Plenair Ten Hoeve bij voortzetting behandeling Initiatiefvoorstel Klimaatwet



Verslag van de vergadering van 21 mei 2019 (2018/2019 nr. 30)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.58 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Ten Hoeve i (OSF):

Voorzitter. Voordat het 2050 is, zal er nog heel wat moeten gebeuren. De dertig jaar die er nog komen voordat we zover zijn, kunnen nog heel wat verrassingen opleveren waar wij nu nog helemaal geen idee van hebben. Maar dat wij zelf de verantwoordelijkheid hebben om zo goed mogelijk rekening te houden met dat wat met de kennis van nu noodzakelijk lijkt om de toekomst leefbaar te houden, is wel duidelijk. Met de kennis van nu lijkt niets doen voor de toekomst een catastrofe te veroorzaken. Handelen lijkt nog mogelijkheden te bieden om die catastrofe enigszins te beperken. Dat legt ons dus inderdaad verantwoordelijkheden op ten opzichte van de wereld en al haar bewoners, inclusief ons eigen nageslacht.

Wat wij precies het beste kunnen doen en vooral hoe wij dat het beste kunnen doen, is niet helemaal duidelijk en zal ook in alle komende jaren wel onderwerp van onderzoek, discussie en ook van besluitvorming moeten blijven. Maar met de kennis van nu is wel de richting te bepalen waarin we zullen moeten zoeken. Het lijkt zeker dat de hoeveelheden door menselijk gedrag vrijkomende broeikasgassen leiden tot de gevolgen die wij nu al duidelijk beginnen te merken en die tot die catastrofe kunnen leiden. Dat die kennis aanwezig is en door de wetenschap in grote meerderheid wordt gedragen, is dus niet vrijblijvend. Dat geeft het handvat om onze verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Dat geldt voor iedereen individueel, maar vooral voor de politiek, die de mogelijkheden van de overheid kan inschakelen om doelen te bereiken. Het hoofddoel, het voorkomen van die catastrofe, is natuurlijk voor ons, onze politiek en onze overheid, te groot. Zelfs voor onze gezamenlijke Europese politiek en overheid is dat doel te groot. Gelukkig is een groot deel van de wereld bereid om mee te werken. Maar van ons, op ons kleine hoekje van de wereld, maar met een relatief heel grote bijdrage aan het ontstaan van de risico's en ook met een relatief heel grote rijkdom die handelen mogelijk maakt, mag wel veel verwacht worden. Tot nu toe vertonen wij dat nog niet al te veel.

De initiatiefnemers van het wetsvoorstel Klimaatwet mogen geprezen worden dat ze onze verantwoordelijkheid op een duidelijke en bindende wijze willen laten vastleggen. Nu, nu we nog niet precies weten hoe en wat, maar wel waarheen. Wat vastgelegd wordt, zijn dus geen maatregelen, maar wel doelstellingen respectievelijk streefcijfers: in 2030 49% minder uitstoot van broeikasgassen, in 2050 95% minder uitstoot en elektriciteitsopwekking volledig met hernieuwbare energie. Die doelstellingen kunnen niet via de rechter worden afgedwongen, maar die zijn wel verbindend. Er worden procedures vastgelegd om ze met maatregelen te bereiken, waarover regering en parlement overleggen. Volgens dit wetsvoorstel worden ze door de regering vastgesteld en de resultaten daarvan worden gemonitord door het Planbureau voor de Leefomgeving. Daarmee is nog niets gerealiseerd, maar alle betrokkenen krijgen daarmee wel hun opdracht. En om nu al uit te spreken dat er geen Urgenda-vonnissen mogelijk zijn bij falen, maakt de kans op slagen misschien niet heel veel kleiner, maar natuurlijk ook niet echt groter. Waarom regelen we dit niet toch nog wat strakker?

Het stramien ligt er dus en dat is goed, maar het is natuurlijk wel het makkelijkste deel van de opgave. Bij diverse vragen die in het verslag gesteld zijn, komt in de antwoordnota de opmerking dat de initiatiefnemers daarover verschillende politieke opvattingen kunnen hebben. Daar lopen we ook nu al tegen aan, want daar liggen de concrete belangen van de mensen, de groepen en de ondernemingen in onze samenleving. Dat maatregelen geld gaan kosten is duidelijk. Het is ook duidelijk dat de verdeling van die kosten geen onredelijke lasten mag opleggen aan degenen die het toch al niet het makkelijkste hebben. In feite is dat al een beperking van het uitgangspunt dat de vervuiler, de veroorzaker, moet betalen. Maar van dat uitgangspunt blijft nog heel wat over dat gerealiseerd zal moeten worden om tot resultaten te kunnen komen. Een realistische CO2-belasting, ook voor de luchtvaart en de scheepvaart, lijkt toch wel de meest logische basis van maatregelen om het probleem aan te pakken?

En rekenend met CO2-equivalenten geldt dat dus ook uitdrukkelijk voor de agrarische sector, waar de verbinding tussen klimaatprobleem en ecosysteemprobleem heel duidelijk is, en beide problemen ook niet anders dan simultaan benaderd kunnen worden. Het gaat om grote belangen, in de energiesector, in de industrie, in de logistieke wereld en in de landbouw. Overal zal dat betekenen dat productie een andere inhoud moet krijgen dan wat er te tellen is in stuks, dat welvaart niet meer afgemeten kan worden aan materiële consumptie, en dat economische groei niet meer mag betekenen dat er grondstoffen verloren gaan door omzetting in product of in CO2. Dat wordt nog een hele heisa, om de maatschappij te laten wennen aan die nieuwe beperkingen. Het vraagt een omdenken dat niet makkelijk is. Zeker van de overheid worden heel andere doelstellingen gevraagd dan tot nu toe. Maar als het lukt, dan mogen we onze zegeningen tellen, ook al moet er nog steeds met heel wat negatieve en nu al niet meer te ontlopen klimaatgevolgen van onze oude economie gerekend worden. Dat kon nog wel eens een groot beroep doen op onze solidariteit.

Deze wet is een goed begin. Nu het eerste klimaatplan nog, dat met iedereen rekening moet houden maar dat niet te bescheiden mag zijn. Een taak voor de minister, alhoewel de vraag die hier al meer gesteld is toch wel voor de hand ligt: waarom mag het parlement dat plan niet goedkeuren? Juist in dat plan worden toch alle essentiële beslissingen en dus gevolgen vastgelegd. Ik wacht graag op de reacties van de initiatiefnemers en de regering.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ten Hoeve.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering voor een kort moment in afwachting van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.