Plenair Backer bij behandeling Banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten



Verslag van de vergadering van 24 maart 2015 (2014/2015 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 12.23 uur


De heer Backer i (D66):

Voorzitter. Om als laatste spreker beknopt te kunnen zijn, helpt het dat de memorie van antwoord uitvoerig en helder was en ons ook nog tijdig heeft bereikt.

Het helpt verder dat er zeer uitvoerig in de Tweede Kamer is gedebatteerd. Er is een aantal verbeteringen aangebracht en er is ook een aantal belangwekkende zaken door de vorige sprekers zojuist aan de orde gesteld, onder anderen door collega Ester, die gelukkig weer terug is in ons midden.

Ik heb drie onderdelen in mijn betoog: de toeleiding tot de arbeidsmarkt; de vraag of dit nu een uniek Nederlands vraagstuk is en de vraag of positieve actie rechtmatig is.

Wat de toeleiding tot de arbeidsmarkt betreft, is het, zoals vandaag al vaker is gezegd, voor iemand met een arbeidsbeperking een uiterst moeilijke weg om een baan te vinden. Door de aard van de situatie staat hij of zij op achterstand in een arbeidsmarkt die door vraag en aanbod wordt beheerst. Wij spreken dan wel over een markt, maar zoals heel veel markten zijn er natuurlijk toetredingsbelemmeringen en verstoringen. Dat geldt zeker voor deze toetreders. Er is dus de facto niet sprake van gelijke kansen. Mijn collega Vos bracht dat ook al op in haar bijdrage.

Gelukkig is in de Participatiewet, per 1 januari van dit jaar van kracht geworden, wel de juiste conclusie getrokken, namelijk dat de achterstand zo min mogelijk permanent moet worden geformaliseerd in wat mijn fractie dan toch een paternalistische uitkeringsregeling zou noemen. De regelingen die die achterstanden fixeerden, boden ook weinig kans om de eigen kracht van mensen aan te spreken. Nu is de focus veel meer komen liggen op de vraag hoe eigen kracht kan worden gebruikt met ondersteunende faciliteiten en hoe arbeidspotentieel werkelijk gerealiseerd kan worden.

De kritiek op de Participatiewet was dat het voorstel bestaande rechten ontnam. Inderdaad, we gaan het debat daarover niet overdoen, maar het is vandaag al een aantal keren genoemd dat de positieve kant van de Participatiewet was — dat was voor ons doorslaggevend — dat er kansen terugkomen om te participeren. Dat is belangrijk.

De tekst van het sociaal akkoord en de inzet van de herziening van de regelingen, culminerend in de banenafspraak en de Participatiewet, illustreren dat er iets anders aan de hand is, namelijk bewustwording in de samenleving dat positieve actie noodzakelijk is om die andere kant van de medaille ook werkelijk waar te maken voor mensen met een arbeidsbeperking en dat dat niet een zorg is die gewoon is uitbesteed aan de overheid maar een maatschappelijke verantwoordelijkheid die veel breder moet worden gedragen en die ons allemaal aangaat.

Het wetsvoorstel moedigt de werkgevers aan om na te denken over het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking met behulp van de regionale werkbedrijven en om zich te verdiepen in de opties die op dit gebied mogelijk zijn.

Er is veel potentieel voor ontplooiing vanuit die eigen kracht, maar met begeleiding. Dat is de menselijke kant, maar er is ook arbeidspotentieel dat ontsloten kan worden. Dat is gewoon de economische kant in een markt waar de demografische ontwikkeling de kant op gaat dat er steeds meer vergrijzing optreedt.

De banenafspraak en het voorliggende voorstel vormen een uitnodiging aan alle betrokkenen om opnieuw te kijken naar de arbeidsorganisaties binnen bedrijven en de overheid. Maar ook in brede zin, in de organisatie van participatie in de samenleving. Hoe kan bijvoorbeeld zelfstandig ondernemen worden bevorderd? Waar kunnen productie en dienstverlening anders worden ingericht? Waar zijn nieuwe creatieve oplossingen mogelijk? In een arbeidsmarkt waar de fysieke arbeid een steeds geringere plaats inneemt, is er ook in relatieve zin meer mogelijk voor mensen met een fysieke handicap om deel te nemen. Tot zover over de toetreding.

Het tweede onderdeel van mijn betoog is de vraag of dit nu een uniek Nederlandse aanpak is. Dat kwam al even ter sprake. De EU-richtlijn 2000/78/EG laat zowel quota- als discriminatieverboden toe aan de lidstaten. We kennen ook het VN Gehandicaptenverdrag, dat net al even in het betoog van mevrouw Sent ter sprake kwam.

