Plenair Griffioen bij voortzetting behandeling Wet werkelijk rendement box 3



Verslag van de vergadering van 30 juni 2026 (2025/2026 nr. 37)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 17.20 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Griffioen i (D66):

Mevrouw de voorzitter, dank. We hebben vermogen in box 3 grotendeels belast op basis van het fictief rendement, totdat de Hoge Raad daar in 2024 een einde aan maakte. Als gevolg van dat vonnis hebben we nu de tegenbewijsregeling. In de brief van de Belastingdienst over de tegenbewijsregeling staat het volgende als het gaat om een opgave van de echte inkomsten in box 3: "Denk bijvoorbeeld aan rente op uw spaargeld, dividend, aandelen, een tweede woning of crypto's. Vul het formulier opgaaf rendement in en bereken uw werkelijke rendement. U vindt het formulier bij Mijn Belastingdienst. Of u laat uw belastingconsulent het formulier invullen."

Ik heb de afgelopen jaren leiding gegeven aan een kantoor dat heel veel aangiften heeft gedaan in het midden- en kleinbedrijf. De cliënten van dat kantoor hebben het kantoor benaderd om over 2021 die berekening voor de Belastingdienst te doen. Dan blijkt dat het helemaal niet zo eenvoudig is. Het is best heel ingewikkeld. Ik weet dat omdat ik inmiddels een aantal van die aangiften heb beoordeeld, met name op het punt of ze volledig en juist zijn. Mijn conclusie is dat niet ontkend kan worden dat de huidige tegenbewijsregeling veel van burgers vraagt en ook de Belastingdienst extra belast. De heer Holterhues vroeg hier zojuist ook al aandacht voor.

D66 wil naar een stelsel van eerlijk en evenwichtig belasten van vermogen; belasten naar draagkracht. Mensen die meer vermogen hebben, dragen wat meer bij en je betaalt alleen belasting over rendement dat je daadwerkelijk hebt behaald. Dat is een van de rode draden in eerdere bijdragen geweest.

Dan nog even terug naar de tegenbewijsregeling. Als gevolg van de tegenbewijsregeling kunnen mensen met een hoger werkelijk rendement dan het fictieve rendement er met ingang van 2021 voor kiezen hun aangifte niet te wijzigen, om zodoende te voorkomen dat zij meer belasting op basis van werkelijk rendement zouden moeten betalen. Deze keuze kan fiscale voordelen hebben voor mensen met een aanzienlijk vermogen. Dat is niet eerlijk ten opzichte van mensen die deze keuze niet hebben en doet geen recht aan belasten naar draagkracht. Daarom is het goed dat de regering nu met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is gekomen en ook in het coalitieakkoord heeft afgesproken dat het kabinet belasting op inkomen uit vermogen doorontwikkelt — toch maar weer dat woord — naar een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen.

Niet ontkend kan worden dat de huidige tegenbewijsregeling veel van de burgers vraagt en ook leidt tot extra werkdruk bij de Belastingdienst. De Wet werkelijk rendement box 3 maakt een einde aan de huidige tegenbewijsregeling en ook een einde aan de keuzevrijheid waarvan vermogende burgers gebruik kunnen maken om te kunnen kiezen voor een variant waarin zij minder belasting over vermogen in box 3 betalen. D66 onderschrijft deze ontwikkeling.

Voorzitter. Het belasten van vermogensaanwas is nadrukkelijk een tussenstap op weg naar het belasten van vermogenswinst. Uiteindelijk gaat het om het draagkrachtbeginsel en het streven naar rechtvaardigheid en rechtsgelijkheid in relatie tot het begrip "fiscale draagkracht". Volgens de hoogleraar R.P. van den Dool en B. Jacobs doet ook de vermogensaanwasbelasting recht aan dat draagkrachtbeginsel. Om maar in termen van het WK voetbal te blijven: we speelden nu de eerste helft. In de pauze komt de novelle. We spelen de tweede helft als alle facetten van de novelle helder zijn. Ik had er toen ik dit schreef geen rekening mee gehouden dat er ook nog een verlenging en strafschoppen zouden zijn, maar dat terzijde.

Mijn fractie waardeert dat het kabinet in de brief van 19 juni aan deze Kamer aangeeft de kritiek in de Tweede en Eerste Kamer en in de samenleving op het voorliggende wetsvoorstel duidelijk te hebben gehoord en nog met aanpassingen te komen.

