Plenair Bezaan bij behandeling Wet drempelverlaging omgang grootouders



Verslag van de vergadering van 10 maart 2026 (2025/2026 nr. 20)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.25 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bezaan i (PVV):

Voorzitter, dank voor het woord. Het wetsvoorstel Wet drempelverlaging omgang grootouders is een voorstel dat ingrijpt in het hart van het familierecht, het rechtsgebied waar ouderlijk gezag, familiebanden en bovenal het belang van het kind elkaar raken. Dit huis beoordeelt geen politieke wenselijkheid, maar juridische houdbaarheid, systematiek en uitvoerbaarheid. Die toets vraagt om terughoudendheid en precisie. De kern van het wetsvoorstel is helder: de huidige drempel, het aantonen van een nauwe persoonlijke betrekking, wordt in de praktijk als hoog en onvoorspelbaar ervaren. De memorie van toelichting onderbouwt dat standpunt en het WODC-onderzoek uit 2020 bevestigt dat de toepassing in de rechtspraak uiteenloopt en tot rechtsongelijkheid kan leiden. De Raad van State heeft geen inhoudelijke bezwaren geformuleerd.

Het wetsvoorstel introduceert daarom een bewijsvermoeden. Grootouders worden geacht in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kleinkind te staan. Daarmee verschuift het zwaartepunt van de toegangstoets naar de inhoudelijke beoordeling. Het belang van het kind blijft onverkort leidend. Dat is juridisch consistent, maar consistentie alleen is onvoldoende. Want toegang tot de rechter is nooit neutraal, zeker niet in het familierecht, waar een verlaagde procedurele drempel, hoe goedbedoeld ook, kan uitmonden in strategische procedures die het belang van het kind ondermijnen in plaats van beschermen. In geëscaleerde situaties kan een omgangsprocedure door grootouders onderdeel worden van een bredere strijd tussen ouders. De wetgever mag dat risico niet negeren. Een bewijsvermoeden verlaagt de procedurele drempel, maar mag geen instrument worden voor indirecte machtsuitoefening of het heropenen van reeds gestabiliseerde verhoudingen. Daarom is de kernvraag niet of grootouders een belangrijke rol kunnen spelen — dat staat buiten kijf — maar of deze wettelijke constructie zorgvuldig genoeg waarborgt dat het belang van het kind daadwerkelijk centraal blijft, ook wanneer procedures strategisch worden ingezet.

Voorzitter. Bezien wij dit voorstel in het licht van bredere politieke en maatschappelijke theorie, dan dringt zich een diepere vraag op. De Amerikaanse politiek filosoof Joshua Mitchell benadrukt in zijn onderwijs over Alexis de Tocqueville dat moderne democratieën een paradox in zich dragen: zij bevrijden het individu maar ondermijnen tegelijkertijd de natuurlijke verbanden die dat individu vormen. De Tocqueville beschreef hoe democratisch individualisme mensen ertoe brengt zich terug te trekken in de kleine kring van het kerngezin waarna de Staat stap voor stap de leegte vult die achterblijft, wat hij aanduidde als een vorm van zacht despotisme.

Dit voorstel beweegt zich precies in dat spanningsveld. Enerzijds erkent het dat intergenerationele banden maatschappelijk waardevol zijn, anderzijds bevestigt het dat die banden steeds vaker via juridische kaders moeten worden veiliggesteld. Wanneer familiebanden steeds nadrukkelijker via de juridische weg en rechterlijke toetsing moeten worden bevestigd, verschuift het zwaartepunt van gemeenschap naar Staat. Wetgeving kan voorwaarden scheppen voor herstel van morele verbanden, maar zij kan ze niet genereren. De vraag is dus of deze wet natuurlijke solidariteit versterkt of slechts formaliseert wat cultureel onder druk staat. Deze Kamer moet zich daarom afvragen: corrigeert dit wetsvoorstel een te formele drempel of institutionaliseert het verdere juridisering van familierelaties?

Die afweging vraagt om concrete waarborgen. Ik leg de staatssecretaris daarom drie gerichte vragen voor. Een: welke mechanismen voorkomen dat het bewijsvermoeden wordt misbruikt in conflictsituaties en hoe wordt misbruik van procesrecht in deze context effectief gesignaleerd en begrensd? Twee: is de regering bereid tot een onafhankelijke evaluatie na drie jaar, waarin expliciet wordt gekeken naar aantallen verzoeken, toewijzingen, de rol van het bewijsvermoeden in rechterlijke motivering, de impact op kinderen en de belasting van de rechtspraak? Drie: hoe wordt de Raad voor de Kinderbescherming toegerust om loyaliteitsconflicten vroegtijdig te identificeren en acht de regering een verplichte mediationfase voorafgaand aan rechterlijke beoordeling wenselijk?

Tot slot, voorzitter. Het familierecht vraagt om bescheiden wetgeving, niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat het zo fundamenteel is. Elke verschuiving in dit domein raakt de verhouding tussen individu, gezin en Staat. Mijn fractie zal dit voorstel beoordelen op één criterium: versterkt het de positie van het kind zonder de Staat onnodig dieper in de privésfeer te verankeren? Want waar de wet de familie wil beschermen, moet zij voorkomen dat zij haar vervangt. Mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording door de staatssecretaris.

Voorzitter, ik dank u voor uw tijd.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Gasteren van de fractie van BBB.