Verslag van de vergadering van 6 juli 2026 (2025/2026 nr. 38)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.32 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Vooropgesteld: als PVV-Eerste Kamerfractie hebben wij, zolang we in deze Kamer vertegenwoordigd zijn, zeer terughoudend gebruikgemaakt van de financiële regeling. Jaar op jaar hebben wij zelfs het grootste deel van het fractiebudget teruggestort. Met middelen van onze belastingbetalende burger moeten we zorgvuldig en spaarzaam omgaan en we moeten zeker niet meer gebruiken dan nodig is. De PVV-fractie is dan ook nooit voorstander geweest van het steeds verder verhogen van fractiebudgetten.
Daar zit ook een andere principiële afweging achter. Als PVV zijn we van mening dat de Eerste Kamer afgeschaft moet worden. Dan moet je niet het instituut nog groter en gewichtiger maken door budgetten te verhogen en nog meer personele ondersteuning in te zetten. Integendeel, niet voor niets heb ik in 2020, bij het debat over het rapport van de staatscommissie parlementair stelsel, de commissie-Remkes, een motie ingediend om de Eerste Kamer daadwerkelijk af te schaffen. Die motie kreeg op dat moment helaas onvoldoende steun. Desalniettemin moeten we als Eerste Kamer scherp blijven kijken naar onze taakopvatting en rolvastheid. Populair gezegd moeten we vooral niet Tweede Kamertje gaan spelen. Dit is wat vele senatoren, van links tot rechts, in dit huis vaak zeggen. We horen ze het althans met de mond belijden. In de praktijk heeft deze Eerste Kamer maar al te vaak de neiging om op de stoel van de Tweede Kamer te gaan zitten, niet alleen door bepaalde discussies nog eens dunnetjes over te doen, maar ook door amenderende moties in te dienen en door andere acties om toch het politieke initiatief naar zich toe te trekken, terwijl het primaat daarvan bij de Tweede Kamer ligt, als direct gekozen volksvertegenwoordiging.
Ook het budgetrecht van de Tweede Kamer wordt door deze Eerste Kamer steeds verder onder druk gezet door bepaalde eisen te stellen rond begrotingsvoorstellen. Het aantal begrotingsdebatten en beleidsdebatten is in de Eerste Kamer de laatste jaren steeds verder toegenomen. Met steeds grotere budgetten en steeds meer personele ondersteuning van de fracties wordt dit Tweede Kamertje spelen steeds verder in de hand gewerkt. Sterker nog, de financiële regeling van de Tweede Kamer is als voorbeeld genomen voor het voorliggende voorstel. Wat de PVV-fractie betreft schieten we daarin door en zouden we ons moeten beperken tot een veel bescheidener rol van de Eerste Kamer. Sommige fracties in dit huis zijn echte rupsjes-nooit-genoeg en altijd ijverig op zoek naar nog meer financiële middelen om binnen te halen voor hun fracties en om steeds meer personeel in te zetten. Ook al is het basisbedrag voor afgesplitste fracties beperkt, het is in beginsel dusdanig royaal dat er nog altijd sprake is van een beloning voor afsplitsers. Kortom, het steeds meer beschikbaar stellen van middelen heeft dus niet alleen de positieve effecten waar de indieners prat op gaan.
Dan over de regeling zelf. Een regeling voor fractieondersteuning op bescheiden schaal vinden wij geen bezwaar. De huidige bedragen met de vaste voet zijn, zoals gezegd, aan de forse kant. Die zouden wat ons betreft wel wat minder mogen worden. Als uitgangspunt is het mogen aanhouden van een reserve in principe geen probleem. Het voorstel voor een reserve van 100% van de jaarlijkse bijdrage is echter absurd en staat niet in verhouding tot wat redelijk is ten aanzien van het fractiefunctioneren. Kijkend naar wat landelijk te doen gebruikelijk is, is 30% een keurige omvang. Dat willen we dan ook voorstellen. Hiertoe dienen we een amendement op artikel 6 in.
Fracties hebben het recht op een bijdrage, maar de voorstellers gaven er in hun beantwoording blijk van dat de bijdrage automatisch wordt toegekend. Dat geeft onvoldoende ruimte aan de mogelijkheid om niet van het recht op een bijdrage gebruik te maken. Daar kan een fractie goede en principiële redenen voor hebben. Die ruimte moet ook altijd geboden kunnen worden. De verplichting van een stichting is op zichzelf geen gek idee, maar maak daar dan een verplichting van voor alle fracties die graag een fractiebijdrage willen ontvangen en niet enkel als men een reserve wil opbouwen. Een stichting die in elk geval als een van de doelstellingen heeft om de ondersteuningsbijdrage van de EK-fractie te beheren is voldoende. In dit kader dienen we een amendement op artikel 3 in.
