Plenair Talsma bij behandeling Wet vaste huurcontracten



Verslag van de vergadering van 7 november 2023 (2023/2024 nr. 06)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.15 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Het kan verkeren, voorzitter.

Voorzitter. Graag begin ik mijn bijdrage, waarin ik zoals u al zei mede mag spreken namens de fracties van de SP en de Partij voor de Dieren, met een felicitatie aan collega Janssen-van Helvoort vanwege haar maidenspeech. Mede namens de beide andere fracties wens ik haar heel veel wijsheid en heel veel plezier in het parlementaire werk. En ik herhaal het nog maar eens: heel hartelijk welkom in ons midden. Dat collega Janssen-van Helvoort dan ook nog eens letterlijk van hervormde huize blijkt te zijn, stemt tot extra vreugde. Maar ik weet niet of dat sentiment ook weerklank vindt in de fracties van de SP en de Partij voor de Dieren, dus dat zeg ik u op kosten van mijn eigen fractie. Vervolgens spreek ik een woord van waardering uit voor de initiatiefnemers en verdedigers, die hier vandaag namens de Tweede Kamer aanwezig zijn, de heren Nijboer en Grinwis, en voor degenen die met hen zijn opgetrokken in het traject dat leidde tot het debat dat wij nu voeren. Zij hebben mooi werk verricht en onze fracties zien samen met hen uit naar een voorspoedige afronding daarvan.

Voorzitter. Dan ga ik door naar de inhoud. Wij besteden in deze Kamer regelmatig al bij de behandeling van wetsvoorstellen aandacht aan de op termijn te houden evaluatie, waarbij gekeken wordt of de wet in de praktijk oplevert wat ermee beoogd werd en of de wet uitvoerbaar en handhaafbaar is. Mochten er uit zo'n evaluatie verbeterpunten naar voren komen, dan doen wij daar graag ons parlementaire voordeel mee. Dit initiatiefwetsvoorstel is een prachtig voorbeeld van de opvolging van aanbevelingen en verbeterpunten die voortkomen uit de evaluatie van de Wet doorstroming huurmarkt. Die wet was onder meer bedoeld om het aanbod van huurwoningen te vergroten, om de rechtspositie van huurders te versterken en om het vaste huurcontract als uitgangspunt te houden. Uit de evaluatie bleek echter dat de wet op deze punten niet opleverde wat ermee beoogd was en soms zelfs het tegendeel. Onze fracties zijn dan ook blij dat dit initiatiefwetsvoorstel er ligt om de wetgeving te verbeteren.

In de schriftelijke voorbereiding zijn veel vragen gesteld. Onze fracties waarderen de uitgebreide en heldere beantwoording daarvan. Dat geldt in het algemeen ook voor de reflectie op de door de Tweede Kamer aangenomen amendementen. De reactie van de initiatiefnemers, vandaag de verdedigers, sterkt onze fracties in de overtuiging dat de kern van het initiatiefwetsvoorstel nog altijd staat als een huis en dat de rechtspositie van huurders eerder versterkt dan verzwakt is. Dat stemt tevreden, aangezien woonzekerheid en rechtsbescherming twee van de kernpunten zijn waarop onze fracties dit wetsvoorstel beoordelen.

Over de uitwerking van het gewijzigde amendement-Inge van Dijk op stuk nr. 31 (36195) stel ik wel graag een aanvullende vraag. Dit amendement heeft namelijk in wezen de strekking dat tijdelijke huurcontracten voor de doelgroep uit artikel 22a van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 beschikbaar blijven. Is hieraan niet een groot risico van misbruik verbonden, zo vragen onze fracties zowel aan de verdedigers als aan de minister. Het is immers zeer voorstelbaar dat van deze uitzonderingen riant gebruikgemaakt zal worden. Kan de minister aangeven hoe hij dit denkt te monitoren en hoe misbruik van uitzonderingsmogelijkheden zal worden tegengegaan en bestreden? Hoe taxeren de initiatiefnemers en de minister in z'n algemeenheid de zorg van onze fracties dat door veel uitzonderingen toe te staan, meer dan nu voorzien, het doel van het wetsvoorstel misschien wel wordt uitgehold en de hoofdregel zelf tot uitzondering wordt?

Sprekend over specifieke doelgroepen in combinatie met het beschikbaar blijven van tijdelijke huurcontracten, vraag ik namens onze fracties graag aandacht voor bepaalde maatschappelijke organisaties die nu gebruikmaken van tijdelijke huurcontracten, maar dat straks, wellicht, niet meer kunnen. Als voorbeelden noem ik Kamers met Aandacht, Kamers met Kansen en Parentshouses. Is het mogelijk, zo vraag ik de minister, om waardevolle initiatieven als deze een plek te geven in de regeling, zodat zij door kunnen gaan met hun werk? Zo ja, is de minister daartoe bereid? Graag een toezegging op dit punt.

Een andere kwestie die onze fracties onder de aandacht van de verdedigers en van de minister willen brengen, betreft de situatie op de Waddeneilanden. Tijdelijke verhuur van woonruimte is daar regelmatig een kwestie van noodzaak om personeel te kunnen aantrekken en vacatures te vervullen. Werken op een eiland, maar wonen aan de wal, zoals dat heet, is immers lang niet altijd een reële optie. Dat geldt zowel voor medewerkers van bedrijven als van overheidswerkgevers. Uit contact met de Waddengemeenten is mij gebleken dat men zich zorgen maakt over de gevolgen van het voorliggende wetsvoorstel. Daarom vraag ik zowel aan de verdedigers als aan de minister: is er onderzocht wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor de situatie op de Waddeneilanden? Met andere woorden: is de zogenoemde Waddentoets uitgevoerd? Zo ja, wat heeft die opgeleverd en hoe heeft dat zijn beslag gekregen? Zo nee, waarom niet en op welke wijze kan er alsnog met de specifieke situatie van de eilanden rekening gehouden worden? Is er aanleiding om voor de Waddeneilanden bepaalde uitzonderingen te maken?

Voorzitter. Tot slot heb ik een royale bekentenis van onbegrip en een vraag om verheldering. Aan artikel 7:274 BW wordt een zevende lid toegevoegd. Het is al een paar keer genoemd. Dat lid ziet op de situatie van wat ik maar even "proefsamenwonen" noem. Aan de mogelijkheid om bij een geslaagde proef tot verkoop van de verhuurde woning over te gaan, zijn vier voorwaarden verbonden. De voorwaarden onder A, C en D zijn mij helder, maar wat staat er eigenlijk onder B? Moeten de geliefden bij een geslaagde samenwoonproef wachten tot de laatste drie maanden van de overeengekomen termijn alvorens te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan om een beroep te kunnen doen op deze uitzondering? Wat betekent dat voor de positie van de tijdelijke huurder? En kan het slagen van de samenwoonproef uitsluitend blijken uit het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap? Graag een toelichting.

Alle fracties die ik genoemd heb, wachten belangstellend de beantwoording af.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Talsma. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

De behandeling van dit wetsvoorstel zal om 19.15 uur worden voortgezet met de beantwoording door de initiatiefnemers en de regering in de eerste termijn. Ik schors de vergadering voor een kort ogenblik, waarna wij verdergaan met de behandeling van het wetsvoorstel Recht op huurtoeslag voor Oekraïense ontheemden.