Verslag van de vergadering van 21 april 2026 (2025/2026 nr. 27)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 14.16 uur
Mevrouw Fiers i (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal niet tijdens de spreektekst steeds de namen van al die fracties noemen, want dan is mijn spreektijd alweer voorbij.
In de laatste cijfers van het CBS en TNO is op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2024 te lezen dat 17% van de Nederlandse werknemers jaarlijks ongewenste omgangsvormen op de werkvloer ervaart. Dat betreft meer dan een op de zes werknemers. Het meest voorkomend zijn intimidatie en bedreiging, 11,9%, en discriminatie, 11,4%. Dit vraagstuk kent vele verschijningsvormen. In sommige bedrijfstakken, zoals de zorg en het openbaar vervoer, betreft het veelal ongewenste omgangsvormen van patiënten of reizigers richting medewerkers. In andere bedrijfstakken, waar er veel minder frequent klantcontacten zijn, betreft het vooral ongewenste omgangsvormen van medewerkers onderling.
Dit zijn zorgwekkende cijfers, zeker omdat er sprake is van een stijgende trend. Gelukkig zien we de aandacht voor het voorkomen en aanpakken van ongewenste omgangsvormen ook toenemen. We hebben allemaal een verantwoordelijkheid om die ongewenste omgangsvormen te voorkomen en bespreekbaar te maken en waar nodig direct in te grijpen als je er getuige van bent. Ook veel bedrijven, verenigingen, vrijwilligersverenigingen en overheden zijn serieus aan de slag met de aanpak van dit maatschappelijk vraagstuk. Zo ook wij hier in de Eerste Kamer.
Onze fracties zijn er daarom positief over gestemd dat wij hier vandaag ook spreken over een voorstel om te komen tot een gedragscode ongewenste omgangsvormen voor de Eerste Kamer der Staten-Generaal, want juist ook de Eerste Kamer heeft hierin een voorbeeldrol. Deze code gaat over potentieel ongewenst gedrag van alle 75 Kamerleden in de Kamer jegens elkaar, medewerkers en bezoekers. Het gaat dus over u en over mij.
Bij de voorbereiding van dit debat heb ik me, wellicht net als u, afgevraagd wat eigenlijk de omvang van het vraagstuk is hier in de Eerste Kamer. Alhoewel mijn persoonlijke ervaringen positief zijn, geven die natuurlijk geen volledig beeld. Hoe vaak komen die ongewenste omgangsvormen voor? Is daar iets zinnigs over te zeggen?
In een onderzoek van de Universiteit Utrecht uit 2023 naar sociale veiligheid in de Tweede Kamer met als titel Kracht zonder Tegenkracht wordt geconcludeerd dat een grote minderheid van de deelnemers in meer of mindere mate grensoverschrijdend gedrag ervaart van andere Kamerbewoners. De onderzoekers concluderen dat de aard van de ervaren sociale onveiligheid meer is dan een reeks van incidenten. Nu is de Tweede Kamer natuurlijk niet de Eerste Kamer, maar ook internationaal onderzoek in andere parlementen, zoals in Australië en Engeland, wees uit dat er sprake is van wijdverbreide ongewenste omgangsvormen. Ik moet zeggen dat ik bij de voorbereiding van dit debat steil achteroversloeg bij het lezen van de Jenkins Review in Australië. Dit onderzoek toonde aan dat een op de drie medewerkers, 33%, en 63% van de vrouwelijke parlementariërs seksuele intimidatie had ervaren. Natuurlijk realiseer ik me dat dit onderzoek niks zegt over de Eerste Kamer, maar het is wel belangrijk om ons te realiseren wat factoren zijn die ongewenste omgangsvormen als het ware stimuleren en mogelijk maken.
Voorzitter. Uit de literatuur over het gedrag van mensen op de werkvloer blijkt dat gedrag niet los kan worden gezien van de context en de organisatiekenmerken waarin het plaatsvindt. Omgevingsfactoren hebben invloed op de beleving van de sociale veiligheid en kunnen risico's meebrengen op onveiligheid en ongewenste omgangsvormen. Uit onderzoek blijkt dat de volgende factoren hierbij een rol spelen: een grote afhankelijkheid, een competitief werkklimaat, het gebruik van flexibele arbeidscontracten, hoge werkdruk, informele machtsverschillen en een sterke hiërarchie of een ervaren onaantastbaarheid van bepaalde personen. Enkele van deze relevante contextfactoren, zoals de bijzondere positie van Kamerleden, die mogelijk als onaantastbaar wordt ervaren, zijn ook van toepassing op de Eerste Kamer. Dit roept de vraag op of het niet zinvol is om ook in de Eerste Kamer onafhankelijk onderzoek te laten doen om inzichtelijk te krijgen wat de omvang is van dit vraagstuk bij ons in de Kamer. Zo'n onderzoek kan helpen om te bepalen wat, aanvullend op de gedragscode, noodzakelijk is om te doen. Graag een antwoord van het college.
Voorzitter. In de inleidende woorden van de Kamervoorzitter lezen we dat de code onze omgangsvormen niet wil juridificeren, maar dat die gezien moet worden als een hulpmiddel als iemand nauwelijks mogelijkheden ziet om het ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen. Het is een mogelijke stok achter de deur als het onderlinge gesprek hierover moeilijk lijkt of onmogelijk blijkt. Onze fracties zijn het zeer eens met deze woorden. Een gedragscode ongewenste omgangsvormen biedt juridische structuur en juridische zekerheid bij het aanpakken van gedrag, zoals pesten, discriminatie of seksuele intimidatie. Wij zijn daarom ook voorstander van een gedragscode.
Maar alleen een gedragscode is niet genoeg. Er is meer nodig. Daarom wil ik graag nog even stilstaan bij artikel 2, lid 2 van de gedragscode. In dit artikel staat: "Het College, daarin bijgestaan door de Griffier, maakt beleid gericht op het voorkomen van ongewenste omgangsvormen door Kamerleden en ziet toe op de uitvoering daarvan." Effectief ongewenst gedrag voorkomen werkt door een combinatie van structureel beleid, preventieve acties en een open cultuur, waarin aanspreken de norm is. Graag horen wij van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters de contouren van het aanvullende beleid dat nog ontwikkeld wordt. We horen niet alleen graag wat de inhoud is, maar ook wanneer het gereed is. Voor een succesvolle implementatie is de bedrijfscultuur doorslaggevend. De Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft een uitgebreide handleiding gepubliceerd met effectieve maatregelen om te werken aan een cultuurverandering op de werkvloer. Wellicht biedt deze handleiding aanknopingspunten voor het aanvullende beleid dat ontwikkeld gaat worden.
Voorzitter. De leden van de fracties — ik ga ze één keer allemaal noemen — van GroenLinks-PvdA, D66, Volt, OPNL, de Partij voor de Dieren en de ChristenUnie kijken met belangstelling uit naar de antwoorden.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Fiers. Het woord is aan de heer Van Hattem van de PVV.