Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.00 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Talsma i (ChristenUnie):
Dank u zeer, mevrouw de voorzitter. Welkom terug op uw post, zou ik zeggen tegen de minister van Justitie en Veiligheid. De Eerste Kamer heeft een gigantische hoeveelheid poedersoep ingekocht, dus u bent hier voorlopig van harte welkom.
Voorzitter. In de beslisnota bij de nota naar aanleiding van het verslag las ik dat mijn fractie neutraal staat ten opzichte van het voorliggende wetsvoorstel. Dank aan de minister voor de aanlevering van dat uitgangspunt, die basishouding. Ik vond het prettig om dat te lezen. Voor zover ik daarin mag lezen dat mijn fractie onbevooroordeeld en met veel inhoudelijke belangstelling aan de voorbereiding van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel is begonnen, kan ik dat zeker bevestigen. Sterker nog, met de openingswoorden van de schriftelijke beantwoording door de minister is mijn fractie het roerend eens. Ik citeer: "Ongewenste buitenlandse beïnvloeding en ondermijning van onze rechtsstaat moeten met kracht worden tegengaan." Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat mijn fractie gaandeweg wel steeds kritischer geworden is ten aanzien van de vraag of dit wetsvoorstel, dat veel omvattender en veel ingrijpender is geworden dan oorspronkelijk voorzien, wel het juiste middel is om het geciteerde doel te bereiken, en of de ondertitel van het al aangehaalde artikel over dit wetsvoorstel in het Nederlands Juristenblad van november 2025 niet pijnlijk accuraat is: een sterk staaltje slechte wetgeving.
Voorzitter. Er is dus volop reden om vandaag met elkaar in debat te gaan om een aantal van onze vragen en zorgen aan de minister voor te leggen en de uitkomsten van het debat te betrekken bij onze eindafweging. Om een beetje structuur aan te brengen, volg ik primair de drie pijlers waaruit de Wtmo volgens de toelichting bestaat: één, inzage in donaties op verzoek van burgemeester en OM, twee, de deponeringsplicht, en drie, het rechterlijk bevel.
Eerst de bevoegdheid van burgemeester en OM tot het verzoeken om informatie. De burgemeester krijgt in het voorstel die bevoegdheid voor donaties vanaf €15.000. Collega's hebben het daar al over gehad. De burgemeester kan zo'n informatieverzoek volgens de minister alleen doen "als er sprake is van een inbreuk of dreigende inbreuk op de openbare orde". Om te beginnen stel ik graag vast dat die woorden niet voorkomen in het wetsvoorstel. De formulering in het voorgestelde artikel 3, lid 1 is namelijk veel ruimer. Daar staat "in het kader van de handhaving van de openbare orde". Er wordt verwezen naar artikel 172 van de Gemeentewet. Als een dreigende inbreuk de gewenste drempel was voor toepassing van de bevoegdheid, waarom is dat dan niet in de wettekst opgenomen, zo vraag ik de minister.
Dat burgmeesters gewend zijn te werken met de term "openbare orde", zoals de minister in zijn beantwoording herhaaldelijk benadrukt, staat wat mijn fractie betreft volstrekt buiten kijf. Dat was ook helemaal niet de portee van onze vragen op dat punt. Die vragen gaan namelijk over de veronderstelling dat een dreigende inbreuk op de openbare orde bestreden zou kunnen worden met het opvragen van donatiegegevens, en over de aanname dat de burgemeester "goed kan beoordelen of er sprake is van ongewenste beïnvloeding via donaties". Kan de minister duidelijk maken waarop hij deze beide aannames baseert? Hoe taxeert hij het signaal vanuit het Genootschap van Burgemeesters, dat diametraal tegenovergesteld is?
Ter illustratie van de stelling dat het opvragen van donatiegegevens heel goed past bij de taken van de burgemeester, maakt de minister de vergelijking met het sluiten van panden op grond van de Opiumwet, het geven van een gebiedsverbod of het gebruikmaken van een noodbevel. Maar is die vergelijking inhoudelijk wel terecht, vraagt mijn fractie zich af. Is met name de urgentie, die ook spreekt uit artikel 172 van de Gemeentewet, zodanig vergelijkbaar dat die een nieuwe, atypische burgemeestersbevoegdheid zoals nu voorgesteld rechtvaardigt?
