Plenair Van Apeldoorn bij behandeling Tweede incidentele suppletoire begroting inzake COVID-19-crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten



Verslag van de vergadering van 21 april 2020 (2019/2020 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 16.49 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Voorzitter, dank. Laat ik mij alvast aansluiten bij de laatste woorden van collega Vendrik over veel gezondheid en wijsheid. Dat geldt trouwens voor iedereen hier aanwezig.

Mijn fractie heeft even getwijfeld of we hier nu wel plenair over moesten debatteren. Het is mijn fractie ook wel duidelijk dat het voorstel uit economische nood geboren is en dat snelheid van handelen geboden is. Bovendien waren er in de Tweede Kamer meer dan 50 vragen gesteld. Maar naast snelheid is er in deze tijden van corona ook behoefte aan zorgvuldigheid en moeten wij onze rol als wetgever vanzelfsprekend ook nu serieus nemen en bij twijfel een plenaire behandeling niet uit de weg gaan.

Die twijfel betreft voor mijn fractie niet het doel van het wetsvoorstel: het voorkomen van een verder oplopend verlies aan banen doordat de verzekering van leverancierskredieten voor een groot gedeelte wegvalt, en daarmee ook het vertrouwen in dat deel van de markt. Veel bedrijven zijn immers afhankelijk van kredieten. Noch zijn wij het per se oneens met het gekozen middel. Dat de overheid ingrijpt door via herverzekering risico's te garanderen, is waarschijnlijk onvermijdelijk.

De twijfel zit 'm echter meer in de manier waarop dit gebeurt, namelijk door de rekening voor deze noodzakelijke ingreep bij de belastingbetaler neer te leggen zonder dat de regering er enig zicht op wil bieden dat in ieder geval een flink deel van deze rekening later alsnog verhaald kan worden op die private partijen of dat deel van het bedrijfsleven dat hiermee uit de brand wordt geholpen. Mijn collega Vendrik heeft hier net ook al op gewezen. Ook in dit geval geldt de kracht van de herhaling.

Uiteraard steunen wij het doel van het zo veel mogelijk behouden van werkgelegenheid, maar anders dan bijvoorbeeld bij de NOW-regeling wordt dat doel hier niet direct, maar slechts indirect gediend door een oplossing te bieden voor het probleem van wanbetalingen tussen bedrijven onderling, en de betalingsrisico's die die met zich meebrengen voor kredietverzekeraars. Het budgettaire beslag dat daarmee gemoeid is, is niet gering, ook in deze tijden, waarin de bedragen je soms doen duizelen. Het gaat om garanties van de Staat van 12 miljard en een ingeboekt verlies van mogelijk 1,4 miljard.

Er is hier dus wel degelijk sprake van publieke lasten terwijl eerder de baten privaat waren. Dat wringt. Zou het dan toch niet logisch zijn, zo vraag ik de minister, om te proberen tot een evenwichtiger verdeling te komen van baten en lasten, door niet de belastingbetaler de kosten te laten dragen, maar de markt, die nu tijdelijk door de Staat wordt overgenomen, dus door het bedrijfsleven? We hebben deze vraag ook in de schriftelijke ronde gesteld, maar krijgen daarop toch niet echt een antwoord. Wat vindt de staatssecretaris nu eigenlijk? Wat vindt hij eigenlijk niet redelijk aan dit voorstel om die rekening uiteindelijk neer te leggen bij het bedrijfsleven? En als hij het wel een redelijk voorstel vindt, waarom is hij dan niet bereid om een concrete toezegging te doen op dit punt?

Voor mijn fractie is dit echt een cruciaal punt. De overheid moet doen wat nodig is in deze tijd om de economie te redden en banen te behouden, maar wellicht dat wij daarmee bedrijven uit de brand helpen die eerder nog gezonde winsten maakten, en die mogelijk dankzij de staatsteun dat ook in de toekomst kunnen blijven doen. Dan is het toch niet te veel gevraagd om deze bedrijven deze steun in een later stadium te laten terugbetalen, in plaats van dat de rekening komt te liggen bij de leraren, de zorgmedewerkers, het personeel van supermarkten en ieder ander in dit land die belasting betaalt? Ik hoor graag een duidelijke reactie van de staatssecretaris, want volgens mij hoeft het eigenlijk niet zo ingewikkeld te zijn.

Voorzitter. Er bestaat bij mijn fractie ook nog onduidelijkheid over wat nu precies de positie is van de kredietverzekeraars met betrekking tot het wetsvoorstel. Wat zou het voor hen betekenen als deze maatregelen níét genomen zouden worden? Komt dan bijvoorbeeld de solvabiliteit van deze verzekeraars in gevaar? Komen zij dan in financiële moeilijkheden, zo vraag ik de staatssecretaris. Het is mijn fractie niet duidelijk waarom de regering zegt dat de kredietverzekeraars zelf geen voordeel hebben bij deze maatregel, deze massieve staatssteun. Het lijkt mij toch dat zij evident wél voordeel hiervan hebben. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris.

Ten slotte wil ik mijn fractie ook vragen of de staatssecretaris bij de evaluatie straks van deze ingreep, ook de positie en de rol van de verzekeraars in onze economie in het algemeen kan betrekken. Ook mijn collega van GroenLinks had het al over de evaluatie. Deze tijd is uiteraard een zeer uitzonderlijke tijd, maar het is toch niet voor de eerste keer dat de Staat als redder in nood optreedt, ook ten opzichte van de verzekeringsbranche? En het zal misschien ook niet de laatste keer zijn. Dat roept toch fundamentele vragen op. Zoals ook in de Tweede Kamer is opgemerkt, blijkt nu dat met het verzekeren van leverancierskredieten een belangrijke nutsfunctie wordt vervuld voor onze economie als geheel. Maar deze functie wordt dus tot nog toe vervuld door private verzekeraars, die daarmee flinke winsten maakten. Als het misgaat, grijpt de Staat echter in.

Net als eerder met de banken, lijkt er hier dus opnieuw sprake te zijn van een situatie waarin met het vervullen van een belangrijke nutsfunctie grote private winsten gemaakt worden, maar waarin de Staat vervolgens verliezen, of althans potentiële verliezen, socialiseert. Dat vindt mijn fractie echt problematisch. Daarom zouden niet alleen de kosten van de huidige operatie op het bedrijfsleven verhaald moeten worden, maar moet ook de fundamentelere vraag gesteld worden of je deze nutsfunctie dan überhaupt wel altijd aan de markt moet overlaten. Ik weet dat hier aan de overkant ook al vragen over zijn gesteld, maar ik wil toch de staatssecretaris vragen om wat scheutiger, wat royaler te zijn met zijn reflecties hierop dan tot nog toe het geval is geweest. Kan hij misschien toezeggen dit in ieder geval ook mee te nemen in de genoemde evaluatie?

Natuurlijk zien wij zoals altijd, ook in dit geval, met de nieuwe staatssecretaris, uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Apeldoorn. Dan is het woord aan mevrouw Sent namens de fractie van de Partij van de Arbeid.