Plenair Baumgarten bij voortzetting behandeling Wet werkelijk rendement box 3



Verslag van de vergadering van 30 juni 2026 (2025/2026 nr. 37)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.25 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Baumgarten i (JA21):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Staat u mij toe als eerste even te melden dat wij zojuist als gezin het heugelijke nieuws hebben gekregen dat dochterlief is geslaagd voor het vwo. Dat geeft deze bijzondere dag toch wel extra glans.

(Applaus)

De heer Baumgarten (JA21):

En dan nu terug naar aardse zaken: box 3. Er zijn al bijna vijf jaar verstreken sinds het kerstarrest van de Hoge Raad. Het is tijd om na te denken, want de geschiedenis van box 3 bevat belangrijke lessen voor het debat dat we vandaag voeren. Het fundamentele probleem van het oude stelsel was niet alleen dat het uiteindelijk tot herhaalde en fundamentele correcties van de Hoge Raad heeft geleid. Het probleem was ook dat de belastingheffing zich steeds verder verwijderde van de economische werkelijkheid.

De wetgever bleef, tegen beter weten in, uitgaan van een verondersteld rendement, dat voor grote groepen belastingplichtigen steeds minder overeenkwam met het rendement dat daadwerkelijk werd behaald. Wat aanvankelijk werd gepresenteerd als een praktische benadering, groeide geleidelijk uit tot een systeem waarvan veel burgers niet langer begrepen waarom het nog als rechtvaardig moest worden beschouwd. De overheid presenteerde zich als uitgesproken inhalig en draaide niet alleen aan de vermeende rendementsknoppen, maar ook aan het tarief. Dat steeg in de kabinetten-Rutte van 30% naar 36%, om nog maar van de bevriezing of zeer bescheiden indexatie van de heffingsvrije voet te zwijgen.

Onder druk van de uitspraken van de Hoge Raad is de tegenbewijsregeling ingevoerd, die niet alleen veel vraagt van het doenvermogen van burgers, maar ook bijna 2.000 fte extra inzet vraagt van de Belastingdienst. Kortom, box 3 is een monstrum geworden. En in essentie erkent de regering dat ook. Immers, het voorliggende stelsel moet zo snel mogelijk worden doorontwikkeld naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo kunnen we lezen in het regeerakkoord. Ook de regering lijkt dus te erkennen dat belastingheffing bij realisatie, zoals dat in jargon heet, belangrijke voordelen kent. Mijn fractie kan die gedachte goed volgen. In reactie op schriftelijke vragen van onze fractie over de harde termijn van invoering van de volledige vermogenswinstbelasting blijven de antwoorden echter vaag en ontwijkend. Dat geeft mij het unheimische gevoel dat "tijdelijk", zoals met het huidige wetsvoorstel de bedoeling is, voor vermogensaanwasbelasting in de praktijk niet zo tijdelijk zal blijken. Of heeft de staatssecretaris inmiddels een geloofwaardig tijdpad voor de invoering van vermogenswinstbelasting dat hij met deze Kamer kan delen? Ik ben benieuwd.

Vindt de staatssecretaris de vermeende complexiteit voor de uitvoering van de vermogenswinstbelasting van een andere orde dan de invoering van de vermogensaanwasbelasting, waarbij de seinen qua uitvoerbaarheid ook al op rood staan? Oftewel, hoe valide is het argument van de uitvoerbaarheid om directe invoering van de vermogenswinstbelasting te blokkeren?

Dat brengt mij bij de kern van het huidige wetsvoorstel. Het lijkt simpel. Je betaalt belasting over de vermeende aanwas, overigens nog steeds tegen de vermaledijde 36% of mogelijk 35%. Onder politieke druk zijn inmiddels uitzonderingen voorzien voor start-ups en scale-ups, en wordt er nu toch bewogen richting een "carry back"-verrekening. Voor vastgoed wordt jaarlijks belasting geheven over het directe rendement. Bij leegstand gebeurt dat zelfs via een forfaitaire vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde. Bij verkoop volgt vervolgens nog een belasting over de gerealiseerde waardestijging. De eigenaar wordt tijdens de bezitstermijn dus al belast op basis van de waarde van het vastgoed en betaalt bij vervreemding opnieuw belasting over datzelfde vastgoed. Waarom acht de staatssecretaris deze opeenstapeling van heffingen rechtvaardig?

