Plenair Scholten bij behandeling Wet hervorming kindregelingen



Verslag van de vergadering van 10 juni 2014 (2013/2014 nr. 33)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.24 uur


Mevrouw Scholten i (D66):

Voorzitter. Kinderen staan vandaag in het middelpunt van onze belangstelling. Want ook in het debat hierna gaan we het over kinderen hebben. Het is goed dat de overheid het zich sinds jaar en dag tot haar taak rekent om in de extra kosten van kinderen tegemoet te komen. Mijn fractie is er niet ontevreden over dat in het woud van kindregelingen is gesnoeid met als uitgangspunt, het bieden van inkomensondersteuning aan ouders daar waar dat het meest nodig is. Ouders krijgen nu te maken met vier kindregelingen in plaats van elf. Mijn fractie onderschrijft het wetsvoorstel tot stimulering van arbeidsparticipatie van ouders om zo de armoedeval te verminderen, zonder het stelsel verder te compliceren.

De overheid dient haar taak op een heldere en toegankelijke manier uit te voeren. Helder, omdat het van groot belang is dat men weet waarom en wanneer een tegemoetkoming nodig is en kan worden aangevraagd. Toegankelijk, omdat de belanghebbende zo min mogelijk tegen bureaucratische regels zou moeten aanlopen. Goede voorlichting is daarom van belang. Als de uitvoering ingewikkeld is, ligt het risico van niet-gebruik op de loer. De regel "elke wet een loket" maakt de uitvoering van wetten soms onoverzichtelijk en ontoegankelijk. Dat is met elf regelingen eerder het geval dan met vier regelingen, waar we vandaag over spreken.

Het aanvankelijke wetsvoorstel is bij nota van wijziging na het begrotingsakkoord bijgesteld. De kinderbijslag is anders dan eerst beoogd niet genivelleerd en het kindgebonden budget heeft als ruilmiddel voor het aftoppen van de alleenstaande-oudernorm in de bijstand een belangrijker aandeel gekregen in de verdeling van de beschikbare middelen. Die hervormingen steunt mijn fractie. Met een besparing van een half miljard is volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau het inkomensbeeld in vergelijking met het beeld volgens de aanvankelijke voorstellen gemiddeld sterk verbeterd. Mijn vraag is hoe de belanghebbenden op deze hervormingen zijn of worden voorbereid. Hoe breed kenbaar is dat er belangrijke wijzigingen op stapel staan en hoe breed kenbaar is dat er voor de minder draagkrachtigen een verruiming van het kindgebonden budget aankomt?

Ook mijn fractie vraagt vandaag aandacht voor het verschil tussen het partnerbegrip in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en het partnerbegrip in de bijstand. Daarover is zeer recentelijk opwinding ontstaan in de media. De minister heeft in de memorie van antwoord uitgelegd dat de Belastingdienst niet het soort materiële toetsingen kan uitvoeren zoals de gemeenten dat voor de bijstand kunnen doen. Daarom gelden voor de alleenstaande-ouderkop — ik heb geprobeerd het woord te vermijden, maar dat is mij toch niet gelukt — de bestaande criteria van de Awir, aldus de minister. Mijn fractie stelt voorop dat de kern van het wetsvoorstel is dat de armoedeval juist wordt aangepakt door de extra bijstand voor alleenstaande ouders in de bijstand te vervangen door een toeslag voor alle alleenstaande ouders, al dan niet in de bijstand. Nu blijkt er een nadelig effect te zijn voor een beperkte groep, wier partner op papier wel, maar in werkelijkheid niet thuis woont. Naar mijn inschatting heeft de Tweede Kamer dit punt wel onderkend, namelijk met de motie-Hamer, waardoor de inkomensteruggang voor deze groep voorlopig is opgevangen door de korting met 20% in de bijstand een jaar uit te stellen. De ingangsdatum wordt niet 1 januari 2015, maar 1 januari 2016. Denkt de minister hiermee de inkomensval voor die groep vooralsnog voldoende te hebben ondervangen of zijn er nog andere oplossingen mogelijk?

De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders heeft aandacht gevraagd voor de wijzigingen onder artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering — vergeef mij deze gortdroge opsomming — inzake de berekening van de beslagvrije voet. De deurwaarders vragen zich af of zij in het woud van de kindregelingen en de kostendelersnorm de juiste beslagvrije voet kunnen berekenen. Zij zijn afhankelijk van informatie van de schuldenaar zelf en vragen daarom om meer informatiebevoegdheden, echter zonder daarover specifieke voorstellen te doen. Het oprekken van informatiebevoegdheden lijkt mij een te vergaande maatregel. Met een dergelijk verzoek zou uiterst terughoudend moeten worden omgegaan. Om toch de deurwaarders tegemoet te komen zou ik de minister willen uitnodigen om nog eens in te gaan op deze problematiek en de deurwaarders een helpende hand te bieden door een goede uitleg te geven over de wijze waarop de beslagvrije voet ook bij kostendelers zou moeten worden berekend. Dat helpt de deurwaarders, maar ook de schuldenaars om wie het gaat.

We wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af.