De voorzitter:
Meneer Van Hattem, de amendementen die u nu inbrengt, moet u schriftelijk indienen, zodat wij ze ook kunnen verspreiden. U kunt de strekking van het amendement zeker hier inbrengen, maar graag ook schriftelijk de amendementen met ons delen.
De heer Van Hattem (PVV):
Zeker, voorzitter. Ik heb de amendementen inmiddels al schriftelijk doen toekomen aan de Griffier. Ik zal zo meteen op het eind van mijn betoog nog een korte toelichting op de amendementen voorlezen. Ik ga verder. Mijn tijd liep ook door.
De huidige formuleringen en bepalingen zien overigens enkel op de instelling van een stichting als een fractie ontstaat. Voorstellers willen blijkens de beantwoording op vragen ook tussentijds de oprichting van een stichting mogelijk maken, maar dat blijkt dus niet uit de regeling. Ik citeer: "Elke fractie die een egalisatiereserve wil opbouwen als bedoeld in artikel 6, richt onverwijld na haar ontstaan een stichting op. De fractie draagt er zorg voor dat de bij haar behorende stichting deze regeling naleeft." Kunnen de indieners aangeven hoe dit "onverwijld na haar ontstaan" zich verhoudt tot de reeds bestaande fracties?
Door de nieuwe regeling zullen fracties met een stichting volgens de voorstellers niet meer hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dat is onwenselijk. Wat de PVV betreft moet het altijd de fractie zijn die verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de fractiemiddelen. Kunnen de indieners nader reflecteren op de risico's van deze constructie?
Belachelijk en veel te ver doorgeslagen is het voorstel om voorgeschreven modelstatuten te verplichten en zelfs schriftelijke goedkeuring van deze statuten te verplichten. Ik citeer: "De statuten van de stichting, zoals op te nemen in de akte van oprichting, evenals iedere daaropvolgende wijziging van de statuten van de stichting, behoeven de voorgaande schriftelijke goedkeuring van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters, het CVO." De voorstellers ontkennen in hun beantwoording dat hier sprake van is, zoals te lezen is in de tweede nota onder vraag 3.e. Ik citeer: "Van een verplichte keuring is volgens de voorstellers geen sprake." Beseffen de indieners zelf wel wat ze op papier hebben gezet? Graag een reactie.
Zeker gezien de voorgestelde inhoud van de modelstatuten is die bemoeienis echt onzin. Deze verplichtingen schieten ook vaak totaal hun doel voorbij. Dit heeft immers niets te maken met de rechtmatige besteding van middelen en het door de fractie correct toepassen van de regeling. Dit is niet proportioneel en niet subsidiair. Daarom dienen we een amendement in op artikel 3.
De voorgeschreven modelstatuten bevatten allerlei passages die niets met de fractiebijdragen of de regeling te maken hebben, bijvoorbeeld bepalingen over giften of verkrijging uit nalatenschap. Het is onacceptabel dat voorstellers dit allemaal willen bepalen en het ook nog normaal vinden dat het CVO zich hiermee moet gaan bemoeien. Bovendien blijft het vreemd dat de voorstellers dit per se bij het CVO willen beleggen. Zij stellen immers zelf dat er "toezicht en controle bestaat vanuit het instituut dat de regeling heeft vastgesteld". Deze regeling is niet door het CVO vastgesteld en dat hoort dus ook geen toezicht en controle uit te oefenen. Dan is het logischer om deze rol door het Cvf, het College van fractievoorzitters, in te laten vullen, waar deze regeling immers ook is voorgesteld en waar alle fractievoorzitters in gezamenlijkheid vanuit de hele Kamer betrokken zijn. In dit kader dienen we een amendement in.
De regeling voorziet in bepalingen over nog maandenlang hogere bijdragen ontvangen als het zetelaantal daalt. Deze bepalingen dienen te worden geschrapt. Voor iedereen gelden dezelfde regels en het recht op een bijdrage hangt een-op-een samen met het aantal zetels en het moment waarop dat aantal al dan niet wijzigt. Wij dienen daarom een amendement in op de artikelen 7 en 10.
De PVV had nog legio amendementen kunnen indienen op de modelstatuten. Echter, ten principale vinden wij dat er geen sprake kan zijn van het verplicht voorschrijven of verplicht goedkeuren van statuten en daarom laten we die tekst voor wat het is. In elk geval willen we voor de Handelingen vermelden dat we het absurd vinden dat modelstatuten voorzien in vacatiegeld voor bestuurders indien zij geen fractielid zijn en de verplichting dat het volledige bestuur uit fractieleden bestaat, terwijl er voor eenmansfracties wel een uitzondering kan worden gemaakt. De voorstellers hanteren zo geen consequente lijn ten aanzien van het verplichte fractielidmaatschap.