Feit is dat het voorliggende wetsvoorstel op onderdelen een verbetering vormt van de huidige box 3-heffing, maar dat maakt het voorstel in de ogen van mijn fractie niet opeens verteerbaar. Wat zeker niet helpt in de discussie, is dat budgettaire argumenten worden aangehaald om de vermogensaanwasvariant toch maar te accepteren. De regering zou inmiddels toch mogen inzien dat het vasthouden aan budgettaire wensen leidt tot een treinramp in slow motion? Let wel, de regering zou het voor de zuiverheid niet moeten hebben over daadwerkelijk geringe opbrengsten van 2,3 miljard, maar over minder structurele meeropbrengsten à 2,3 miljard, zoals voorzien in de vermogensaanwasvariant ten opzichte van het vasthouden aan het huidige basispad. Kan de staatssecretaris deze conclusie onderschrijven? Over mogelijke budgettaire derving gesproken: hoe zit het met de voorziene miljardencompensatie in de huidige tegenbewijsregeling box 3? Kan de staatssecretaris met deze Kamer delen of daar substantiële meevallers of tegenvallers te verwachten zijn?

Mevrouw de voorzitter. De discussie over het huidige wetsvoorstel zou mijns inziens veel meer moeten gaan over draagvlak en rechtvaardigheid, ook in internationaal perspectief. Het simpele feit dat een vermogensaanwasbelasting in de huidige vorm een internationaal novum is, is voor een enkeling wellicht de vervulling van een droom, maar de vele signalen dat bedrijven en internationale investeerders kopschuw worden om in Nederland te beleggen, kan mijn fractie niet negeren. Dat het signaal over het niet-competitieve investerings- en beleggingsklimaat in de EU nu zelfs van Eurocommissaris Hoekstra komt, zou de regering al helemaal moeten doen twijfelen of ze geen realistischer pad op moet gaan. Het zal ons namelijk allemaal midscheeps raken als het investeringsklimaat en de prikkel om risico te nemen verdwijnen. Ik vind het een kunstfout dat de regering in antwoord op onze vragen heeft nagelaten een impactanalyse te verrichten op het vestigingsklimaat in Nederland na invoering van een vermogensaanwasbelasting. Is de staatssecretaris daar alsnog toe bereid, vraag ik hem via u, mevrouw de voorzitter.

Bij de bestudering van de stukken viel het mijn fractie op dat veel aandacht uitgaat naar de juridische rechtvaardiging, naast de door de regering gewenste budgettaire effecten. De vraag die op de achtergrond niet lijkt te worden gesteld, is in hoeverre het morele domein in overeenstemming te brengen is met het juridische. Niet alleen is er een economische disconnect tussen werkelijkheid en opbrengsten in dit wetsvoorstel, er is ook een meer ethische kortsluiting. Is de rechtvaardigheid, het draagvlak, de houdbaarheid van ons fiscale stelsel inmiddels niet in het geding? Ik vrees dat het huidige wetsvoorstel, indien aangenomen, de belastingmoraal blijvend zal doen afnemen. Dat een belasting juridisch houdbaar is, betekent immers nog niet dat ze daarom ook op ethisch of politiek-filosofisch rechtvaardige gronden berust. Het feit dat een belasting aanzienlijke opbrengsten genereert, vormt op zichzelf namelijk geen overtuigende rechtvaardiging voor een belasting. Uiteindelijk moet belastingheffing niet alleen standhouden voor de rechter, maar ook kunnen rekenen op maatschappelijke en fiscale legitimiteit.

