Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Swagerman bij behandeling Uitbreiding gronden voor voorlopige hechtenis



Verslag van de vergadering van 6 mei 2014 (2013/2014 nr. 28)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.05 uur


De heer Swagerman (VVD):

Voorzitter. Reeds 40 jaar wordt in de strafrechtspleging gewerkt met een stelsel van voorlopige hechtenis dat gekenmerkt wordt door een evenwichtige indeling van gronden waarop voorlopige hechtenis kan berusten. De betreffende regeling vinden we in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering. Kort gezegd bevat de regeling vier perspectieven die voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Dat is het gevaar voor vlucht, het 12 jaarsfeit met daarbij een geschokte rechtsorde, de vrees voor herhaling en de vrees voor collisie.

Het onderhavige voorstel breidt deze perspectieven uit met een geheel nieuwe. Het voorstel strekt ertoe een extra grond toe te voegen teneinde vaker snelrecht te kunnen toepassen. De grond voor de voorlopige hechtenis is daarbij gelegen in dat snelrecht zelf. Het is interessant om te zien hoe de regering deze uitbreiding motiveert. Mijn fractie dankt overigens de regering voor de schriftelijke beantwoording van haar vragen.

Achtereenvolgens zal ik de motivering van de regering bespreken en ingaan op de vraag of het huidige stelsel tekortschiet. Daarna zal ik de gekozen oplossing in het licht plaatsen van de jurisprudentie over met name de onschuldpresumptie. Ten slotte zal ik een oordeel geven over het wetsvoorstel als geheel, getoetst aan de effectiviteit en de uitvoerbaarheid, en in het bijzonder aan de maatstaf of de rechtspraktijk met dit voorstel geholpen is.

Het wetsvoorstel heeft tot doel bij geweld in de publieke ruimte en geweld tegen personen met een publieke taak de mogelijkheden voor toepassing van voorlopige hechtenis te verruimen met het oog op een snelle berechting van de verdachte. Los van het feit dat hier sprake is van een soort stelselbreuk met het vigerende systeem, dringt zich de vraag op of de snelle berechting niet gewoon op een andere wijze kan plaatsvinden. Extra prioriteit van de Nationale Politie qua opsporing en onderzoek, in de betekenis van voortvarend ter hand nemen, en verscherping van de straftoemeting door middel van een aangepaste strafvorderingsrichtlijn zijn daarbij denkbaar. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop.

De regering stelt dat dergelijke misdrijven een ernstig gevaarzettend karakter voor personen hebben en een ernstige verstoring van de openbare orde teweegbrengen, die leidt tot grote maatschappelijke onrust. Dat zou zeker zo kunnen zijn en het zal zich wellicht ook bij delicten voordoen die niet in dit wetsvoorstel worden genoemd. De vraag is natuurlijk of dit in alle gevallen zo is. Mijn fractie betwijfelt dit zeer. Is het dan niet zaak dat de toepassing van de nieuwe grond op de een of andere manier een aparte motivering door de rechter-commissaris behoeft? Begrijpt mijn fractie het goed dat de minister dit geheel en al ter beoordeling aan de rechter-commissaris laat, of is hij bereid hier nog extra aandacht aan te schenken, bijvoorbeeld door overleg met de Raad voor de rechtspraak c.q. de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak? Op zijn minst zou hier een gemotiveerde vordering van de officier van justitie verlangd kunnen worden en het sturen daarop is in elk geval iets wat binnen de invloedssfeer van de minister ligt. Ook hierop hoor ik graag een reactie van de minister.

Tenslotte wat dit onderwerp betreft stelt de regering dat de toepassing van de nieuwe grond meer tijd oplevert om onderzoek te doen naar de precieze omvang van het strafbare feit en de achtergrond van de verdachte. Kan de minister dat nader toelichten? Mijn fractie overweegt daarbij het volgende. Onderzoek doen naar de juiste toedracht heeft, zoals wij uit de praktijk weten, zijn eigen dynamiek. Snelheid heeft te maken met prioritering en met het feit of het onderzoek van meet af aan goed wordt aangepakt. Gaat de termijn van zeventien dagen daarbij wel helpen of eerder tegenwerken? Let wel, mijn fractie is niet tegen snelrecht in welke variant dan ook, vooral vanwege het feit dat een snelle justitiële reactie altijd te verkiezen is boven een sanctie na lange tijd. Op zichzelf heeft dat echter niets met voorlopige hechtenis te maken. De regering zegt net iets te vaak dat lik op stuk een groot goed is. Dat is wel zo, maar niet in het kader van voorlopige hechtenis, want daarvoor is die regeling niet bedoeld. Voorts wordt het feit dat de reclassering een adequate rapportage moet kunnen opmaken wel erg gemakkelijk gekoppeld aan de mogelijkheid om voorlopige hechtenis te kunnen toepassen. Waarom kan dat niet zonder voorlopige hechtenis, zeker daar in het type delicten waarop dit wetsvoorstel ziet, over het algemeen sprake is van verdachten met een vaste woon- of verblijfplaats?