Laten we even om ons heen kijken in Europa. In 20 van de 28 landen bestaat een vorm van quota of heffing. Het fenomeen van quota in andere Europese landen is wel onderzocht, zoals ik ook lees in de memorie van antwoord, maar er zijn weinig empirische gegevens over bekend. Ik heb zelf nog eens nagekeken of er nog wat te vinden was. Er is een studie van het European Centre for Social Welfare Policy and Research in Wenen. Dat concludeert dat maatregelen, gebaseerd op anti-discriminatie, dus de civielrechtelijke kant, of strafrechtelijke bepalingen ongeveer evenveel voorkomen als quotaregelingen. Ik vond nog een TNO-rapport uit 2012 en een OECD-studie, maar het nadeel van al die studies is dat zij heel vaak onvergelijkbare regelingen in onvergelijkbare arbeidsmarkten aan de orde stellen.

Daardoor is het als je kijkt naar de omgeving toch wel een beetje gissen wat nu doorslaggevend is voor werkgevers om op basis van empirie aan hun banenafspraak of aan hun quotum te voldoen. Is dat een intrinsieke motivatie? Is het geloof in gelijke kansen? Is het maatschappelijk verantwoord ondernemen? Of is het naming-and-shaming als je het niet doet?

Wat mijn fractie intrigeert, is of er in de EU ook overleg over dit onderwerp is, ook recent nog en, zo ja, wat de status daarvan is. Zijn er best practices en, zo ja, zijn die ergens in de voorstellen verwerkt? Ik lees er eigenlijk niets over, terwijl dat toch wel relevant is in een Europese markt.

Ook de antwoorden op vragen van de collega's van het CDA over Duitsland en andere landen zijn slechts beschrijvend. Er worden geen conclusies getrokken over lessons learned. Ik nodig de staatssecretaris uit om daar vandaag nog wat specifieker op in te gaan. Vanwege het ongemak dat velen hebben over een heffingsregeling is dat namelijk toch wel van belang. Verder wil ik weten of er nog recentere studies zijn die ik wellicht over het hoofd heb gezien.

Een belangrijke bijvangst van het wetsvoorstel — misschien blijkt het over een paar jaar wel de hoofdvangst te zijn — is dat er een instrumentarium komt dat leidt tot een beter inzicht in de arbeidspool, een verbeterde organisatie met een rol voor gemeenten en contacten via de werkbedrijven en niet in de laatste plaats de no-riskpolis. We hebben natuurlijk ook de proefplaatsing en de loonkostensubsidie, maar ik denk dat de no-riskpolis ongelofelijk belangrijk is voor de zekerheid die werkgevers zoeken. Ik begrijp van de website van het ministerie dat er nu een voorstel is. Mevrouw Vos vroeg hier net ook al naar. Is dat op tijd beschikbaar? Wanneer treedt een en ander in werking? Loopt dit parallel met de invoering van deze regelingen in 2016 en 2017? Ik had het over bijvangst, maar ik zal de parallel met de visserij niet verder doorvoeren.

Mijn volgende punt betreft de vraag of positieve actie rechtmatig is. Ook al is vooraf niet exact duidelijk wat de impact is — dat is wel vaker zo met sanctieregelingen — dit voorstel kent naar het oordeel van mijn fractie wel een bijzondere gemeenschappelijke rechtvaardigingsgrond voor een zekere mate van positieve discriminatie. Dit aspect is merkwaardigerwijze eigenlijk in de hele wetsbehandeling niet aan de orde geweest, totdat college Sent zojuist sprak. Het lijkt mij een zaak van de Eerste Kamer om de vraag of positieve discriminatie rechtmatig is, toch even aan te stippen. We hebben het gehad over verdringing. Door banenafspraken en quota voor de ene groep worden andere groepen uitgesloten, ook al noemen we het een inclusieve arbeidsmarkt. In de prioritering zit natuurlijk ook een voorkeursactie. Leidt dit dan niet tot blokkades? De beschikbare loonsom blijft immers vaak hetzelfde. En hoe wordt die dan verdeeld? Dit onderwerp is wel aan de orde geweest in de Tweede Kamer en op dit punt is ook het amendement-Van Weyenberg ingediend. Verder is er behalve door het College voor de Rechten van de Mens eigenlijk niet over gesproken. Er zijn in het verleden wel precedenten geweest — collega Elzinga zei dit al — maar die gaan vrij ver terug. Ik noem de WAGW in 1998 en later de Wet REA. Daar zat een quotum in, maar dat is nooit geactiveerd.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft zich uitgesproken over het beginsel van gerechtvaardigde discriminatie. In de zaken van Stec tegen het Verenigd Koninkrijk en van Runkee en Whitebesliste het Hof te Straatsburg dat het instellen van een verschillende behandeling — het ging daarbij om de ingangsdatum van invaliditeitspensioen op basis van geslacht — om een sociaal wenselijk doel te bereiken, niet alleen het discriminatieverbod niet schendt, maar dat in bepaalde gevallen het nalaten om dergelijke maatregelen van positieve discriminatie in te voeren, het gelijkheidsgebod schendt. Dat past ook wel een beetje bij het gehandicaptenverdrag.

