Plenair Nicolaï bij behandeling Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties



Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.13 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Veel van de kritiekpunten en vragen die ik had, zijn door voorgaande sprekers al aan de orde gesteld. Die sla ik dan dus maar over. In aansluiting op de vraag van de heer Dittrich over de regeldruk wil ik wel specifiek aan de minister vragen of hij kan uitleggen hoe de regeldruk, die voortvloeit uit de artikelen 1, 2 en 3 van het ontwerp, zich verhoudt tot het regeerakkoord. Ik citeer uit het regeerakkoord: "Verenigingen zijn cruciaal voor ontmoeting en betrokkenheid, maar lopen vast op regeldruk (…)." Dat is wat dit nieuwe kabinet ons voorhoudt en waar we, volgens het kabinet, wat aan moeten doen.

Dan kom ik bij de kwestie wat nou de positie van de burgemeester in ons staatsbestel is. Er is heen en weer gepraat en er is gewezen op de discussie in de deskundigenbijeenkomst, maar ik wil erop wijzen dat we eigenlijk al een soort kader hebben, dat vanuit het ministerie van BZK aan ons is voorgelegd. Het vorige kabinet beloofde namelijk een afwegingskader met de Kamer te delen met betrekking tot de toekenning van burgemeestersbevoegdheden. Dat kader is er nog niet, maar in de brief van 13 juni 2022 aan de Tweede Kamer gaf de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken aan dat een discussienota, die in opdracht van het ministerie was opgesteld, daarvoor een grondslag bood.

Dat is aardig, want dan gaan we even niet de politiek in, maar naar die discussienota en die is opgesteld door hooggeleerde heren, de een van de VU en de ander van de Universiteit Leiden. In die discussienota worden met betrekking tot de inhoud van de taaktoedeling drie belangrijke criteria, essentiële criteria, genoemd. Een: past de taak bij de specifieke rol van de burgemeester als het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de feitelijke en onmiddellijke handhaving van de openbare orde? Daarin zien we weer de discussie terug. We hebben het over die discussie gehad en dat is gewoon een juridische discussie. Twee: wordt er geen afbreuk gedaan aan de rol van de burgervader? Daar is door de heer Doornhof al op gewezen. En: beschikt de burgemeester over de expertise om een eigenstandige afweging te maken? Dat heeft de heer Van Gasteren ook naar voren gebracht. Die drie door de juridische experts, en dus niet door de Kamer of de politiek, als essentieel aangemerkte vragen werden door het Nederlands Genootschap van Burgemeesters op de deskundigenbijeenkomst alle drie ontkennend beantwoord. Ik citeer: "De voorgestelde bevoegdheid voor burgemeesters om donatiegegevens op te vragen past niet binnen de openbareordetaak, past niet binnen het ambt en de neutrale positie van de burgemeester en legt verantwoordelijkheden neer zonder de daarvoor noodzakelijke expertise." Dat zeggen de burgemeesters die deze wet moeten uitvoeren. De vraag aan de minister: kan de minister met betrekking tot elk van de drie criteria aangeven waarom de regering meent dat het ontwerp niet schuurt met de drie door de deskundigen gestelde uitgangspunten?

Dan kom ik bij mijn laatste vraag. Is er voldaan aan het zogeheten lex certa-beginsel? De verplichtingen die door de wet aan de maatschappelijke organisaties worden opgelegd, de maatregelen die de burgemeester kan treffen en de bevelen die de rechtbank kan geven beperken het grondrecht van vrijheid van vereniging. Dat vereist dat de beperking in de wet zelf duidelijk dient te worden omschreven. Dat is niet mijn mening, maar de mening van het Europese Hof van Justitie.