Ik kom op de vraag of het huidige stelsel tekortschiet. Als wij de gronden voor toepassing van voorlopige hechtenis bezien zoals die nu gelden, is het slechts voor een enkele categorie verdachten thans niet mogelijk om voorlopige hechtenis toe te passen: de categorie first offenders. De regering zegt dat met zo veel woorden ook. Als je dus van tekortschieten wilt spreken, hebben wij het over deze categorie. Hier doemt echter toch een paradox op, want was en is het beleid er bij deze categorie verdachten niet juist op gericht — en volkomen terecht zou ik menen — om detentie zo veel mogelijk te voorkomen? Als er een categorie verdachten bestaat waar de reclassering qua correctie nog iets mee kan, is het wel deze categorie. Kan de minister nog eens toelichten waarom hij juist deze categorie stelselmatig in de sfeer van voorlopige hechtenis wil brengen? In de memorie van antwoord heeft de regering hierover gezegd dat ook deze daders tot aan de zitting in voorlopige hechtenis dienen te worden gehouden, opdat dader en samenleving een direct signaal krijgen dat dergelijk gedrag onaanvaardbaar is. Die motivering acht mijn fractie verre van deugdelijk, zeker nu ook hier weer sanctionering als lik op stuk doorklinkt, zonder dat de zaak bewezen is.

Ik kom bij de jurisprudentie van het Europese Hof en de onschuldpresumptie. De regering heeft de aanvankelijke kritiek dat het wetsvoorstel de public disorder per definitie aanwezig vooronderstelde, ter harte genomen. Zij heeft de maatschappelijke onrust in de omschrijving van de nieuwe grond opgenomen en daarmee erkend dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eist dat concrete toetsing van individuele gevallen aan de verschillende gronden dient plaats te vinden. Strikt genomen lijkt het wetsvoorstel daarmee, in de ogen van mijn fractie, in dit opzicht ook wel gered. Het EHRM accepteert grofweg vier redenen om de verdachte in voorarrest te houden. Hier gaat het om de reden dat vrijlating kan leiden tot public disorder. De grond voor continued detention moet corresponderen met een genuine requirement of public interest. Het EHRM stelt aldus de eis van noodzakelijkheid en legt daarmee een proportionaliteitstoets aan. Het Hof stelt ook de eis van subsidiariteit. Het vraagt relevant and sufficient reasons. Het Hof geeft de nationale rechter de opdracht om te bezien of het met de voorlopige hechtenis te dienen doel ook kan worden bereikt door middel van een alternatief voor vrijheidsberoving. Ik wijs in dit verband op een interview met de president van de rechtbank Rotterdam, mr. De Lange, in het Algemeen Politieblad van een paar weken geleden, waarin zij stelt dat het opleggen van voorlopige hechtenis geen automatisme mag worden. Eerder heeft ook mr. Buruma, lid van de Hoge Raad, zich in een reactie in dezelfde zin uitgelaten. Collega Lokin heeft daar ook al op gewezen. Mr. De Lange zegt dit in reactie op een pleidooi van enkele rechters in haar rechtbank om in het kader van een heroriëntatie op de voorlopige hechtenis, meer te kijken naar mogelijkheden van schorsing met specifieke voorwaarden, bijvoorbeeld onder storting van een borgsom. Is dat niet een nieuwe ontwikkeling waarmee rekening zou moeten worden gehouden?

Ik kom bij mijn laatste punt. Is de rechtspraktijk geholpen met dit voorstel? Ik vat mijn betoog samen. Ik heb hiervoor al aangegeven dat dit juist de categorie verdachten betreft die thans niet — althans niet binnen het raamwerk van de feiten waarop het wetsvoorstel ziet, maar voor vele andere delicten natuurlijk wel — in voorlopige hechtenis kan worden genomen en met dit wetsvoorstel wel. Ik heb daaraan toegevoegd dat het een categorie betreft die je daar niet voor in aanmerking zou moeten brengen, juist ook gezien de hiervoor genoemde subsidiariteitstoets van het EHRM. Het is ook een zeer kleine groep. Kan aan wat het wetsvoorstel beoogt, namelijk de publieke verontwaardiging over de feiten als bedoeld, op een andere wijze tegemoet worden gekomen? Laat hier overigens geen misverstand over bestaan: mijn fractie is het geheel eens met de regering als zij stelt dat — en laat ik het op een eenvoudige wijze uitdrukken — dergelijke feiten absoluut niet kunnen. Een poos geleden gebruikten wij nog weleens de term "huftergedrag" en die term is wat mij betreft onverkort op deze misdragingen van toepassing. De vraag is echter of dit nu via de band van de voorlopige hechtenis moet. Ik heb sneller onderzoek doen en zo nodig strenger straffen als alternatieven genoemd. Met voorlopige hechtenis moeten wij erg voorzichtig zijn. Dat blijkt ook wel uit mijn kritische betoog over dit wetsvoorstel. Mijn fractie onthoudt zich nog van een oordeel over dit wetsvoorstel en wacht eerst de beantwoording van de vragen door de minister af.