Plenair Elzinga bij voortzetting behandeling Taaleis Wet werk en bijstand



Verslag van de vergadering van 10 maart 2015 (2014/2015 nr. 23)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.36 uur


De heer Elzinga i (SP):

Voorzitter. De staatssecretaris begon haar eerste termijn met de vaststelling dat taal heel belangrijk is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer, inclusief de participatie op de arbeidsmarkt. Ik denk dat alle fracties hun eerste termijn begonnen met die vaststelling. Het vormde bijvoorbeeld de SER. De CDA-fractie verwees daar in eerste termijn al naar, maar ook de SP wees erop, dertig jaar geleden al. De staatssecretaris biedt daarvoor echter geen nieuwe instrumenten, want gemeenten zetten zich nu immers in brede zin ook al in voor taalbeheersing. In het kader van de WWB of de Participatiewet hebben de gemeenten bovendien nu al de plicht om mensen een voorziening te bieden, met een sanctiemogelijkheid, om ze op de best mogelijke manier aan werk te helpen. Als taal als grootste barrière daartoe wordt ervaren, zal de gemeente hierop een voorziening inzetten. Dat wordt nu een landelijke verplichting, ook als andere hobbels mogelijk groter zijn. Maar waarom die landelijke verplichting er nu precies moet komen, is mijn fractie geheel niet duidelijk geworden. De hamvraag voor welk probleem dit wetsvoorstel een oplossing biedt, is niet beantwoord. Wel heeft de staatssecretaris op een van mijn vragen herhaald dat de regering niet over landelijke cijfers beschikt over het aantal personen in de bijstand dat de Nederlandse taal niet op referentie 1F machtig is. Wel heeft de staatssecretaris aangegeven dat deze groep bestaat uit analfabeten en laaggeletterden. Dat was een herhaling van hetgeen ook al in de voorbereiding van dit debat is gewisseld.

Het totale aantal laaggeletterden en analfabeten in Nederland is wel bekend. Dat zijn er ruim anderhalf miljoen, van wie er 550.000 analfabeet of zeer laaggeletterd zijn en onder het vereiste 1F-referentieniveau zitten. Gelukkig zijn velen van hen niet afhankelijk van de bijstand, maar helaas is ook een aanzienlijk aantal daarvan in Nederland opgegroeid en vallen zij helemaal niet onder de doelgroep van deze wet. Op ongeveer tien vragen om de doelgroep meer helder te krijgen, heb ik slechts één antwoord gekregen. Dat was het antwoord op de vraag of de bezuiniging gebaseerd is op 400.000 bijstandsuitkeringen en of dit aantal een aanname is. Daar zit geen enkele berekening achter. Of er überhaupt een probleem is met de doelgroep, is dus niet duidelijk geworden, laat staan wat de omvang van het probleem is. Het enige wat de staatssecretaris daarop heeft aangegeven, is dat het natuurlijk bij de invoering van het wetsvoorstel gemonitord zal worden en dat we bij de evaluatie van dit wetsvoorstel over een paar jaar wellicht helder hebben hoe groot de doelgroep was en of er een probleem was dat moest worden opgelost. Het biedt geen extra mogelijkheden voor gemeenten om mensen maximaal te helpen. Het biedt wel een verplichting om bestaande middelen die gemeenten hebben in het kader van de Participatiewet op een bepaalde wijze in te zetten, maar of dat vervolgens goed gebeurt, is weer een beslissing van de gemeenten. Het is aan hen om daarover te oordelen en dat te bepalen. De verplichting in het wetsvoorstel heeft in de ogen van mijn fractie dan ook uitsluitend symbolische waarde, zoals ik ook al in eerste termijn constateerde. Het helpt mensen helaas niet concreet om Nederlands te leren. Dat voorstel krijgt de stem van de SP-fractie niet.

De heer Van Zandbrink (PvdA):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de uitvoerige beantwoording van de vragen. In mijn beleving is één vraag onvoldoende aan de orde geweest en die gaat over artikel 8, lid 7 over de mogelijkheden voor het verwerven van middelen bij belanghebbenden. Het is onduidelijk wat daarmee wordt bedoeld. Het gaat hier om mensen zonder werk en die moeten dat betalen. Ik krijg daarop graag nog een toelichting.

Een belangrijk punt dat we in de discussie scherp hebben gekregen, is dat de gemeenten heel berekenbaar tegen betrokkenen moeten zijn. Aan het begin van het traject, wanneer de taalcursus met onvoldoende gevolg is afgelegd, moeten duidelijke afspraken worden gemaakt over de manier waarop de verbetering wordt ingezet, wat de voortgangsmomenten zijn en hoe wordt getoetst. Dan worden ook afspraken gemaakt over het aanbod van de gemeente. Dat is een belangrijk punt. Al met al zal ik mijn fractie, mede dankzij de beantwoording, adviseren om hier positief tegenover te staan.

De voorzitter:

De staatssecretaris is in de gelegenheid om meteen te antwoorden.