Plenair Ramsodit bij behandeling Wet meer zekerheid flexwerkers



Verslag van de vergadering van 7 juli 2026 (2025/2026 nr. 39)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 9.01 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Op de arbeidsmarkt komen twee belangen samen die met elkaar kunnen schuren. Werkgevers hebben ruimte nodig om arbeid flexibel te organiseren. Zij moeten kunnen inspelen op seizoenen, pieken in de vraag, tijdelijke werkzaamheden en economische veranderingen. Tegelijkertijd hebben werkenden voldoende zekerheid nodig: over werk, over inkomen en over arbeidsvoorwaarden. Werkenden hebben recht op die zekerheid. De vraag is dus niet of flexibiliteit nodig is, de vraag is waar de grens ligt. Die grens wordt niet alleen bepaald in de verhouding tussen werkgever en werknemer, individueel en collectief. Het is ook een vraag voor de wetgever: welke wettelijke kaders vereist het organiseren, het flexibel organiseren van arbeid? Die vraag is relevant, omdat flexibiliteit onzekerheid meebrengt. Anders gezegd: welke begrenzing is nodig om zekerheid en wendbaarheid in balans te brengen?

De cijfers laten zien waarom dit wetsvoorstel nodig is. Volgens het CBS telde Nederland in het eerste kwartaal van 2026 ongeveer 5,6 miljoen werknemers met een vast contract. Daartegenover stonden 2,7 miljoen flexwerkers en 1,1 miljoen zzp'ers. Dat betekent dat ongeveer vier op de tien werkenden flexwerker of zelfstandige zijn. Europees gezien was en blijft Nederland koploper in flexibele arbeid. In 2025 lag het aandeel tijdelijk werkenden in de Europese Unie gemiddeld rond de 20%. In Nederland was dat 34%. Daarmee stond Nederland als het gaat om het bieden van zekerheid aan werkenden onderaan, als hekkensluiter, gevolgd door Polen en Griekenland.

De memorie van toelichting onderbouwt helder waarom meer zekerheid nodig is. Onder verwijzing naar onder meer de WRR, de SER, het CPB en de commissie-Borstlap wordt uiteengezet dat flexibele werkers gemiddeld vaker te maken hebben met ...

Ik zie dat er een vraag is. Zal ik eerst mijn zin even afmaken? Ze hebben vaker te maken met inkomensonzekerheid, minder voorspelbare werktijden, minder scholingsmogelijkheden, lagere pensioensopbouw en een groter risico op werkloosheid en armoede.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Petersen.

De heer Petersen i (VVD):

Ik hoor mevrouw Ramsodit de percentages van flexwerkers noemen en zij trekt een beetje een vies gezicht bij het feit dat we in Nederland een fors aantal flexwerkers hebben. Heeft mevrouw Ramsodit inzicht in hoeveel procent van de flexwerkers vrijwillig flexwerker is, dus daarvoor gekozen heeft, en hoeveel procent uit noodzaak?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het wel interessant dat u mijn gezicht leest, daar wil ik u mee complimenteren. Ik weet alleen niet of de inschatting wel klopte. Ik denk dat die vrijwilligheid, als je het hebt over laagbetaalde arbeid waar flexibiliteit speelt, ter discussie kan worden gesteld. Ik kan u niet direct cijfers presenteren. Dat is wellicht een vraag die u straks aan de minister kunt stellen, maar ik denk echt dat die laagbetaalde arbeid substantieel misbruik met zich meebrengt als risico. Geeft dat voldoende antwoord op uw vraag?

De voorzitter:

Meneer Petersen, geen vervolgvraag? Mevrouw Ramsodit vervolgt haar betoog.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik zal proberen een smiley extra te doen om "dat vieze gezicht" ... Waar die interpretatie vandaan komt, is boeiend; we hebben het er nog wel over bij een kop koffie. Maar even verder met mijn betoog. De Stichting van de Arbeid heeft de Eerste Kamer vorige week nogmaals laten weten dat zij de wet steunt. Dat is relevant, omdat de stichting het overlegorgaan is van centrale werkgevers en werknemersorganisaties: VNO-NCW, MKB-Nederland, LTO Nederland, FNV, CNV en de Vakcentrale voor Professionals. De noodzaak is dus helder, vanuit de cijfers, vanuit Europees perspectief, vanuit de mvt en vanuit de sociale partners.