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Ik probeer het betoog van de heer Griffioen goed te volgen. Hij heeft het over het draagkrachtbeginsel. Ik denk dat onze fracties daar allebei waarde aan hechten. Maar hoe zit het volgens de heer Griffioen en de D66-fractie met het draagkrachtbeginsel bij de vermogenswinstbelasting? In box 1 betalen mensen ieder jaar gewoon inkomstenbelasting, belasting over inkomen uit arbeid. Die kun je niet uitstellen, laat staan afstellen. Bij de vermogenswinstbelasting is het mogelijk om 10, 20, 30, 40 jaar geen belasting te betalen over je vermogensgroei. Dat kan uiteindelijk ook tot afstel leiden. De staatssecretaris schrijft in antwoord op onze vragen dat het nadeel van vermogenswinstbelasting is dat het leidt tot een lock-ineffect. Het geeft een fiscale prikkel tot uitstel en mogelijk tot afstel. Het kan ook leiden tot constructies die erop gericht zijn om geen belasting te betalen.

De voorzitter:

En de vraag is?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Die constructies zijn natuurlijk vooral aantrekkelijk voor vermogenden. Hoe zit het dan met het draagkrachtbeginsel bij de invoering van vermogenswinstbelasting ten opzichte van vermogensaanwasbelasting, ook vergeleken met hoe we inkomen uit arbeid belasten?

De heer Griffioen (D66):

Ons uitgangspunt is wel dat vermogenden naar draagkracht, mits redelijk, belasting zouden moeten betalen. We gaan er eigenlijk van uit dat ze dat misschien ook wel willen. Ik ben het met u eens dat ze dat misschien niet altijd willen en naar constructies zoeken. Maar het zou toch ook zo moeten zijn dat je, na een doorontwikkeling naar een vermogenswinstbelasting, dit soort gedragseffecten probeert tegen te gaan in de wet. Dat moet echt nog wel de aandacht krijgen. Het is ook niet zo dat iedereen 40 jaar geen belasting betaalt. Dat zullen misschien uitzonderingen zijn, maar dat is nooit de regel. Er zijn een heleboel mensen die bescheiden gespaard hebben en die, als ze niet meer werken en zouden moeten leven van een bescheiden AOW en daarbij een klein pensioen, toch af en toe even wat beleggingen moeten verkopen om in hun normale levensbehoefte te voorzien. Ik zie dus niet dat een heleboel mensen pas na 40 jaar belasting betalen.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Is dat niet ook deels het probleem? Ik onderken inderdaad dat een aantal mensen in box 3 wel een deel van de beleggingen zal moeten verkopen, bijvoorbeeld omdat men een bepaalde grote aankoop moet doen, er sprake is van een scheiding of omdat er een andere reden is waarom men liquide middelen nodig heeft. Maar het zullen juist de grote beleggers zijn voor wie dat niet nodig is en die eindeloos kunnen aanhouden en gebruik kunnen maken van die constructies. Dan leidt afstel wel degelijk tot afstel. Ondermijnt een vermogenswinstbelasting dan niet juist het draagkrachtbeginsel? Leidt het niet ook tot een ongelijkheid tussen verschillende soorten beleggers en groepen burgers?

De heer Griffioen (D66):

Ik ben het met u eens dat dat risico bestaat. Aan de andere kant is dat een beperkt risico, maar het is wel een zodanig risico dat we er wel heel goed over moeten nadenken hoe we dit grotendeels kunnen voorkomen. Dat zal echt nader uitgewerkt moeten worden. Dat ben ik op zich dus wel met u eens.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Van Apeldoorn.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Beluister ik de heer Griffioen dan goed en begrijp ik dat hij in principe voor een vermogenswinstbelasting is? Ik begrijp nog niet zo goed waarom. Ik neem aan omdat dat ook in het coalitieakkoord staat. Wij vragen dan wel aan het kabinet dat dat zodanig wordt vormgegeven dat het risico op dat soort uitstelgedrag, dat ook tot afstelgedrag leidt, zo veel mogelijk beperkt wordt. De D66-fractie in de senaat is dus niet zonder meer voor vermogenswinstbelasting. Dat is conditioneel. Dat moet zo geborgd worden dat dat soort onwenselijk gedrag zo veel mogelijk wordt teruggedrongen. Begrijp ik dat goed?

De heer Griffioen (D66):

Ja, die kant moeten we wel op.

