Plenair Bezaan bij behandeling Wet herziening bedrag ineens



Verslag van de vergadering van 9 juni 2026 (2025/2026 nr. 32)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.29 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Bezaan i (PVV):

Voorzitter, dank voor het woord. Pensioenwetgeving heeft de merkwaardige eigenschap dat de toekomst altijd verder blijkt te liggen dan gedacht. De mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen, werd al in 2021 door het parlement aanvaard. Vijf jaar later spreken wij nog steeds over de voorwaarden waaronder dat recht ooit in werking zal treden en inmiddels staat de teller op 2029. Na de behandeling van de Wet toekomst pensioenen zou men kunnen denken dat de grootste pensioenoperatie inmiddels achter ons ligt, maar ook dit wetsvoorstel, de Wet herziening bedrag ineens, blijkt een opmerkelijk vermogen te hebben om door de tijd te reizen: oorspronkelijk voorzien voor 1 januari 2022, verschoven naar 1 januari 2023, daarna naar 1 juli 2023, vervolgens naar 1 juli 2025, daarna naar 1 januari 2026 en inmiddels, zoals gezegd, naar 1 januari 2029. Dat zijn zes verschuivingen in acht jaar tijd. De vraag is daarom niet alleen of deze wet zorgvuldig wordt ingevoerd, maar ook waarom dat zo lang moet duren. Achter al die jaartallen, uitvoeringsvraagstukken en transitiedata schuilt uiteindelijk een eenvoudige vraag: van wie is het geld?

Voor de PVV is het antwoord helder: pensioen is uitgesteld loon. Het is geld waarvoor Nederlanders jarenlang hebben gewerkt. Het is geld dat niet van de overheid of van pensioenfondsen is, maar van de deelnemer. Vanuit dat eenvoudige uitgangspunt heeft de PVV altijd gekeken naar het voorstel voor een bedrag ineens. Wij zijn voor keuzevrijheid. Wij vinden dat Nederlanders in beginsel zelf moeten kunnen beslissen wat ze met hun eigen pensioenvermogen doen. Het gaat in dit geval om maximaal 10% van het pensioenvermogen, op te nemen op de pensioendatum. Loonbelasting wordt ingehouden en de maandelijkse uitkering wordt daarna structureel lager. Voor sommige mensen is dat een bewuste, weloverwogen keuze, bijvoorbeeld voor het aflossen van schulden, voor een noodzakelijke verbouwing, voor zorgkosten of simpelweg om meer regie te hebben over het eigen geld. Daarom heeft de PVV dit voorstel in de Tweede Kamer gesteund. Maar we hebben daar een belangrijke kanttekening bij geplaatst: vrijheid zonder goede informatie kan omslaan in schijnvrijheid.

Onze fractie in de Tweede Kamer stelde tijdens de behandeling destijds terecht dat zorgvuldigheid belangrijker is dan snelheid. Die opmerking onderschrijf ik vandaag volledig. Tegelijkertijd moeten we constateren dat er een verschil bestaat tussen zorgvuldigheid en uitstel. Het pensioenakkoord dateert uit 2019. Daar is vandaag al eerder aan gerefereerd. Het oorspronkelijke wetsvoorstel dateert uit 2020. De herziening die wij vandaag behandelen, dateert uit 2022. Inmiddels spreken we over een invoering in 2029. Dat betekent dat Nederlanders bijna tien jaar wachten op een recht dat hun al jaren geleden in het vooruitzicht is gesteld.

Uit de stukken en uit de deskundigenbijeenkomst blijkt dat de wet zelf uitvoerbaar is. De problemen zitten niet primair in het keuzerecht zelf, maar in de samenloop met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Dat is een belangrijk onderscheid. De vertraging wordt niet veroorzaakt doordat het idee ondeugdelijk zou zijn; de vertraging wordt veroorzaakt doordat het wordt ingebed in een van de grootste en meest complexe stelselwijzigingen van de afgelopen decennia.