Deze noodzaak is al enkele jaren in beeld. Zes jaar geleden concludeerde de commissie-Borstlap dat de flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt te ver was doorgeschoten. In 2021 onderschreef de SER die analyse in het middellangetermijnadvies. Werkgevers en werknemers riepen toen gezamenlijk op de balans tussen vast en flex te herstellen. De vervolgstappen hebben lang op zich doen wachten. Met dit wetsvoorstel wordt nu een eerste belangrijke stap gezet. Een belangrijke stap, want voor mensen betekent onzeker werk vaak onzekerheid thuis, aan de keukentafel, over de huur, over de hypotheek, over vaste lasten, over de combinatie van werk en zorg, en onzekerheid over grip op het eigen bestaan.

Meer zekerheid voor flexwerkers is daarom niet alleen arbeidsmarktbeleid. Het is ook bestaanszekerheidsbeleid. Tegelijkertijd blijft flexibiliteit een functie vervullen. Werkgevers moeten kunnen inspelen op wisselende omstandigheden. Die ruimte blijft met dit wetsvoorstel bestaan, maar die ruimte vraagt om begrenzing. Wanneer structureel werk langdurig via flexibele arbeidsrelaties wordt georganiseerd, verschuiven risico's naar werkenden en via een groter beroep op sociale zekerheid en collectieve voorzieningen deels ook naar onze samenleving. Daarom is het proportioneel dat de wet grenzen stelt aan flexibele arbeid.

Om de balans tussen flexibele en vaste arbeid te herstellen, is voor onze fractie één onderdeel van bijzonder belang: de norm van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden tussen flexwerkers en vaste medewerkers. Daarbij staat voor ons één vraag centraal: biedt deze gelijkwaardigheidsnorm voldoende rechtszekerheid en voorspelbaarheid om werknemers daadwerkelijk de bescherming te geven die de wetgever beoogt? Vanuit die vraag hebben we drie aandachtspunten.

Ten eerste de norm zelf. De regering kiest niet voor gelijke arbeidsvoorwaarden, maar voor een gelijkwaardig totaalpakket voor flexwerkers ten opzichte van vaste werknemers als er een cao is. Dit vereist dat helder moet zijn wat "gelijkwaardig" betekent. Mijn eerste vraag is daarom: kan de minister toelichten welke objectieve criteria bepalen of een arbeidsvoorwaardenpakket daadwerkelijk gelijkwaardig is, welke arbeidsvoorwaarden tegen elkaar kunnen worden uitgeruild en welke onderdelen volgens de minister horen tot de kern van de bescherming en zich dus niet, of slechts zeer beperkt, lenen voor uitruil of compensatie?

Voorzitter. De rol van cao-partijen is hierbij belangrijk. De wetgever legt een belangrijk deel van de invulling van deze norm van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden neer bij de sociale partners. Dan is de onafhankelijkheid van werknemersorganisaties van groot belang. In de Kamerbrief van 15 oktober 2025 is gesteld dat het ontbreken van wettelijke regels over de onafhankelijkheid van vakbonden kwetsbaar kan zijn. Artikel 2 van het ILO-verdrag 98 is op dit moment niet wettelijk verankerd en dat is een hiaat voor het invullen van die gelijkwaardigheidsnorm door sociale partners. Mijn tweede vraag is daarom: hoe waarborgt de regering dat cao-afspraken over gelijke arbeidsvoorwaarden tot stand komen met werknemersorganisaties die voldoen aan de eisen van onafhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 2 van het ILO-verdrag? Welke toezegging — ik kijk u even aan, minister — kunt u hierover doen, gezien de motie die in deze Kamer hierover is aangenomen op 14 januari 2026, bij de behandeling van de richtlijn minimumloon?

Ik kom nu bij het tweede aandachtspunt: rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Een norm moet niet alleen inhoudelijk juist zijn, maar moet vooraf voldoende voorspelbaar zijn. Werkgevers moeten weten wanneer ze aan de wet voldoen, werknemers moeten weten waarop ze aanspraak kunnen maken en cao-partijen moet weten binnen welke kaders ze afspraken kunnen maken. In het debat in de Tweede Kamer is aan bod gekomen en erkend …

De voorzitter:

U stopt al. Er is een interruptie van mevrouw Bezaan.