De heer Kroon i (BBB):

Ik zat even te kauwen op uw beschrijving van uw ervaringen op het accountantskantoor. U stelt, en ik deel die zorg, dat de behandeling van de tegenbewijsregeling best een administratieve klus is, dat dat niet voor iedereen te doen is en dat het tot veel werk leidt. Daarover verschillen we niet van mening. Maar is het dan redelijk om een transitie te maken met een aanwasbelasting, waarbij we feitelijk opnieuw een nieuw stelsel krijgen, met alle aanloopproblemen van dien? En vervolgens wordt dat op termijn nog een keer vervangen door een vermogenswinstbelasting, waarbij we weer een transitie krijgen in het stelsel. Dus twee vragen: wat vindt u van een dubbele transitie? Is dat doelmatig? En twee: als accountant bent u ook bekend met de hoeveelheid informatie die in beide stelsels nodig is. Bent u het met ons eens dat de informatie die nodig is voor een vermogenswinstbelasting, veel lager is dan voor een vermogensaanwasbelasting?

De heer Griffioen (D66):

Het is inderdaad zo. We kwamen van een vonnis van de Hoge Raad. Vervolgens kwamen we met een soort tijdelijke tussenoplossing met een tegenbewijsregeling. Dat is best redelijk. Helaas is dat ingewikkeld, maar het is wel een redelijke manier om een stuk van dat probleem op te lossen. Een volgende fase is dan: hoe gaan we het vormgeven? Dat is dan de eerste tussenstap, deze conceptwet. De staatssecretaris noemde dat zelf een tussenstation. Dan krijgen we waarschijnlijk mogelijk nog een keer een werkelijkrendementwet. Dat is dan een volgend tussenstation. En misschien krijgen we — eerder in het debat is daar meerdere keren aan gerefereerd — ooit een keer in de toekomst een belastingstelsel waar we allemaal naartoe willen. We zitten dus echt in een tussenfase. Daar is heel veel kritiek op. We moeten daar op een goede manier uitkomen, maar we hebben allemaal wel het idee dat de belasting eerlijker verdeeld wordt tussen de mensen die in box 1 belasting betalen en de mensen die in box 2 en 3 belasting betalen, even los van de vraag of die boxen nog overeind blijven.

De heer Kroon (BBB):

Dank voor uw antwoord. U geeft een antwoord op wat wel of niet eerlijk is. Dat is een heel ander antwoord en een heel ander domein. Wat wel of niet eerlijk is, hangt ook een beetje af van aan welke kant van de streep je staat. Mijn vragen waren anders, namelijk of het wel doelmatig was om drie keer een transitie te doen. Mijn vragen gingen over de informatiedichtheid en het verschil bij een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting.

De heer Griffioen (D66):

De eerste vraag: het kan efficiënter als je minder tussenstations hebt of zelfs helemaal geen. Dat ben ik met u eens. Die keuze heeft de vorige regering, net zoals de huidige regering, niet gemaakt. Daarom hebben we nu een wetsvoorstel dat, als ik iedereen zo beluister, los van de percentages misschien voor twee derde deel af is en voor een derde deel nog verfijnd wordt met aanpassingen in de novelle. Eigenlijk staan we hier een beetje vroeg om dit in zijn volledigheid te beoordelen. Daarom zei ik net dat we eerst de helft moeten doen. Zowel aan de vermogensaanwasvariant als aan de werkelijkrendementvariant zitten voor- en nadelen. De eerste heeft het nadeel dat je belasting moet betalen over aanwas, terwijl je niet liquide bent. Daar is veel kritiek op. U begon zelf uw betoog met de uitspraak dat u duizenden mails heeft gekregen. Dat is heel herkenbaar. U weet ook dat in heel veel van dit soort mails deze inhoudelijke opmerking is gemaakt. De werkelijkrendementvariant heeft het risico dat je, zoals de heer Apeldoorn zei, belasting betalen gaat uitstellen. Het wordt dus nooit ideaal.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Kroon.

De heer Kroon (BBB):

Dan concludeer ik dat u het met mij eens bent dat het op deze manier geen doelmatig proces is. Dat is fijn. Twee: u refereert aan het uitstel. Mijn vraag ging over informatiedichtheid, maar goed. Bent u het met mij eens dat, zelfs als er sprake is van uitstel, de fiscus altijd, ook in box 2-situaties, een voorheffing doet in de vpb, afhankelijk van de omvang van het vermogen, van 19% dan wel 26,5% en dat de eindafrekening bij realisatie dan nog een keer komt? In het ene geval is dat uit mijn hoofd 26% en in het andere geval 31%. Totaal is de heffing op dit vermogen dus 43% en 57%. Dat is veel hoger dan in box 3. En dat mensen er dus ook voor kiezen om bereid te zijn meer belasting te betalen als zij hun vermogen langer kunnen laten renderen.