Voorzitter. Of die beperking zich zal voordoen, als we naar het wetsontwerp kijken, hangt af van de vraag of een gift aan maatschappelijke organisaties onder het begrip "donatie" valt, zoals in artikel 1 is gedefinieerd. De wettelijke plicht om inzicht te verschaffen in de herkomst, het doel en de omvang van een of meer giften en om die giften te registreren geldt voor een organisatie alleen als de gift meer dan €15.000 bedraagt, want zo'n gift is volgens artikel 1 een donatie in de zin der wet. Organisaties die giften van minder dan €15.000 ontvangen, hoeven dus niks te vrezen. Dat lijkt te volgen uit de wettekst van artikel 1, eerste lid onder b. Maar dat is schijn, want uit het tweede lid van artikel 1 blijkt dat bij AMvB, ik citeer, "een lager bedrag kan worden vastgesteld voor donaties afkomstig uit in die maatregel vast te stellen landen". In die bepaling staan geen criteria voor de aanwijzing van die landen noch voor de vaststelling van dat lagere bedrag. De regering is dus vrij om op ieder gewenst moment allerlei landen, ook Nederland, aan te wijzen waarvoor geldt dat iedere gift van iemand die in dat land woonachtig is als een donatie in de zin van de wet moet worden beschouwd. In feite hangt de rechtspositie van een maatschappelijke organisatie dus geheel af van de willekeur van de regering. De wet regelt dus eigenlijk niks definitief voor de vraag in welke gevallen op organisaties verplichtingen komen te rusten. Hun rechtspositie is met deze wet dus nog onzeker.

Voorzitter. Dat is een wat bizarre conclusie, maar er is nog meer bizar. Bij een gift van boven de €15.000 valt een organisatie onder de in de wet geregelde verplichtingen, maar wat als het voornemen om een bedrag van €20.000 te schenken wordt uitgevoerd door vier donaties te doen van €5.000? En wat als een organisatie een jaar lang iedere week een gift van €14.999 ontvangt? Als je naar de tekst van de wet kijkt, dan geldt voor die organisaties niet het wettelijke regime, want er is geen gift hoger dan het wettelijk geregelde drempelbedrag. "Lex certa" staat voor "zekere wet". Aan de ene kant is een onzinbepaling met een drempelbedrag ingevoerd, dat kan worden ontweken door meerdere giften te doen die onder de drempel blijven. En aan de andere kant is voorzien in een onbeperkte bevoegdheid voor de regering om bij AMvB alles anders te regelen voor het drempelbedrag, op een wijze die haar goeddunkt. Het is een en al onzekerheid, niks lex certa. Mijn vraag aan de minister is of hij daarop kan reageren.

Voorzitter. Ik sluit af met een andere inbreuk op het lex certa-beginsel, die ons grote zorgen baart omdat daarmee een grondslag wordt gegeven voor het aanpakken van organisaties die in de visie van de overheid ontwrichtende demonstraties organiseren. Op grond van artikel 4a kan aan een organisatie een verbod tot het verrichten van bepaalde activiteiten worden opgelegd, wat een vergaande inbreuk betekent op het grondrecht van vrijheid van vereniging. Dat mag als een organisatie verantwoordelijk is voor, ik citeer uit de wet, "activiteiten die klaarblijkelijk het openbaar gezag dreigen te ondermijnen". Dat criterium is in de wet niet nader gedefinieerd. Tijdens het debat in de Tweede Kamer van begin vorig jaar over het demonstratierecht sprak de heden aanwezige minister over het, ik citeer, "ondermijnende" en, ik citeer opnieuw, "ontwrichtende karakter van acties van onder meer Extinction Rebellion". Daarbij werd gewezen op het feit dat, ik citeer, "demonstranten bewust de wet overtreden" en dat "het doel van deze demonstraties het ontwrichten van onze maatschappij is". In de memorie van toelichting is weliswaar vermeld dat demonstraties tegen de coronamaatregelen en klimaatopwarming, en andere vormen van maatschappelijk activisme geen grond kunnen opleveren voor de toepassing van maatregelen op grond van artikel 4, maar in de wettekst zelf is die beperking niet opgenomen.

Ik sluit af met een vraag aan de minister. Stel dat het OM zulke demonstraties over tien jaar wél als grond aanmerkt voor de toepassing van artikel 4a en stel dat de dan fungerende minister in de Tweede Kamer aanvoert dat de memorie van toelichting betrekking had op de samenleving van tien jaar geleden en er nu anders over wordt gedacht. Is het de rechter dan verboden om staking van demonstraties te bevelen, omdat hij, in afwijking van wat nu in de memorie van toelichting staat, de demonstraties aanmerkt als activiteiten die klaarblijkelijk het openbaar gezag dreigen te ondermijnen? Deelt de minister ons oordeel dat de rechter dan die vrijheid heeft en dat dat slechts anders zou zijn als, naar uitvoering van het lex certa-beginsel, in de wettekst zou zijn opgenomen dat uitoefening van het recht om te demonstreren niet onder die activiteiten valt?