Mevrouw Bezaan i (PVV):

Ik zou graag het volgende willen vragen. De Raad van State verwacht van deze wet eigenlijk niet meer dan beperkte effecten. Waarop baseert u dat deze wet voor flexwerkers wél de doorbraak gaat worden?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dat een hele interessante vraag. Deze wet biedt op dit moment de meeste hoop en is daarom belangrijk. Ik snap uw vraag, omdat het effect van de wet ook afhangt van de kwaliteit van het wettelijk kader; dat zal ik straks ook in mijn bijdrage toelichten. Juist daarover heb ik vragen, want ik zie dat punten als het invullen van wat nu "gelijkwaardig" betekent en de onafhankelijke werknemersorganisatie die de cao regelt, nog niet geregeld zijn. Ik herken dus uw vraag, maar ik vind het wel de eerste belangrijke stap in de goede richting, en een essentiële stap, want zonder komen we niet verder.

Mevrouw Bezaan (PVV):

Welk meetbaar resultaat zou er volgens u dan over drie jaar moeten liggen om achteraf uw steun te rechtvaardigen?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat het resultaat zou moeten zijn dat er meer zekerheid is voor flexwerkers, dat de bedrijfsrisico's die er zijn als je onderneemt, niet worden afgewenteld op flexwerkers, en dat ook de toegang tot de arbeidsmarkt niet moet worden belemmerd door deze wetgeving. Dat vind ik ook belangrijk. Ik weet niet of u dit herkent? Wij mogen hier geen dialoog hebben, hè. Dat is jammer.

De voorzitter:

Exact, dus u mag uw betoog vervolgen.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik heb uw regels net goed gehoord! Ik pik de draad weer even op. In het debat in de Tweede Kamer is aan bod gekomen en erkend dat juist over gelijke arbeidsvoorwaarden interpretatieverschillen kunnen ontstaan. Dat brengt mij bij mijn derde vraag. Wie stelt uiteindelijk vast dat een arbeidsvoorwaardenpakket niet gelijkwaardig is? In hoeverre wordt die beoordeling afhankelijk van procedures bij de rechter? Hoe voorkomt de minister dat flexwerkers hun rechten in de praktijk niet kunnen effecturen, omdat procederen voor hen een te hoge drempel is?

Het derde aandachtspunt is niet de monitoring, maar de signalering. Juist omdat de wet kiest voor een open norm voor gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden, wordt signalering cruciaal. Mijn vierde vraag is daarom: hoe wordt de signalering ingericht? Hoe worden signalen verzameld en welke indicatoren worden gebruikt om vast te stellen of een arbeidsvoorwaardenpakket gelijkwaardig is? Is er een meldpunt waar werknemers, vakbonden of andere partijen hun signalen kunnen neerleggen? De regering kan bij algemene maatregel van bestuur arbeidsvoorwaarden aanwijzen waarvan niet kan worden afgeweken als het gaat om gelijke beloning. Wij zijn heel, heel, heel nieuwsgierig naar het antwoord van de minister ten aanzien van de signalen of uitkomsten die voor hem aanleiding zijn om te concluderen dat de toepassing van de norm gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden deze nadere inkadering bij AMvB vereist.

Voorzitter. Naast de aandachtspunten ten aanzien van de gelijkwaardigheidsnorm wil ik ingaan op de samenhang van dit wetsvoorstel met andere arbeidsmarkthervormingen. Deze wet mag niet leiden tot nieuwe ontduik- of ontwijkconstructies. Ook de Raad van State waarschuwt daarvoor. Dat werd net ook even in de interruptie gesteld. Strengere regels voor flexibele arbeid kunnen ervoor zorgen dat werk verschuift naar minder gereguleerde arbeidsvormen. Die waarschuwing nemen wij serieus. Als het werk zich verplaatst naar schijnzelfstandigheid of andere constructies, gaat een deel van het beoogde effect van de wet verloren. Concurrentie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit, innovatie en productiviteit en niet op basis van arbeidsrechtelijke bescherming. Ook de effecten op arbeidsmarktkansen, het gelijke speelveld en de toegang tot werk bepalen uiteindelijk of deze wet haar doel bereikt.