De heer Griffioen (D66):

Op zich ben ik het met u eens. Wat je natuurlijk ook kunt overwegen, is om die belastingtarieven gelijk te krijgen, zodat je niet het risico hebt dat je verschillende tarieven hebt. Maar zover zijn we nog lang niet. We hebben gewoon verschillende tarieven en dat maakt het dus heel ingewikkeld.

De heer Kroon (BBB):

Dus u bent ervoor om in box 2 de tarieven te verlagen naar het niveau van box 3? Hoor ik dat goed?

De heer Griffioen (D66):

Misschien andersom.

De voorzitter:

De heer Griffioen vervolgt zijn betoog. Wij komen hier vast nog op terug.

De heer Griffioen (D66):

D66 ziet dit debat als een mogelijkheid om met suggesties voor aanpassingen van het wetsvoorstel te komen, om die aan deze regering mee te geven. Daarmee heeft het kabinet de tijd om de budgettaire, inhoudelijke en uitvoeringstechnische gevolgen van deze aanpassingen te overwegen en in de novelle vast te leggen. Dat is precies ook wat in de brief van 19 juni staat. In de bijlage van die brief noemt de staatssecretaris zeven onderwerpen waar hij nog nader op terugkomt. Dat bedoelde ik ook toen ik zei dat we nog een heleboel dingen gaan krijgen en dat we op dit moment nog niet in staat zijn om in volle omvang over dit wetsvoorstel te oordelen.

Voorzitter. Dan toch enkele suggesties voor verbeterpunten voor de voorliggende wet. Ten eerste. De administratieve lasten voor burgers met meer dan alleen spaargeld in box 3 zijn aanzienlijk verzwaard in de huidige tegenbewijsregeling. Uitgangspunt is het doenvermogen van burgers. Uit de technische briefing over deze conceptwet bleek dat naar verwachting 40% van de belastingplichtigen met te betalen inkomstenbelasting op basis van box 3 niet in staat is zelf die aangifte samen te stellen en bij de Belastingdienst in te dienen. Deze burgers zullen dus professionele hulp moeten inroepen. Dat leidt voor burgers tot extra kosten en ook tot extra administratieve lasten. Uit de antwoorden van de staatssecretaris blijkt dat meer dan eens wordt verwezen naar het intensieve communicatietraject dat nog gaat komen, en naar de hulp bij het invullen van de aangifte via de BelastingTelefoon en de balies van de belastingkantoren en steunpunten.

Voorzitter. Het is goed dat deze hulp beschikbaar komt. Maar mijn fractie verwacht niet dat dit voor veel burgers voldoende is. D66 vindt dat veel meer dan 60% van de burgers zelf hun aangifte zou moeten kunnen doen. Welke mogelijkheden voor verbeteringen en vereenvoudigingen ziet de staatssecretaris?

Voorzitter. De mogelijkheid van kostenaftrek bij vakantiehuizen leidt tot het risico dat eigenaren investeringsfacturen en verduurzamingsfacturen in de financiële administratie van het vakantiehuis zullen verantwoorden als onderhoudskosten. Alleen al als degene die de werkzaamheden uitvoert het niet zo nauw zou nemen met de omschrijving van de werkzaamheden als de huiseigenaar daarom zou vragen. De D66-fractie is van mening dat de wetgever de mogelijkheid zou moeten uitsluiten om belastingplichtigen op dit idee te brengen. Graag willen wij de staatssecretaris de suggestie meegeven om met een oplossing te komen waarbij kostenaftrek niet mogelijk is. Daar zou dan tegenover moeten staan dat de belastingdruk lager wordt voor dat tweede huis. Daarmee kunnen ook de administratieve lasten voor burgers afnemen en zal dit van de Belastingdienst minder behandelcapaciteit vragen. Graag een reactie van de staatssecretaris.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Ik snap dat punt. Het is administratief ook ingewikkeld. Maar de belastingdruk voor het tweede huis is al laag, want er wordt gekozen voor een forfait dat voor de waarde van de laagste 10% van de huizen geldt voor tweede huizen. Dat zijn dus al de goedkoopste huizen. Negentig procent van de huizen is meer waard en zou eigenlijk een hoger forfait moeten hebben. Dus dat gaat wel twee kanten op. Dan gaat u én die kostenaftrek afschaffen én u wilt ook nog een lager tarief. Dan zit je heel ver af van de waarde van het huis. Dus ja, dat is juridisch, denk ik, niet goed uit te leggen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

De vraag is of het klopt dat dit niet goed juridisch is uit te leggen. Dat is juist het punt. Terecht wil de collega alles goed uitlegbaar hebben.

