Plenair Talsma bij behandeling Wijzigingswet Huisvestingswet 2014



Verslag van de vergadering van 5 december 2023 (2023/2024 nr. 10)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 14.26 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Dank u zeer, mevrouw de voorzitter. Wetgeving met betrekking tot huisvesting neemt de afgelopen weken een prominente plaats in op de agenda van deze Kamer. En dat is terecht, want een dak boven je hoofd en het hebben van een plek die je "thuis" kunt noemen, zijn van enorme betekenis. Je zou er zelfs een beetje lyrisch van kunnen worden, als ik collega Van Meenen beluister. Het bevorderen daarvan — dat gaat dan niet over de poëtica maar over het hebben van woonruimte — door de overheid is zelfs opgenomen in het hoofdstuk grondrechten in onze Grondwet. Mijn fractie dankt de minister voor de uitgebreide beantwoording van de vragen in de schriftelijke voorbereiding. Die beantwoording maakt het mijn fractie mogelijk om in dit debat te volstaan met een beknopte bijdrage.

De toonzetting daarvan is overwegend positief, want mijn fractie heeft goede hoop dat dit wetsvoorstel — en dan leen ik de woorden van mijn partijgenoot Grinwis in de Tweede Kamer — bijdraagt aan het eerlijker verdelen van woonruimte, het betaalbaar houden van koopwoningen en het bouwen aan gemeenschappen.

Voorzitter. Dit wetsvoorstel houdt vast aan de bestaande mogelijkheid om bij de verlening van huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50% van bepaalde categorieën woningen voorrang te geven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de betreffende regio. Wel leidt dit wetsvoorstel ertoe dat een gemeenteraad zelf kan beslissen bij hoeveel procent van deze vergunningen hij voorrang geeft aan woningzoekenden met een lokale binding. Bovendien kan de gemeenteraad bepalen dat binnen die groep nog eens voorrang wordt gegeven aan mensen die vitale beroepen uitoefenen.

Zowel tijdens de behandeling in de Tweede Kamer als tijdens de schriftelijke behandeling in dit huis is veel aandacht besteed aan de mate van beperking die dit wetsvoorstel oplevert op bijvoorbeeld het recht op eigendom en het recht van vrije vestiging, rechten die niet alleen op grond van nationaal recht, maar ook op basis van bijvoorbeeld het EVRM en het IVBPR, het verdrag voor het beschermen van burgerlijke en politieke rechten, worden gewaarborgd. Naar de indruk van mijn fractie wordt aan de vereisten voor dergelijke beperkingen voldaan. Sterker nog, de minister is de juridische voorwaarden zelfs expliciet langsgelopen in de schriftelijke beantwoording. Maar ik roep de minister wel op hier kritisch naar te blijven kijken, deze beperkingen niet onnodig lang te laten voortbestaan en decentrale overheden in voorkomende gevallen daadwerkelijk aan te spreken op de correcte toepassing van de hen gegeven bevoegdheid. Daar koppel ik voor de minister de vraag aan welke concrete inspanningen wij van hem kunnen verwachten waar het gaat om het bewaken van het tijdelijke karakter van deze genoemde beperkingen, de deugdelijke motivering ervan, de periodieke toetsing en het zo nodig corrigerend optreden.

Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om het regime van woonruimte voorraadbeheer behalve in gevallen van schaarste ook toe te passen voor behoud van leefbaarheid in de woonomgeving. Het voorgestelde artikel 6, lid 4, geeft gemeenten die dat willen doen een motiveringsplicht. Begrijpt mijn fractie het goed, zo vraag ik aan de minister, dat het kritisch bezien van deze motivering deel uitmaakt van de verplichte advisering door gedeputeerde staten, zoals benoemd in het eerste lid van datzelfde artikel 6? Of adviseren gedeputeerde staten alleen over de gevolgen voor de regionale woningmarkt, de woningbouwopgave en de toepassing van artikel 14? Mocht dat laatste het geval zijn, dan verneemt mijn fractie graag van de minister door wie en op welke manier de vage — zo u wilt "open" — normen van schaarste en leefbaarheid dan wel worden getoetst, met name bezien vanuit het perspectief van rechtsbescherming voor belanghebbenden. Zij kunnen zich immers alleen tot een rechter wenden in het geval van een besluit in een concreet geval, en niet ter toetsing van de gemeentelijke verordening.

Voorzitter. Ook dit wetsvoorstel is het gevolg van een evaluatie van de onderliggende wet. Mijn fractie waardeert dat positief. Het toont immers aan dat wetsevaluatie — het onderwerp komt hier regelmatig aan de orde — geen dode letter is en, bovendien, dat kabinet en Kamers aan de uitkomsten van zo'n evaluatie metterdaad een wetgevend vervolg geven. Dat ook dit wetsvoorstel na aanvaarding over vijf jaar, of wellicht eerder, geëvalueerd zal worden, kan dus rekenen op onze steun.

Voorzitter, tot slot. In de afgelopen weken is het in de aanloop naar de verkiezingen veel gegaan over allerlei facetten van bestaanszekerheid. Het hebben van een thuis en het wonen in een leefbare omgeving maken daar onmiskenbaar deel van uit. Mijn fractie heeft niet de illusie dat de aanvaarding van dit wetsvoorstel als bij toverslag een einde maakt aan de complexe uitdagingen in de Nederlandse volkshuisvesting, maar heeft wel goede hoop dat het voorstel daaraan kan bijdragen. Wij vernemen graag van de minister de huidige stand van zaken ten aanzien van het bredere pakket aan maatregelen dat daartoe wordt ingezet en voorbereid.

Dank u zeer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Hattem van de fractie van de PVV.