Deze wet mag niet leiden tot vrees om mensen überhaupt aan te nemen of tot het ontwijken of ontduiken van de zekerheid die dit wetsvoorstel biedt aan flexwerkers. Daarom is goede monitoring van de wet voor onze fractie van groot belang. De monitoring moet zich niet beperken tot het totaalbeeld van de arbeidsmarkt. Juist sectoren waar de risico's op onzeker werk het grootst zijn, verdienen bijzondere aandacht. Denk aan sectoren met veel laagbetaalde arbeid, sectoren waar veel arbeidsmigranten werkzaam zijn en sectoren waar geen cao geldt. Juist in die sectoren is het van belang om onbedoelde effecten tijdig te signaleren en waar nodig bij te sturen. Dit brengt me bij mijn vijfde vraag: hoe monitort de minister of deze wet leidt tot ongewenste verschuivingen naar andere contractvormen? Wordt ook gekeken naar onbedoelde drempels voor toegang tot werk? Is de minister bereid om zolang de regels rond arbeidsrelaties nog in ontwikkeling zijn, verschuivingen naar schijnzelfstandigheid extra nauwgezet te volgen en deze Kamer daar periodiek over te informeren en, zo ja, op welke wijze en wanneer?

Voorzitter. Tot slot de rol van de overheid zelf. De overheid kan werkgevers stimuleren om duurzamere arbeidsrelaties aan te gaan, maar dan moet zij ook kritisch kijken naar haar eigen handelen als het gaat om tijdelijke inzet van mensen. Tijdelijke subsidies, tijdelijke projectfinanciering en kortlopende opdrachten kunnen onzekerheid in de arbeidsrelatie in stand houden. Dat zien we bijvoorbeeld in delen van cultuursector. Daar is de inzet van mensen nog te vaak afhankelijk van tijdelijke financiering. Maar het speelt breder. Ook bij inhuur, aanbesteding en opdrachten voor schoonmaak, beheer van openbare ruimte, infrastructuur en andere publieke diensten speelt een overdaad van tijdelijkheid. Wie meer werkzekerheid wil bevorderen, moet dus niet alleen regels stellen aan werkgevers. De overheid moet ook haar eigen werkgeverschap, opdrachtgeverschap en financiering daarop inrichten. Kan de minister hierop reflecteren en wil hij daarbij ook ingaan op de rol van het Rijk richting medeoverheden en andere overheidsorganisaties?

Voorzitter. Onze fractie steunt de ambitie van dit wetsvoorstel, maar zekerheid ontstaat niet alleen door een wet die bescherming belooft. Die valt of staat met de kwaliteit van het wettelijk kader. Alleen zo ontstaat er meer zekerheid voor flexwerkers. Een wet die meer zekerheid wil bieden aan flexwerkers, moet ook zekerheid bieden in het wettelijk kader: rechtszekerheid over de betekenis van het wettelijk kader, voorspelbaarheid bij de toepassing ervan en voldoende waarborgen dat de bescherming die de wet beoogt ook daadwerkelijk in de praktijk wordt gerealiseerd. Hierover hebben we een aantal vragen gesteld en we zien uit naar de beantwoording van de minister.

De heer Schalk i (SGP):

Ik hoor mevrouw Ramsodit een heleboel dingen noemen die van belang zijn voor de bescherming van werknemers en dat begrijp ik, maar waar ik haar eigenlijk niet over gehoord heb — of het is mij ontgaan — is dat er een hele grote groep werknemers is die helemaal geen bescherming willen, maar die bereid zijn om in te vallen bijvoorbeeld op scholen en in de zorgsector op het moment dat daar nood ontstaat. Die willen helemaal geen vaste contracten. Het is ook voor die werkgevers vrijwel onmogelijk om ze een deelcontract aan te bieden boven de nul uren. Is deze wet niet te ver doorgeschoten door alle nulurencontracten weg te masseren?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

U heeft een mooie lange aanloop. Uw vraag is of de wet niet te ver doorgeschoten is. Ik denk, en dat meen ik oprecht, dat er nog heel veel mogelijkheden zijn om mensen flexibel in te zetten. De antwoorden van de minister geven daar heel veel inzicht in. Ik denk niet dat deze wet te ver doorgeschoten is, omdat ik denk dat wij als samenleving nu de rekening betalen voor de doorgeschoten flexibilisering. Dat meen ik oprecht. U kunt zeggen dat mensen geen behoefte hebben aan bescherming, maar als ze uit het werk vallen, is het het sociale vangnet dat die situatie opvangt. Eigenlijk is dat dan niet wenselijk, denk ik. Die zekerheid zou je ook binnen de organisatie die het werk vereist, moeten bieden.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Ik ben het met mevrouw Ramsodit eens dat mensen bescherming behoeven, zeker bij te ver doorgeschoten flexmogelijkheden of draaideurconstructies en dergelijke. Dat begrijp ik allemaal, maar juist in de sectoren die ik benoem ... Ik heb bijvoorbeeld contact gezocht met een school met 30 mensen in dienst. Zij hebben vier mensen met een nulurencontract. Dat zijn mensen waar ze om zitten te springen, want anders moeten ze elke keer klassen naar huis sturen. Deze mensen willen geen contract; die willen alleen maar komen helpen. Dat kan straks niet meer. Dat is toch ontzettend jammer?