Voorzitter. Juist daarom kijkt de Eerste Kamer naar uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en bescherming van burgers. Mijn fractie heeft op dit punt nog drie zorgen. De eerste zorg betreft de positie van mensen met lagere inkomens. In de Tweede Kamer is uitgebreid gesproken over het beperken van ongewenste gevolgen voor mensen met toeslagen. Maar het probleem dat daarmee werd geadresseerd, is niet verdwenen. Sterker nog, de stukken van de Eerste Kamer bevestigen dat juist financieel kwetsbare deelnemers relatief de grootste risico's lopen en tegelijkertijd de minste mogelijkheden hebben om professioneel advies in te winnen.

Voorzitter. Het gaat om een eenmalige uitkering die, afhankelijk van het opgebouwde vermogen, kan oplopen tot tienduizenden euro's. Maar ook bij kleinere bedragen geldt: dit is in het jaar van uitkering belastbaar inkomen, en dat raakt direct aan toeslagen, zoals de zorgtoeslag en huurtoeslag. Kan de minister aangeven welke concrete maatregelen vóór 2029 worden genomen om te voorkomen dat mensen door gebruik van hun keuzerecht onverwacht in de problemen komen met toeslagen of andere inkomensafhankelijke regelingen? Graag een reactie van de minister.

Mijn tweede zorg betreft de informatievoorziening. In eerdere stukken werd veel gewicht toegekend aan de door het Nibud te ontwikkelen keuzetool; de heer Van Gurp verwees daar ook al naar. Kan de minister bevestigen of deze tool inmiddels gereed is? Zo ja, hoe wordt verzekerd dat deze voor alle deelnemers toegankelijk is? De werkelijkheid is immers dat mensen met voldoende middelen een financieel adviseur kunnen inschakelen, terwijl anderen volledig afhankelijk zijn van de kwaliteit van de verstrekte informatie. Keuzevrijheid veronderstelt begrijpelijke en toegankelijke informatie.

Mijn derde zorg betreft de rechtszekerheid van deelnemers gedurende de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Uit de stukken blijkt dat deelnemers een keuze kunnen maken op basis van een verwacht bedrag ineens, terwijl door het moment van invaren uiteindelijk een ander bedrag kan ontstaan. Dat vind ik een principieel punt. Men moet erop kunnen vertrouwen dat de financiële keuze die men maakt gebaseerd is op betrouwbare informatie. Kan de minister aangeven hoe wordt voorkomen dat deelnemers keuzes maken op basis van bedragen die later substantieel afwijken van de uiteindelijke uitkering?

Voorzitter. Mijn fractie blijft van oordeel dat het bedrag ineens als principe juist is. Mensen moeten zeggenschap hebben over hun eigen uitgestelde loon. Maar juist omdat het om het eigen geld van mensen gaat, moeten wij hoge eisen stellen aan zorgvuldigheid, begrijpelijkheid en rechtszekerheid. Daarom vraag ik de minister tot slot om drie toezeggingen, gerelateerd aan mijn eerder genoemde zorgen. Ten eerste. Kan de minister bevestigen dat 1 januari 2029 inderdaad de uiterste invoeringsdatum is? Ten tweede. Kan de minister toezeggen dat de Kamer voor de invoering wordt geïnformeerd over concrete maatregelen rond toeslagenproblematiek en bescherming van financieel kwetsbare deelnemers? Ten derde. Kan de minister toezeggen dat deelnemers niet worden geconfronteerd met wezenlijke verschillen tussen het bedrag waarop hun keuze is gebaseerd en het bedrag dat uiteindelijk wordt uitgekeerd zonder dat daarover helderheid bestaat?

Voorzitter. Zes keer uitgesteld, tien jaar gewacht, nu moeten de Nederlanders eindelijk krijgen waar ze recht op hebben: hun eigen geld op het moment dat hun uitkomt.

Voorzitter. Met belangstelling zie ik de beantwoording tegemoet. Ik dank u voor uw tijd.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen. Hij spreekt mede namens de Fractie-Van Gasteren.