Dat was mijn laatste vraag aan de minister. Ik sluit hiermee af.

De heer Schalk i (SGP):

Misschien even om het heel concreet te maken. De heer Nicolaï noemt zelf Extinction Rebellion en de ontwrichtende acties die zij bijvoorbeeld op snelwegen doen. Vorige week waren 30 scholen dichtgelijmd door diezelfde organisatie. Ik denk dat dat ook ontwrichtend, gezagsondermijnend en zo is. Hoe ziet de heer Nicolaï zo'n activiteit in het kader van de vraag die hij de minister nu stelt?

De heer Nicolaï (PvdD):

Daar heb ik het nu niet over. Ik heb het over de techniek van wetgeving. Ik heb het erover dat de regering ons in de memorie van toelichting geruststelt en zegt: als het gaat om demonstraties, is artikel 4a niet van toepassing. Dit keert steeds terug in deze Kamer. Natuurlijk kan het in een memorie van toelichting staan, maar als het niet in de wettekst staat … De rechter gaat uit van de wettekst. Dan kan je zeggen dat uit de memorie van toelichting blijkt dat de bedoeling is dat demonstraties er niet onder kunnen vallen. Maar als dat tien jaar geleden de bedoeling is geweest, kan een rechter zeggen: "Je kan me wat, maar in de wettekst zelf wordt mij geen beperking opgelegd. Ik vind dat dit soort ondermijnende activiteiten mij een grond opleveren om de organisatie te verbieden." Daar wijs ik op.

De heer Schalk (SGP):

Ik probeer het te begrijpen. Als Extinction Rebellion — het voorbeeld is door de heer Nicolai zelf ingebracht — demonstraties doet die geen onrecht doen aan datgene waaraan je onder onze wetgeving moet voldoen, dan snap ik de vraag. Maar mijn vraag is als volgt. Stel je voor dat organisaties zich helemaal te buiten gaan en ontwrichtende acties doen, zoals die scholen dichtlijmen. Dan ga je hier toch geen verdedigingslinie opstellen voor dit soort organisaties? Zij doen dan toch geen demonstraties die vallen onder het demonstratierecht? Ze gaan zich namelijk te buiten.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik denk dat de heer Schalk mijn punt niet begrijpt. Ik kan ook het volgende voorbeeld noemen. Stel dat er door aanhangers van de SGP bij een abortuskliniek wordt gedemonstreerd. Men vormt een lijn, zodat mensen de kliniek niet in kunnen. Er wordt niet geslagen, men lijmt zich niet vast enzovoort. Dan kan je dat ook "ondermijning" noemen. Het gaat mij erom dat de uitoefening van het demonstratierecht, zo zegt de regering in de memorie van toelichting, er nooit toe kan leiden dat iets wordt aangemerkt als een ondermijnende activiteit als bedoeld in artikel 4a. Dat zeggen ze in de memorie van toelichting. Daar ben ik blij mee. Dat geldt voor zowel de medestanders van de SGP die de boel blokkeren als Extinction Rebellion die de boel blokkeert. Daar ben ik blij mee. Tegelijkertijd zeg ik: pas op. We hebben het over het lex certa-beginsel. We hebben het over een grondrecht dat beperkt wordt. Dan eist het Europese Hof dat er in de wet duidelijkheid over wordt gegeven wat die criteria inhouden. Dan is de memorie van toelichting niet voldoende. Daar wijs ik op. We moeten ons niet laten verrassen. Over tien jaar, als er een heel ander bewind is, een beetje een Hongaars bewind of wat dan ook, kan die wet in een keer worden toegepast op een heel andere manier dan we nu allemaal dachten dat hij bedoeld zou zijn. Dat is mijn antwoord.

De heer Schalk (SGP):

De vergelijking met SGP'ers die bij abortusklinieken staan … De enige acties van de laatste tijd waarvan ik weet, zijn eenmansacties bij abortusklinieken. Die worden soms onderbroken. Daarbij is tot nu toe geen enkel strafbaar feit gepleegd. Dat is natuurlijk niet te vergelijken met datgene waar we het zojuist over hadden, namelijk de ondermijnende activiteiten van organisaties als Extinction Rebellion. Maar goed, ik ben heel benieuwd hoe de minister gaat antwoorden op de vraag zoals de heer Nicolaï die heeft gesteld.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Bezaan van de fractie van de PVV.