Plenair Backer bij voortzetting behandeling Verhoging van de AOW-leeftijd



Verslag van de vergadering van 19 mei 2015 (2014/2015 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 17.30 uur


De heer Backer i (D66):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de gegeven antwoorden. Een aantal van die antwoorden is eigenlijk via interrupties verkregen, maar ik denk dat al met al een heel aantal zaken verhelderd is die soms niet of niet volledig in de schriftelijke voorbereiding konden worden gewisseld. Het is ook best complexe materie. Ik dank de staatssecretaris voor de toezending van de extra stukken op verzoek van collega Hoekstra. Ik heb ook mezelf in een van de cohorten kunnen terugvinden. Ook ik ga erop achteruit. Ik heb het uitgerekend en merkte dat het om een behoorlijk fors bedrag gaat. Dat neemt niet weg dat ik de gedachte en het principe achter de voorstellen wel degelijk onderschrijf.

De heer Postema riep de collega's op om positief te kijken naar de arbeidsmarkt. Ik zeg hem dat na. In het debat over de verdringing zijn we heel erg bezig geweest met de complexiteit van dit onderwerp. De staatssecretaris wees er al op dat de toename van de arbeidsparticipatie veel sneller is gegaan dan wij dachten. Ik ben daar positief over.

De heer De Lange i (De Lange):

Ik wil mijn verbazing uitdrukken over collega Backer. Ik vind het weinig kies dat hij zijn eigen situatie in het debat inbrengt. Ik kan niet in zijn portemonnee kijken, maar ik neem aan dat hij niet tot de Nederlanders behoort die op het minimum leven, die door dit wetsvoorstel hun perspectief op een redelijke oudedag zien verdwijnen en tegelijkertijd in enorme financiële moeilijkheden gebracht worden. Ik denk dat de voorbeelden die vandaag over tafel zijn gegaan, velerlei zijn en dat de heer Backer niet een dergelijke positie over zichzelf moet innemen om bepaalde dingen te adstrueren. Ik vind dat onjuist en hoor graag zijn reactie hierop.

De heer Backer (D66):

Dat is een iets te gemakkelijke interruptie. Het gaat in feite over empathie en inlevingsvermogen en over de discussie die wij voeren over de overgangsproblematiek, of het terecht is of niet. Ik maakte een zijstapje, omdat ik zag om welke cohorten het gaat. Het heeft er verder niets mee te maken. Laat ik het maar heel helder zeggen: wat ik over mijzelf vaststel, mag niet doorslaggevend zijn voor een dergelijke beslissing en dat is het ook niet. Misschien is het goed dat de heer De Lange mij daar nog even op heeft bevraagd. Het was een zijstap en geen dragend argument voor mijn standpunt.

Ik kom op het punt dat de heer Reuten inbracht en waarover wij een debat hebben gevoerd, namelijk de arbeidsmarktverdringing en over de aanname dat het om 75%, 50%, of 45% gaat. Dat weten we niet. Ik trek echter een andere conclusie dan hij. In de motie die daarop aansluit, gaat men uit van de verdringingsgedachte. Collega Postema wees er al op. In het dictum wordt de regering gevraagd om de gemeenten daarvoor te compenseren. Ik denk dat het debat in eerste termijn nog niet helder hierover was, maar in de beantwoording door de staatssecretaris is het duidelijk geworden. De systematiek van het Gemeentefonds en het I-deel daarvan, zorgt ervoor dat het uiteindelijk in de uitbetalingen wordt meegenomen. Er zit alleen een jaar vertraging in. Het hoeft dus niet gecompenseerd te worden, want het zit er al in. Als het anders is, hoor ik het graag van de staatssecretaris, want dan moet ik de motie anders beoordelen.

Uiteindelijk zijn er altijd bij de finesses van de discussie over de overgangsregelingen haken en ogen. Mevrouw De Boer gaf al aan dat men uiteindelijk toch nog een keer naar de bijstand zou moeten. Dat vind ik ook een moeilijk punt. De staatssecretaris zei dat zij hier een handreiking doet, maar ik begreep het niet helemaal. Ik had het gevoel dat het een "pinkreiking" was. Ik zou graag nader uitgelegd krijgen wat ze precies bedoelt: is het een aanpassing van de OBR-regeling of een beroep op de bijzondere bijstand? Of is er een andere vorm waarmee het opgelost zou kunnen worden?

Ik sluit af met het feit dat het grotere belang van het voorstel met zich meebrengt dat ik aan mijn fractie zal voorstellen om het positief te bejegenen. Ook bij ons zal er intern nog wel wat discussie zijn, omdat de problematiek van de overgang en de hardheid die daarmee gepaard gaat ook op de agenda hebben gestaan.

De heer Reuten i (SP):

Ik zou de heer Backer willen vragen om hier wat explicieter over te zijn. Wat is het grotere belang? Gaan de rijksfinanciën boven de betrokken groepen?

De heer Backer (D66):

Ik begrijp dat de heer Reuten die tegenstelling maakt, want het is een heel gemakkelijke stelling om zo neer te leggen, maar ik wil even teruggrijpen op mijn betoog in eerste termijn. Toen heb ik uiteengezet dat het grote verwijt dat nu wordt gemaakt en dat ontstaat door de overgangen en de hardheidsproblemen waarop mensen niet hadden gerekend, voor een deel is veroorzaakt door het feit dat we niet op tijd zijn begonnen met de aanpassing van de regelingen aan de vergrijzing en de veranderende bevolkingsopbouw. Sinds 2006 heeft mijn eigen politieke partij hiervoor gepleit. Wij doen nu wat we altijd gezegd hebben dat we wilden doen en dat vinden wij het grotere belang. Ja, er is een budgettaire besparing geweest. Daar was een urgentie voor en daar is niets mis mee. Het heeft ons op een goede koers gebracht van de staatsfinanciën en dat blijft zo. Om nu te vragen wat doorslaggevend is: het oorspronkelijke idee is doorslaggevend. Wij zullen in de verzorgingssstaat aanpassingen moeten plegen om de welvaart en de rechtvaardigheid voor iedereen op langere termijn in stand te kunnen houden.