom stelde dat boeren niet verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun totale omgeving. Geef boeren een doel per bedrijf, maar zorg dat maatregelen niet tot een stapeling van onrendabele investering leiden, aldus Boom. Baptist benadrukte dat de bal in de eerste plaats bij de overheid moet liggen. Die moet maatregelen nemen bij gezondheidsrisico's. Van een boer kun je volgens Baptist niet verwachten dat hij over de juiste kennis beschikt om het voorzorgsbeginsel toe te passen.