Juist daarin ligt naar het oordeel van mijn fractie de bijzondere verantwoordelijkheid van deze Kamer. De Eerste Kamer is immers niet uitsluitend geroepen om te beoordelen of een wetsvoorstel juridisch verdedigbaar is. Zij moet ook bezien of de gekozen uitgangspunten overtuigen en of de wetgever voldoende rekenschap heeft gegeven van de vraag waarom een bepaalde vorm van belastingheffing gerechtvaardigd is. Daarnaast spelen de uitvoerbaarheid, het doenvermogen van belastingplichtigen, de eenvoud van het nieuwe stelsel en het behalen van budgettaire opbrengsten een rol. Hier wreekt zich bovenal het dogmatisch willen vasthouden aan het uitgangspunt dat box 3-vraagstukken binnen box 3 moeten worden opgelost. Ik citeer hierin de Raad van State: "De regering hanteert bij het voorstel het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit. Dat wil zeggen dat het nieuwe box 3-stelsel in de periode 2027-2032 tot eenzelfde opbrengst moet leiden als het huidige stelsel zonder dat daarbij rekening is gehouden met de kosten van het rechtsherstel. Het strikt vasthouden aan dit uitgangspunt belemmert het maken van een zorgvuldige en integrale afweging tussen de verschillende belangen die aan de orde zijn bij de vormgeving van een nieuw box 3-stelsel. Daarbij moet volgens de Afdeling advisering rechtmatigheid vooropstaan."

Voorzitter. Belastingen zijn noodzakelijk voor het functioneren van de Staat. Dat staat voor mijn fractie niet ter discussie, maar juist omdat belastingheffing rechtstreeks ingrijpt in het eigendom van burgers, en bij het huidige wetsvoorstel zelfs op de beschikbare middelen van een burger, rust op de overheid een zware rechtvaardigingsplicht. Overigens hebben we het hier niet alleen over extreem rijken of zo, maar over een belasting op vermogen, bijvoorbeeld via beleggen of sparen, ten behoeve van het spreekwoordelijke appeltje voor de dorst of als oudedagsvoorziening. Onwillekeurig moet ik dan denken aan mijn moeder, die simpelweg door hard werken, eerlijk belasting betalen en het ontzeggen van vakantie of materieel genot uiteindelijk een tweede woning kon kopen, die thans verhuurd wordt en als aanvulling dient op haar AOW. Dat de overheid hier vervolgens een fors deel van claimt, doet iets met het rechtvaardigheidsgevoel van burgers. Juist dan past het dat de overheid de heffing moreel uitlegbaar vormgeeft. Naarmate belastingheffing verder af komt te staan van daadwerkelijk genoten inkomsten of gerealiseerde winst, wordt die rechtvaardigingsplicht namelijk groter. Dat is precies waarom mijn fractie moeite heeft met de keuze voor een vermogensaanwasbelasting die in dit wetsvoorstel wordt gemaakt.

Dat brengt mij bij mijn laatste vraag aan de staatssecretaris. Welke rechtvaardiging ligt ten grondslag aan belastingheffing over een vermogensgroei waarover een burger nog niet daadwerkelijk kan beschikken, oftewel over vermeend inkomen dat nog niet gerealiseerd is. Juist die uitleg mist mijn fractie tot op heden.

Voorzitter. Waarom wordt nu gekozen voor een stelsel waarin vermogensaanwasbelasting de hoofdregel wordt? Dat is geen technische vraag, maar een principiële. Hier rijst de onvermijdelijke vraag welke overweging uiteindelijk doorslaggevend is geweest. Is er gekozen voor vermogensaanwasbelasting omdat dit de meest rechtvaardige vorm van belastingheffing is of is er gekozen voor vermogensaanwasbelasting omdat deze systematiek in de eerste jaren aanzienlijk meer geld oplevert? Dat is geen academische discussie. De geschiedenis van box 3 laat immers zien hoe gevaarlijk het kan zijn wanneer een fiscaal stelsel gedurende langere tijd wordt verdedigd omdat het praktisch of budgettair aantrekkelijker is, terwijl de afstand tot de economische werkelijkheid steeds groter wordt. Juist daarin schuilt voor mijn fractie de belangrijkste waarschuwing uit het verleden. Het oude forfaitaire stelsel werd jarenlang verdedigd, terwijl steeds meer belastingplichtigen zich afvroegen waarom ze belasting moesten betalen over rendementen die zij nooit hadden behaald. Uiteindelijk werd niet alleen de juridische houdbaarheid, maar ook de maatschappelijke legitimiteit van het systeem uitgehold.