Het verplicht schriftelijk goedkeuren door het CVO staat wat de PVV betreft op gespannen voet met het recht van vereniging. Ook het feit dat voorstellers willen dat fractieleden verplicht in het bestuur zitten, wringt met dit grondrecht.
Tot slot over de niet-gebruikte middelen uit 2024 die nu, wat de voorstellers betreft, alsnog moeten worden toegekend, terwijl fracties in 2024 hun bijdrage niet geheel hebben gebruikt. Dit gaat in totaal om €613.000. Dat is een stevig bedrag, waarvan wordt voorgesteld het vanuit de lopende begroting beschikbaar te stellen, of met een eenmalige claim bij de Najaarsnota 2026. Dat zou betekenen dat de belastingbetaler hiervoor de rekening gepresenteerd krijgt, terwijl er op alle fronten tekorten zijn in onze samenleving. Wat de PVV betreft is het niet nodig om dit te spenderen aan Eerste Kamerfracties. Onze bezwaren blijken voorts uit de meer dan 100 vragen die wij hebben ingediend en waar de voorstellers zeer ontoereikend op hebben geantwoord. Voor onze afweging over deze regeling zijn de ingediende amendement in ieder geval essentieel.
Tot zover mijn spreektekst in eerste termijn. Dan ga ik nu nog even naar de amendementen. Zoals gezegd zal ik ze niet helemaal voorlezen. Bij het eerste amendement geef ik alleen een korte toelichting op artikel 6. De toelichting is dat middelen aan een fractie dienen te worden toegekend en niet aan een stichting. Het is te allen tijde de fractie die verantwoordelijk is voor de rechtmatige besteding van toegekende ondersteuningsbijdragen. Met een maximale toegestane omvang van de reserve van 30% wordt meer recht gedaan aan wat gebruikelijk is in den lande. Zie hiervoor het tweede verslag.
Het volgende amendement gaat over artikel 3, met daarbij de volgende toelichting: "Met deze wijziging wordt de fractiebijdrage een recht in plaats van een automatisme. Wie geen gebruikmaakt van dit recht, zou immers ook geen bijdrage hoeven te ontvangen en dus ook geen verantwoording hoeven in te dienen."
Dan ga ik naar het amendement op artikel 7 en artikel 10. Daarvan luidt de toelichting: "Het recht op bijdrage dient recht evenredig samen te gaan met de omvang van een fractie. Een lager zetelaantal dient geen reden te zijn om nog maandenlang door te gaan met een bijdrage gebaseerd op een hoger zetelaantal. Deze bepaling is immers om meerdere redenen niet houdbaar. Voor verliezende, blijvende fracties gelden andere regels dan voor fracties die verdwijnen, terwijl deze regels hetzelfde zouden moeten zijn. Ingeval van afsplitsingen of splitsingen worden de regels consequent toegepast per datum van de betreffende gebeurtenis. Dan moet dit in het geval van verkiezingen ook zo zijn. Artikel 7, lid 3 betreft bepalingen over vermogensbestanddelen. De regeling kan enkel zien op de reserve die is opgebouwd op grond van de fractieondersteuning. Artikel 10 bepaalt onder meer de verplichting om de stichting op te heffen. Het al dan niet opheffen van een stichting is aan het bestuur, niet aan het CVO. Enkel over de afwikkeling van eventuele verplichtingen alsmede de terugbetaling van de overgebleven reserve zijn bepalingen relevant."
Dan heb ik het amendement op artikel 4 met als toelichting: "Met dit amendement wordt een meer concrete formulering voor de middeleninzet gegeven. Bij lid 4 wordt een bepaling over de inkoopregelingen geschrapt. Voorstellers hebben niet duidelijk kunnen maken om welke regelingen het zou gaan. Om die reden is onvoldoende duidelijk wat deze bepaling toevoegt. Het zou niet het CVO, maar het Cvf moeten zijn dat in gezamenlijkheid bepaalt of uitgaven waarover twijfel bestaat, aanvaardbaar zijn."
En tot slot het amendement op artikel 2 met als toelichting: "Omdat de bestaande bepalingen over de verplichte schriftelijke goedkeuring van statuten door het CVO niet-proportioneel en niet-subsidiair zijn ten aanzien van de doelstelling om te waarborgen dat er sprake is van naleving van de regeling over rechtmatige besteding van de middelen, wordt deze vereenvoudiging voorgesteld. Het oprichten van een stichting wordt gekoppeld aan het recht op fractiemiddelen en niet aan de wens om een reserve aan te houden. Hiermee worden de regels ten aanzien van fractiebijdragen gelijker voor alle fracties die graag middelen ontvangen." De bepaling dat de fractie ervoor zorgdraagt dat de stichting geen conflicterende doelen nastreeft, bevat alle waarborg die nodig is en laat bovendien de verantwoordelijkheid voor de middelen waar zij thuishoort, namelijk bij de fractie.
Voorzitter, tot zover in eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de SP.