Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.16 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Dittrich i (D66):
Dank, voorzitter. Allereerst wil ik de minister welkom heten. Hij is volgens mij voor het eerst als minister onder dit nieuwe kabinet hier in de Eerste Kamer. Welkom.
Een belangrijk debat; mevrouw Veldhoen had het er al over. Voor D66 staat eigenlijk de vraag centraal hoe we onze samenleving beschermen tegen ondermijning zonder daarmee tegelijkertijd het maatschappelijk middenveld, dat toch echt bij uitstek de ruggengraat is van onze samenleving, te ondermijnen. Wij onderschrijven het streven naar een weerbare democratische rechtsstaat en ook willen wij ongewenste buitenlandse beïnvloeding tegengaan. Maar om dat doel te bereiken moeten de middelen die we kiezen wel zorgvuldig, proportioneel en rechtstatelijk zijn. Als we de tekst van dit wetsvoorstel en de toelichting en dergelijke bekijken, hebben we daar toch wel wat zorgen over, en dus ook vragen aan de minister.
We zien dat de wettekst die toenmalig minister Sander Dekker in 2020 voorlegde, gaat over alle financiering, ook gewoon binnen Nederland. Die is eigenlijk ook losgekoppeld van ondermijningsactiviteiten van specifieke maatschappelijke organisaties. In dit voorstel valt elke stichting, elke vereniging, elke organisatie namelijk onder het bereik van de wet. Mijn eerste vraag aan de minister is: is daardoor niet een soort mission creep ontstaan; is het oorspronkelijke doel van het wetsvoorstel niet verschoven? In de schriftelijke antwoorden zegt de minister dat deze wet hooguit twee tot vijf keer per jaar zal worden toegepast. Dat is natuurlijk echt heel erg weinig. In het regeerakkoord van zes jaar later, van D66, VVD en CDA, lees ik dat juist wordt gepleit om regeldruk te vermijden en het maatschappelijk middenveld meer ruimte te geven. Dan is dus de vraag aan de minister waarom we alle maatschappelijke organisaties een administratieve last opleggen. We hebben het dan, zoals mevrouw Veldhoen ook al zei, over kerken, sportverenigingen, goede doelen, vrijwilligerscollectieven, buurtinitiatieven. Allemaal worden ze onderworpen aan een administratieve verplichting, bijvoorbeeld om jaarstukken te deponeren. Dan kan je zeggen dat het misschien maar een x-aantal minuten per jaar is dat je dat moet doen, maar toch zijn wij bang bij D66 dat dit een reëel risico op een chilling effect met zich mee kan brengen, namelijk dat organisaties en donateurs zich terughoudend gaan opstellen uit angst voor stigmatisering, uit angst voor het toezicht. Dat vinden wij een probleem. Als Eerste Kamer letten wij natuurlijk ook op de bescherming van grondrechten, zoals vrijheid van vereniging en het recht op privacy. Dan is het toch wel lastig dat dit wetsvoorstel organisaties verplicht om persoonsgegevens van donateurs te registreren en door te geven als de burgemeester daarnaar vraagt. Dat kan bij levensbeschouwelijke, ideologische of activistische organisaties betekenen dat persoonlijke overtuigingen indirect inzichtelijk worden. Dat is gevoelig. Het kan leiden tot zelfcensuur, tot terughoudendheid bij donateurs en zelfs tot het wegvallen van maatschappelijke initiatieven die van onschatbare waarde zijn voor de lokale gemeenschappen. Mijn vraag aan de minister is dus: hoe weegt hij de mogelijke schade af tegen de te verwachten baten van deze wet bij een rechtszaak twee tot vijf keer per jaar?
Over de uitvoerbaarheid voor kleine organisaties. Ik had het al over het deponeren van jaarrekeningen, maar ze moeten ook giften in natura gaan waarderen. Dat is heel erg lastig als je in een stichtingsbestuur zit, kan ik uit eigen ervaring zeggen. Er komen dan ook allerlei andere dingen op je af. Voor kleinere vrijwilligersorganisaties is het dus een enorme belasting. Voor bijvoorbeeld een lokale voedselbank kan dit het verschil maken tussen doorgaan of stoppen. Mijn vraag is: hoe kijkt de minister aan tegen de onrust die het maatschappelijk middenveld aan ons heeft laten weten?
De vraag die D66 blijft bezighouden is waarom we dit wetsvoorstel eigenlijk hebben. Er is een uitgebreid arsenaal aan bestaande wetgeving. Dan denk ik bijvoorbeeld aan artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het Openbaar Ministerie de rechter kan vragen om een maatschappelijke organisatie die ontwrichtende activiteiten verricht te verbieden en te ontbinden. In het strafrecht is er de Wet op de economische delicten. Er is toezicht op stichtingen. Er is antiwitwaswetgeving. Terrorisme kunnen we bestrijden. Als al die bestaande instrumenten tekortschieten, waarom passen we die dan niet aan? Waarom komen we met iets nieuws?