Mijn fractie vraagt zich af of de regering voldoende oog heeft voor het risico dat een vergelijkbare ontwikkeling zich opnieuw voordoet. Wil de regering thans daadwerkelijk dat de senaat instemt met een vermogensaanwasbelasting om deze na enkele jaren in te ruilen voor een vermogenswinstbelasting, en wil zij ons en de samenleving dus twee keer in korte tijd een grote stelselwijziging voorleggen? De positie van mijn fractie is helder: het antwoord is een simpel nee. Ik verzoek de staatssecretaris dan ook om dit hoogstongelukkige wetsvoorstel dat nu voorligt in te trekken, zodat we zo snel als mogelijk een rechtvaardigere, voor inflatie gecorrigeerde heffing op basis van gerealiseerde winsten of verliezen tegemoet kunnen zien. Ik zie uit naar de reactie van de regering.

Voorzitter, dank u wel.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het op zich een goed doordacht betoog, maar er ontbreekt een element. Het invoeren van de winstbelasting kost 22 miljard. Hoogleraren dachten in de hoorzitting nog dat dit 14 miljard was. Hoe gaat u die 14 miljard c.q. 22 miljard dekken? Ik denk dat uw moeder dan een hoger tarief moet gaan betalen, namelijk 42% of misschien wel meer. Zij zal vast behoedzaam beleggen, als ik u zo hoor.

De heer Baumgarten (JA21):

De vraag van de heer Crone is exemplarisch voor de vertroebeling in deze box 3-discussie. Ik probeer een betoog te houden waarin ik het heb over wat moreel uitlegbaar is en waarin ik me afvraag welk systeem het meest rechtvaardig is en appelleert aan het rechtvaardigheidsgevoel van burgers. Ik constateer dat de heer Crone insteekt op een budgettaire variant. Dat mag, maar dat is nadrukkelijk niet de insteek van mijn fractie.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Ik was juist positief over uw verhaal vanwege de rechtvaardigheidsdiscussie die u voert. Daar heb ik ook wat over gezegd. Maar als we 22 miljard nodig hebben, is het dan rechtvaardig dat we dat niet verhalen op de meest vermogenden? Zij hebben namelijk het voordeel van die nieuwe winstbelasting. Het moet dus komen van de lager vermogenden of van werkende mensen. Dat is ook een rechtvaardigheidsgrond. Er is geen gratis geld.

De heer Baumgarten (JA21):

Ik wil, met uw permissie, mevrouw de voorzitter, best even ingaan op de techniek. Voor zover mij bekend is die 22 miljard cumulatief over meerdere jaren. Dat is wat ik in de krant heb kunnen lezen. Het gaat om een combinatie van compensatie voor de tegenbewijsregeling en wellicht later geïnde inkomsten door de vermogenswinstbelasting. Als ik thuis minder binnenkrijg, dan heb ik met mijn echtgenote, die hartstikke lief is, het ingewikkelde gesprek: schat, wat gaan wij minder uitgeven? Dat is wat mij betreft de discussie die we dan met elkaar zouden moeten voeren.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Crone.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Dat is een eerlijk antwoord: u gaat dus niet elders belastingen verhogen, maar u gaat de 22 miljard binnenhalen door te bezuinigen. Dat moeten dan bezuinigingen zijn op zorg, onderwijs, huisvesting en defensie, want dat zijn de grote uitgavenposten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Apeldoorn van de SP.