Verslag van de vergadering van 17 maart 2026 (2025/2026 nr. 21)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.27 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Gasteren i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Minister, welkom en succes op uw nieuwe oude post, maar dan nu vanuit een andere kabinetssamenstelling.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel is inderdaad van 2020, ingediend door de toenmalige minister voor Rechtsbescherming, Sander Dekker.
Ik woon in Limburg. Dat is op loopafstand van de Maas. Er is sindsdien heel wat water door diezelfde Maas gestroomd en er is ook heel veel water bij de wijn gedaan. Ik moet toch even complimenten geven over het proces dat hier voorligt, want er is inderdaad veel verbeterd ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel. Zo is het gewijzigd van een generieke verplichting naar een organisatiegerichte aanpak. Het gebeurt op verzoek. Er is een drempelbedrag ingevoerd. Er is een mogelijkheid om door middel van een algemene maatregel van bestuur wat uitzonderingen te maken op het basisprincipe. Er is sprake van verplicht overleg met het Openbaar Ministerie voordat het verzoek wordt ingewilligd. En er is een reactietermijn van vier weken in plaats van tien werkdagen. Dus dat zijn behoorlijke verbeteringen. Maar is het genoeg water geweest? Dat is de vraag.
De wijzigingen maken de wet iets proportioneler, maar onze fracties blijven kritisch tot negatief. Er zal dus vandaag heel wat extra water door diezelfde Maas moeten stromen, want dat is voor ons wel belangrijk bij het luisteren naar het debat. De vorige twee sprekers hebben al heel veel dingen gezegd die ik ook van plan was te zeggen, alsof ik per ongeluk op het kopieerapparaat een tekst had gevonden. Het getal vier komt een aantal keren terug. Ik wil een aantal dingen hier aanstippen: doel en reikwijdte, effectiviteit, uitvoerbaarheid, grondrechten en proportionaliteit.
Allereerst het doel en de reikwijdte. Deze wet zorgt er dus voor dat er betere financiële inzichten komen in geldstromen voor dit soort maatschappelijke organisaties. Maar in de communicatie wordt heel erg vaak de nadruk gelegd op geldstromen uit het buitenland. Daar hebben we allemaal een beeld bij. Wat zou dat dan kunnen betekenen? Maar het gaat natuurlijk ook om geldstromen in Nederland. Dus de vraag is: gaan we daarmee nu niet een probleem dat zich mogelijk voordoet, waarbij het ook de vraag is hoe groot dat probleem is, op de hele Nederlandse samenleving neerleggen? Dan is het: jongens, succes! Maar dit is wel heel veel werk voor al die maatschappelijke organisaties. De vraag aan de minister is: had dat echt niet anders gekund of kan het eventueel later via een reparatie worden aangepast?
Dan de handhaafbaarheid en effectiviteit. Die zijn volgens ons niet aangetoond. Ik kan ook nergens echt iets vinden over de feiten, omstandigheden en getallen op basis waarvan men zegt dat dit fantastisch gaat werken. De vraag aan de minister is of hij het vandaag misschien wel kan onderbouwen.
De uitvoerbaarheid is een groot zorgpunt. Dat werd vandaag al een aantal keren aangestipt. Het Openbaar Ministerie zelf zei letterlijk het volgende. Ik heb naar het verslag van de deskundigenbijeenkomst gekeken en ik haal daaruit het volgende aan. "Nu het toezicht geen hoofddoel is, hebben wij moeite met de taak die ons zou moeten worden toebedeeld." Mooie zin trouwens. "Daar komt bij dat de informatievergaring door andere organisaties gebeurt, zoals de AIVD." Dat gaven eerdere sprekers ook al aan. "Het OM zou dit niet moeten doen." De Vereniging van Nederlandse Gemeenten kwam ook al aan bod. Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters is ook heel kritisch. Volgens hen is het helemaal geen onderdeel van hun kerntaak en zou het dat ook niet moeten zijn. Ze komen met vier relevante opmerkingen.
Ten eerste. Volgens de regering sluiten de nieuwe bevoegdheden aan bij artikel 172 lid 1 van de Gemeentewet, dus bij de taak tot handhaving van de openbare orde. Maar deze twee organisaties zeggen dat dit niet het geval is omdat het in dat artikel gaat over het feitelijk bewaren van de openbare orde en niet over het opvragen van bijvoorbeeld gegevens. Senator Veldhoen gaf dat net ook al aan.
Het tweede is dat de bevoegdheid van de burgemeesters om donatiegegevens op te vragen ook op gespannen voet kan staan met de grondrechten. Dat kwam ook al aan de orde.
De derde opmerking die zij hadden, is dat de bevoegdheid de onafhankelijkheid en de bovenpartijdigheid van de burgemeester ondergraaft. Dan kun je zeggen dat de burgemeester naast het zijn van een vader voor de gemeente ook dit soort taken heeft, maar dit gaat toch wel heel ver.