Voorzitter. Om mijn spreektijd te beperken, sluit ik me aan bij een heleboel vragen over de rol van burgemeesters die mevrouw Veldhoen heeft gesteld. Wij hebben natuurlijk ook de burgemeesters gehoord tijdens de hoorzitting. Het zet druk op hun neutrale, verbindende rol in de lokale gemeenschap. Ze zeggen: het past niet bij onze openbareordetaak. Ik ben dus heel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Wat ons betreft zou het een beter plan zijn om een onafhankelijke toezichthouder met duidelijke waarborgen en rechterlijke toetsing te hebben die dit soort ondermijnende activiteiten van maatschappelijke organisaties bekijkt. De vraag is dus waarom de regering niet voor die route heeft gekozen.
Over het Openbaar Ministerie heeft mevrouw Veldhoen ook al het een en ander gezegd. In de hoorzitting is heel duidelijk naar voren gekomen dat het volgens het OM geen kerntaak van het OM is. Wij vroegen ons nog het volgende af. Als het OM een organisatie die ondermijnende activiteiten verricht in het vizier heeft, dan kan je op basis van artikel 2:20 toch al een staking, een opheffing of een verbod vragen? Daar komen de serieuze uitvoeringsvragen die het Openbaar Ministerie tijdens de hoorzitting heeft verwoord bij. Die gingen over de ICT en over een beleidsluwe periode die ze hanteren. Dat zijn allemaal vragen. Ik zal mijn vraag kort houden. Ik leid die vragen eigenlijk door naar de minister met de vraag hoe hij ernaar kijkt.
Voorzitter. Alles overziend kom ik tot mijn conclusie. We hebben begrip voor het feit dat de regering zoekt naar mogelijkheden om ondermijnende activiteiten van maatschappelijke organisaties tegen te gaan, maar over de manier waarop dit wetsvoorstel dat doet, maken wij ons zorgen. Het is ook al weer acht jaar geleden dat het in consultatie werd gegeven en zes jaar geleden dat het werd ingediend. Is het proportioneel? Is het voldoende afgebakend? Het begrip "ondermijning" is natuurlijk ook niet heel scherp afgebakend. Is het goed uitvoerbaar? Is het voldoende rechtsstatelijk? Kortom, we hebben allerlei serieuze vragen. Wij zien het risico dat we, in een poging om de democratische rechtsstaat te beschermen, juist haar fundamenten gaan aantasten.
Dank u wel. Overigens kijken we heel belangstellend uit naar de beantwoording van de minister, wou ik nog zeggen.
De voorzitter:
Uiteraard.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Ik deel de zorgen van D66. Ik ken D66 ook als een partij die er altijd op uit is om politiestaten te ontmaskeren. Eigenlijk werd voor mij iets ontmaskerd in het verhaal van mevrouw Veldhoen. Zij wees namelijk op artikel 3, lid 7. Artikel 3, lid 7, komt erop neer dat iedere politieambtenaar, íédere politieambtenaar, bij wat voor organisatie dan ook mag binnenlopen en mag verzoeken om gegevens over de geografische herkomst, het doel en de omvang van de donatie, ook al is er geen verdachte, niks. Dat gaat namelijk buiten de taak van de strafrechtelijke handhaving om. Hoe kijkt D66 daartegenaan?
De heer Dittrich (D66):
Dat is een hele goede vraag die mevrouw Veldhoen heeft opgeworpen en die u hier in deze interruptie herhaalt. Ik kan u vertellen dat ik vorige week bij de uitreiking van de Geuzenpenning was, die werd uitgereikt aan de burgemeester van Boedapest, Hongarije. De burgemeester vertelde mij hoe het er in Hongarije aan toe gaat. Ook daar zie je dat maatschappelijke organisaties door een autocratisch regime enorm onder druk gezet kunnen worden. Dan begint het inderdaad met het opleggen van administratieve verplichtingen aan maatschappelijke organisaties en het moeten laten zien waar donaties vandaan komen en dergelijke. De burgemeester van Boedapest zei tegen mij: we moeten in Europa heel goed uitkijken dat we niet met z'n allen afglijden. Dat is wel een waarschuwing die ik zeer ter harte neem. Daarom kijk ik ook heel belangstellend uit naar de beantwoording van de minister. Ik ben benieuwd hoe hij invult wat dat wetsartikel in de praktijk teweeg kan brengen. Dat is echt een vraag aan de minister.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Gasteren van de VVD. Hij spreekt mede namens de Fractie-Van de Sanden. O, ik zei VVD, maar ik bedoel BBB. Wat zeg ik nu? Het woord krijgt de heer Van Gasteren van de BBB, mede namens de Fractie-Van de Sanden.