Plenair Talsma bij behandeling Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties



Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 21.28 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Dank u zeer, mevrouw de voorzitter. Dank ook aan de minister voor de beantwoording en ook voor het enthousiasme waarmee dat gedaan is. Daar heb ik waardering voor. Ik dank de minister in het bijzonder voor de beantwoording van mijn vraag over artikel 3, lid 4. Ik beken ruiterlijk dat ik het verkeerd gelezen had, dus het is goed dat de minister dat heeft rechtgezet.

Dat neemt niet weg dat er ook nog wel punten overblijven. Als het gaat om artikel 3, lid 7 is de minister vrij helder geweest, maar ik wil toch goed weten wat hij daar nu mee van plan is. Vandaar dat ik dus even de volgende vraag heb. Zegt de minister toe dat voor artikel 3, lid 7 geen tijdstip van inwerkingtreding wordt vastgesteld op grond van artikel 14, en dat dat artikel vervolgens in een reparatiewet wordt geschrapt? Dat hoor ik dan zo dadelijk graag even heel duidelijk. Dan weten we waar we procedureel aan toe zijn. Als dat aan de orde zou komen, suggereer ik de minister om meteen de taalfout die nu nog in artikel 3, lid 4, sub b staat, ook te herstellen, namelijk "uitoefening van taakuitoefening". Dat klinkt als een dubbelopje.

Het debat van vanavond heeft mijn fractie nog niet meteen op andere gedachten gebracht. Ik ga de discussie niet overdoen. Ik denk ook niet dat het zo heel veel zin zou hebben. Ik stel vast dat we het samen niet eens zijn geworden en dat we het ook niet helemaal eens gaan worden. Heel in het kort over de drie kernbepalingen.

Wat mijn fractie betreft staat de burgemeestersbevoegdheid in artikel 3 echt niet in de goede verhouding tot artikel 172 Gemeentewet. Collega Doornhof noemt dat heel fraai "een categoriefout". Ik denk dat dat mooi geformuleerd is. Die fout wordt hiermee niet rechtgezet, ook niet met de antwoorden van de minister. Dat punt blijft wat mijn fractie betreft dus staan. Daarbij komt dat de burgemeesters heel duidelijk zeggen: wij hoeven dat stuk gereedschap niet, wij zitten er niet op te wachten en het moet niet in onze kist zitten.

De tweede kernbepaling is artikel 4. Het informatieverzoek door het OM kan al. De minister noemt zelf, en volkomen terecht, artikel 2:297 BW. Dat artikel biedt eigenlijk al een grondslag. Waarom is dan niet gekozen voor een aanpassing, een uitbreiding, een hele kleine toevoeging aan de bestaande wettelijke bepaling? Dat had makkelijk gekund en ik hoor geen goede argumenten waarom dat niet gebeurd is.

Hetzelfde geldt voor de derde kernbepaling, wat mijn fractie betreft; dat is artikel 4a over ontbinding en verbod. Artikel 2:20 BW bestaat. We zijn het niet eens over de vraag of 2:20 nou een veel hogere drempel heeft dan 4a, zoals de minister suggereert. Ik denk eerlijk gezegd dat dat reuze meevalt. Mijn fractie is echter vooral van mening dat het voor de hand had gelegen — dat had ook heel goed gekund — dat de minister een voorstel had gedaan om het bestaande instrumentarium, namelijk 2:20 BW, uit te breiden, enigszins aan te vullen op de manier zoals hij dat dan zou wensen. Dat gebeurt niet en mijn fractie is er niet van overtuigd, zeker gegeven de reacties uit het veld en de implicaties ten opzichte van het bestaande recht, dat dit een verbetering is, dat dit een toevoeging is waar we echt mee aan de slag zouden moeten.

Een vraag nog, eigenlijk twee. Ik heb een serietje vragen gesteld over het verplichte overleg tussen burgemeester en OM. Die vragen zijn niet beantwoord. Ik ben daar toch nog wel nieuwsgierig naar. Die leg ik dus graag nog even aan de minister voor.

Toen de minister een aantal keren de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding noemde kwam deze vraag bij me op: heeft de minister ook nog overwogen om dit hele voorstel in een tijdelijke wet te gieten? Dat had het voorstel misschien een ander karakter gegeven. Die vraag leg ik nog even neer.

Tot slot. Eerlijk is eerlijk, ik zal mijn fractie adviseren, op grond van alles wat ik heb gezegd, om dit wetsvoorstel niet te steunen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.