De heer Griffioen (D66):

Het zou misschien ook tot een vereenvoudiging kunnen leiden. Die kostenaftrek leidt tot een lager rendement. Dat lagere rendement leidt tot minder belasting betalen. Als je die mogelijkheid dus niet geeft, dus de belastingplichtige niet de mogelijkheid geeft om kosten af te trekken, zou je misschien dat kunnen compenseren, of deels kunnen compenseren, door iets aan dat tarief te doen, zodat je ongeveer gelijk uitkomt, maar dit probleem uitsluit. En je voorkomt ook, met name, dat iedereen die een tweede huis heeft een map moet gaan aanleggen met alle kosten. Dat is best heel ingewikkeld. Wat is nou onderhoud? Wat is verduurzaming? Wat is vernieuwing? Daar ga je discussies over krijgen. Collega Holterhues heeft het ook al gezegd: we verwachten heel veel procedures op dit punt. Ik denk dat dat reëel is. Het zou best een heel mooi onderwerp kunnen zijn om eens even over na te denken: hoe je dit op een simpele manier zou kunnen vereenvoudigen en daarmee een aantal andere problemen die hier mogelijk aan kleven kunt voorkomen. Het is maar een suggestie.

Voorzitter. Ten derde. Zoals zo vaak bij nieuwe wetten wordt het weer complexer, terwijl het een langgekoesterde en breed gedeelde wens van beide Kamers is om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Voor de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst zijn zeker 800 mensen nodig, inclusief waarderingsspecialisten. Dat is dus heel ingewikkeld. Ook heel belangrijk is dat daardoor bij de Belastingdienst minder mensen beschikbaar zijn voor controle. Dat vindt D66 eigenlijk een verkeerde ontwikkeling. Gaarne ook daarop een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter. Belastingheffing op basis van een vermogenswinstbelasting leidt ten opzichte van het huidige belastingstelsel én ten opzichte van de als tijdelijk bedoelde Wet werkelijk rendement box 3, met een jaarlijkse heffing over de waardeontwikkeling bij een vermogensaanwasbelasting, tot een eerlijkere belastingheffing. Volgens de staatssecretaris is dit een tussenstation, met een doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting. Je wil zo snel mogelijk weg van dat tussenstation. Je wil naar het eindstation. Wat wij dus willen meegeven: probeer heel snel daarnaar door te ontwikkelen.

Dan toch de volgende vragen aan de regering. Hoelang duurt de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting nadat de voorliggende wet door deze Kamer zou zijn aangenomen? Dezelfde vraag indien deze wet niet door deze Kamer zou worden aangenomen. Vorige week hebben de ambtenaren van het ministerie van Financiën in een ambtelijk advies aangegeven dat het uitvoeringstechnisch niet mogelijk is eerder dan in 2032 een volledige vermogenswinstbelasting voor box 3 in te voeren. Zeer relevant is de vraag aan de staatssecretaris welk ingangsjaar voor een volledige vermogenswinstbelasting op zijn vroegst en met zekerheid haalbaar is. Mevrouw Van der Linden van de VVD refereerde daar met een horizonbepaling ook al aan. Ik denk dat dit een cruciale vraag is voor deze Kamer. Waar kunnen we uiteindelijk op rekenen? We verzoeken u om daar een eerlijk antwoord op te geven, waar we ook echt iets mee kunnen. Ik denk dat dit cruciaal is.

Voorzitter, tot slot. Zoals wel vaker gebeurt in Den Haag met ongemakkelijke problemen: ze worden doorgeschoven. Het arrest van de Hoge Raad in 2024 veroorzaakte een ongemakkelijk probleem. Aan het belasten van vermogen in box 3 op basis van fictief rendement kwam een einde. Dat veroorzaakte een dekkingsprobleem. Een hersteloperatie was noodzakelijk. Die leidde tot de tegenbewijsregeling. Nu ligt een conceptwet voor die deels uitgaat van het belasten van vermogensaanwas. Die wordt door de regering gezien als een tussenstation.

Voorzitter. D66 wil naar een stelsel van het eerlijk en evenwichtig belasten van arbeid en vermogen, met belasten naar draagkracht, waarbij de mensen het gevoel hebben dat arbeid loont en dat méér werken méér loont. Wij willen dat bestuurders en ondernemingen de belastingdruk als redelijk ervaren en in lijn met concurrerende landen in Europa, en ook dat rijke mensen wat meer belasting gaan betalen, mits redelijk, waarbij de sterkste schouders wat meer lasten gaan dragen. D66 gaat ervan uit dat dit uiteindelijk kan, zij het niet op heel korte termijn.

Wij kijken met belangstelling uit naar de beantwoording door de staatssecretaris. Voorzitter, dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van den Oetelaar van Forum voor Democratie.