Het vierde punt werd ook al door senator Veldhoen genoemd, namelijk het afwegingskader nieuwe burgemeestersbevoegdheden. Dat is momenteel in ontwikkeling bij de regering. De VNG en het NGB halen daar een sterke indicatie uit dat zij niet geschikt zijn. Het gaat er niet zozeer om of je een taak móét uitvoeren, maar om de vraag of je het kunt qua skills. Zelf zeggen ze dat ze daar niet voor geëquipeerd zijn.
Mijn derde vraag aan de minister is: is er rekening gehouden met dit kader? Zo ja, waarom dan toch deze route? Deze twee organisaties zeggen namelijk zelf dat het niet helemaal voldoet. Zo nee, waarom niet?
Dan hebben we nog bedenkingen ten aanzien van de grondrechten en de wetmatigheid; dat zijn er weer vier. Allereerst noem ik het risico op selectieve toepassing. De bevoegdheid van de burgemeester blijft subjectief. Er is dus een risico op inconsistente toepassing tussen gemeentes en dus tussen diverse burgemeesters.
Ten tweede: de definitie van ondermijning. Die is natuurlijk heel breed en heel vaag. Je moet altijd oppassen met een open norm.
Ten derde: de vage omschrijving van wanneer de inzet van het middel gerechtvaardigd is. Deze bevoegdheid kan worden ingezet op basis van signalen. "Signalen" is wederom een wat algemene term. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een serieuze of ernstige verdenking. Wij vinden dat het de rechtsstaat niet ten goede komt als dit soort definities in wetten worden vermeld.
Ten vierde: wanneer er sprake is van ondermijning van de Nederlandse rechtsstaat door een maatschappelijke organisatie, kan het Openbaar Ministerie de rechter verzoeken dat de organisatie zich voor een bepaalde duur onthoudt van die activiteiten. Wederom heb ik een quote. Het College voor de Rechten van de Mens vermeldde tijdens de deskundigenbijeenkomst: "Preventieve beperkingen van de vrijheid van vereniging zijn slechts onder strikt afgebakende omstandigheden gerechtvaardigd. Dat blijkt uit uitspraken van het Europees Hof." De vraag is dus of er voldoende waarborgen zijn om tegenwicht te bieden aan de combinatie van die brede, vage norm die nu in de wet is voorgesteld en een preventief instrument. Mijn vraag aan de minister is hoe hij hiernaar kijkt.
Ten vijfde: de proportionaliteit. Ook hierover hebben wij discussiepunten, vooral wat betreft kleine vrijwilligersorganisaties. Dit kwam eerder vandaag ook al aan de orde. Het is weliswaar beter dan het oorspronkelijke voorstel, maar Goede Doelen Nederland, Amnesty International en al dit soort zeer belangrijke organisaties vinden dit schieten met een kanon op een mug. Wij zijn het daar helemaal mee eens. Het kan ook angst creëren bij donateurs, van: laat ik vooral maar niet doneren, want ik weet niet in wat voor geheimzinnige pijplijn dit terechtkom. Het is dus een zwaar middel.
Ten slotte: de noodzakelijkheid. Wij vinden dat die niet is aangetoond, of in ieder geval nóg niet is aangetoond. Deze is twijfelachtig of misschien zelfs wel afwezig. Ik noem vier redenen. Er zijn weinig concrete casussen van ondermijning via donaties aan maatschappelijke organisaties bekend. Het POCOB-rapport noemt wel risico's, maar geen massaal probleem. Met andere woorden, het is wellicht een theoretisch risico. Zij zeggen dat het hierbij gaat om hooguit enkele gevallen per jaar. Het is dus geen structureel probleem bij die tienduizenden organisaties die zich bezighouden met het maatschappelijk middenveld.
Ten tweede: de regering schat in dat het gaat over twee tot vijf verzoeken om informatie per jaar. Waar gaat het dan over? Moet je een speciale wet inrichten voor zo weinig gevallen per jaar? Eerder vandaag kwam ook de regeldruk aan de orde. Een belangrijke vraag is: waarom doe je dit? Temeer — dat is de derde reden — omdat er heel veel andere middelen ter beschikking staan. Senator Dittrich noemde de Wet op de economische delicten al. Er is antiterrorismefinanciering, de Wet Bibob en artikel 2:20. Ik kan nog wel even doorgaan. Ik geloof dat senator Veldhoen nog wel meer voorbeelden had.
Dan de vierde reden. Als Eerste Kamer dienen wij de kwaliteit van de wetgeving te bewaken, maar volgens ons hoort ook de kwaliteit van het stelsel daarbij. Of we daar nu weer een nieuw kapstokje bij moeten hangen, terwijl we al genoeg kapstokken hebben, is een vraag die we moeten beantwoorden. De Raad van State wijst ook op die versnippering en zegt: jongens, pas nou op; het is genoeg zo. Mijn vijfde vraag aan de minister is dus waarom deze wet überhaupt nodig is.
Dan de laatste. Het is een beetje sneaky, want ik loop er een beetje op vooruit, maar dit is toch de kernvraag: waarom overweegt de minister niet gewoon de wet in te trekken? Er komt binnenkort toch een ronde, dus neem deze dan mee, zou ik zeggen. Wij zijn heel kritisch en kijken uit naar de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Doornhof van de fractie van het CDA.