Over het bij amendement toegevoegde verplichte overleg tussen burgemeester en OM, in artikel 3, lid 1, heeft mijn fractie al eerder vragen gesteld. De status van dat overleg blijft voor ons onduidelijk. Wordt het OM nou geraadpleegd? Heeft het OM een soort adviesbevoegdheid? Is er overeenstemming nodig? Hoe verhoudt dit overleg zich tot de urgente situatie van een dreigende inbreuk op de openbare orde, zoals de minister die beschrijft? Welke gegevens mag het OM met de burgemeester delen? Graag een reactie op al die vragen.
Het overleg met het Openbaar Ministerie is een mooie brug naar het tweede element van de eerste pijler, namelijk dat ook het OM een informatieverzoek kan doen. Dat kan bij "ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd, dan wel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd." Mijn fractie vraagt zich hardop af of dat eigenlijk wel een taak voor het Openbaar Ministerie is. Artikel 124 van de Wet op de rechterlijke organisatie bepaalt: "Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken." Hoort bij die taken wat de minister betreft ook de controle op de naleving van statuten of het behoorlijk besturen van maatschappelijke organisaties? Zo ja, waarin is dat dan bij wet vastgesteld? Welke bevoegdheden, anders dan strafvorderlijke, heeft het Openbaar Ministerie volgens de minister om na te gaan of een bepaald stichtingsbestuur de eigen statuten te goeder trouw naleeft? Mijn fractie heeft er grote twijfels over of het OM een rol zou moeten spelen bij de controle op het besturen van rechtspersonen, natuurlijk met uitzondering van situaties waarin de verdenking bestaat dat er strafbare feiten zijn of dat die worden gepleegd. Graag een reactie van de minister.
De tweede pijler van het wetsvoorstel betreft de deponeringsplicht voor stichtingen. Bij dit onderdeel van het wetsvoorstel kan mijn fractie zich best iets voorstellen, maar laat ik kortsluiten dat de subsidiariteit en de proportionaliteit van de voorgestelde maatregel voor mijn fractie nog niet bepaald een gegeven zijn in elke situatie. Veelzeggend vind ik in dat verband dat de toelichting uitsluitend verwijst naar witwassen en terrorismefinanciering. Dat zit toch wel in een heel ander chapiter dan de handhaving van de lokale openbare orde of het naleven van eigen statuten.
De derde pijler van het wetsvoorstel betreft de mogelijkheid dat het OM de rechter verzoekt maatregelen te treffen tegen de maatschappelijke organisatie, het zogenoemde rechterlijk bevel. Kijkend naar de vereisten, of zo u wilt de wettelijke drempel om dit rechterlijke bevel toe te passen, en kijkend naar de mogelijke inhoud en strekking daarvan, is mijn fractie door de beantwoording tot op heden niet overtuigd van de meerwaarde van deze pijler ten opzichte van de reeds bestaande procedure op grond van artikel 2:20 BW. Gelet op de grondwettelijke verankering van de vrijheid van vereniging moet die meerwaarde er in de visie van mijn fractie wel heel duidelijk zijn, wil er aanleiding bestaan om een parallelle rechterlijke bevelsbevoegdheid in het leven te roepen. Met nadruk leg ik dit punt nogmaals aan de minister voor. Ik vraag hem daarbij om bij zijn reactie ook in te gaan op de zeer zware eisen die het EVRM, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, bijvoorbeeld in artikel 11, lid 2 stelt aan grondrechtenbeperkingen zoals deze.
Afrondend, mevrouw de voorzitter, ziet mijn fractie een wetsvoorstel dat begon met een prima insteek, namelijk het tegengaan van buitenlandse beïnvloeding die een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor onze rechtsstaat. In de loop der tijd is het echter steeds verder uitgedijd naar iets waarvan we ons inmiddels in toenemende mate afvragen of het middel rechtsstatelijk niet erger is dan de kwaal. Bovendien vragen we ons af of het wetsvoorstel uitvoerbaar en handhaafbaar is. Dit debat zal daarover duidelijkheid moeten geven. Ik zie dan ook met grote belangstelling uit naar de beantwoording door de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik geef nu graag het woord aan de heer Janssen van de SP.