Het EHRM stelt daarbij dat het reasonably en objectively justified moet zijn. Dit kan meespelen in de discussie om de heffingen al dan niet van kracht te laten worden. In die discussie zou mijn fractie ook graag het gewogen quotum aan de orde zien komen. Ik begrijp dat dit in deze fase van de behandeling geen onderdeel meer kan uitmaken van de wetgeving, maar het zou bij de beoordeling en herziening van de doelgroep in 2017 aan de orde kunnen komen. Mijn vraag is of de staatssecretaris dit uitsluit of dat het wel mogelijk is.

Misschien is de activering van de heffing niet eens nodig. Mogelijk is het enkele feit van het vooruitzicht dat werkgevers overgehaald kunnen worden genoeg. Hierbij is het wellicht een voordeel dat het een getrapt systeem van invoering is. Het is in feite een "reeds nu voor alsdan"-regeling. Zij gaat pas in na overleg en na evaluatie. Sommigen vinden dat een nadeel omdat er dan geen sprake is van een automatisme. Ik vind het evenwel een voordeel omdat wij dan werkelijk op feiten gebaseerd een besluit nemen dat veel impact heeft.

Ik las tot mijn genoegen in de memorie van toelichting over allerlei mogelijkheden tot samenwerking door werkgevers in een gemeenschappelijke pool of het uitbesteden van een quotum. In eerste instantie vraag je je af of dit niet raakt aan de spirit van de regeling, maar de vraag of uiteindelijk bereikt wordt dat mensen weer kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt, zou doorslaggevend moeten zijn. Ik ben op dat punt minder bezorgd en ik zie de zon iets meer schijnen. In de brochure "Werkgevers gaan inclusief" van het AWVN, VNO-NCW en het mkb wordt heel sterk ingezet op deze regeling. Als grote ondernemingen zich daar eenmaal toe verklaren en dat ook gaan publiceren, dan heeft dat toch betekenis voor hun directies en hun raden van commissarissen. Ik denk evenwel dat het helpt als het eenmaal zwart op wit staat, alhoewel die brochure in kleur is. Ik ben niet goedgelovig, maar dit is geen loos bericht.

Al dergelijke pragmatische oplossingen hebben ons wel wat milder gestemd, ook al blijft het een gekke regeling. Het is een collectieve afspraak die je als werkgever maar ten dele kunt beïnvloeden, maar het is een individuele heffing die als straf over je heen komt. Dat ongemak is voor ons nu wat gemitigeerd.

Een andere geruststelling vind ik dat er geen budgettaire incentive is om de heffingen te verhogen. Er is een motie-Van Ojik/Kerstens, maar die betreft meer een strafverhoging dan iets anders. Er is geen sprake van dat de heffingshoogte noodzakelijk is om het fonds van de loonsubsidie te vullen. Dat zou ik ook geen goed mechanisme vinden.

Tot slot kom ik op de wenselijkheid van deze "reeds nu voor alsdan"-regeling of, huiselijker, stok achter de deur. Mijn fractie heeft zich hier bij de behandeling van de Participatiewet al over uitgesproken. Uit mijn bijdrage van vandaag valt af te leiden dat ik wel een aantal vraagpunten heb —ik wil straks ook nog even terugkomen op de mogelijkheid van zelfstandig vestigen door mensen met een beperking — maar een gedegen beantwoording door de regering kan het mij mogelijk maken, mijn fractie positief te adviseren. Voorzitter. Het spijt mij dat ik iets over mijn spreektijd heen gegaan ben, maar het is een belangrijk onderwerp.

De voorzitter:

Daarom heb ik het ook toegestaan.

De beraadslaging wordt geschorst.