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik ken het onderwijs ook goed. Ik ben jarenlang toezichthouder geweest in het primair en voortgezet onderwijs. Ik zie dat die vraag naar ondersteuning eigenlijk permanent is. Dat zegt u nu eigenlijk ook: het is continu zo. Dan zou je dus ook heel goed met een groep scholen een afspraak kunnen maken om aan die flexibiliteit te voldoen. Dat biedt zekerheid, niet alleen voor de werknemer, maar ook voor de werkgever. U zegt: die mensen hebben die zekerheid niet nodig. Uiteindelijk is het echter ook kennis die wegvloeit uit scholen als we mensen beetje bij beetje flexibel inzetten. Ik zie dat tegenwoordig op heel veel plekken, ook bij de overheid. Die kennis blijft niet in de organisatie, maar die vloeit weg. Ook vanuit dat oogpunt is het essentieel.

De voorzitter:

Tot slot en compact, meneer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Heel compact, voorzitter. Opnieuw deels eens.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Wat heerlijk!

De heer Schalk (SGP):

Ja, máár ...

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

O, u heeft een maar.

De heer Schalk (SGP):

Ja, nou komt het. Dat doen deze scholen. Deze scholen hebben invalpools en dergelijke. Het gaat er juist om dat er mensen zijn die helemaal geen contract willen, die bijvoorbeeld mantelzorger zijn of voor hun gezin willen zorgen, maar die bereid zijn om onmiddellijk gewoon maar in te stappen op het moment dat er in de gezondheidszorg of in scholen problemen ontstaan door ziekte en dergelijke. Dat kan zo meteen niet meer. Dat is juist in die sectoren een enorme aanslag.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Klopt. Ik denk dat het ook een proportionaliteitsvraagstuk is. Als het merendeel van de mensen rechtszekerheid nodig heeft en een kleine groep vrijheid wil, dan gaat het uiteindelijk om de rechtszekerheid van de grotere groep. Dat zien we overal terug op dit moment als het gaat om laagbetaalde arbeid.

Mevrouw Lagas i (BBB):

Ik denk dat als we zo naar elkaar luisteren, iedereen het ermee eens is dat de rechtszekerheid van mensen belangrijk is, maar de voorbeelden die net door mijn collega genoemd werden, zijn geen kleine groep, kan ik u vertellen, ook zeker niet in het werkveld. Ik ben benieuwd, want ik hoor u heel veel zeggen: zou, zou, zou. Daarom kom ik even naar de interruptiemicrofoon. U roept de minister op allerlei dingen te regelen. Het doet mij een beetje aan het volgende denken. Het is alsof u een kavel gekocht heeft, een huis gaat bouwen en vervolgens uw huis verkoopt, waarna de aannemer failliet gaat en u jarenlange procedures krijgt, terwijl u tussentijds in een caravannetje zit te verpieteren met uw gezinnetje. Bent u niet bang dat al dat "ik zou", "de minister zou" en "dit zou zo geregeld moeten worden" aangeeft wat de Raad van State zegt, namelijk dat deze wet gewoon niet precies is zoals hij moet zijn en zoals we eigenlijk allemaal wel willen dat hij is? Ik ben zo bang dat wij nu een wet zouden kunnen gaan aannemen waarvan wij achteraf zeggen: er moest nog zo veel geregeld worden en dat is niet gebeurd. Gaat u straks moties indienen? Waar ligt uw grens van de voorwaarden die u nog aan de minister stelt om tot een goed proces te komen in de arbeidsregelgeving? Dat is eigenlijk mijn vraag.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik vind uw reflectie op mijn betoog interessant, want u heeft het over "zou". Ik denk dat wij hier, in deze Kamer, ook de taak hebben om de interpretatie van de wet helder te hebben. Daar gaat het grootste deel van mijn vragen over. Hoe is de wet bedoeld? De kwaliteit van het wettelijk kader hangt daarvan af. Dat is voor mij, zeg maar, het meest essentiële punt. Als u vraagt of ik nog heel veel moties ga indienen … Ik heb heel duidelijk gesteld waar die interpretatieverduidelijking vereist is. Als dat niet voldoende is, komt er wellicht een motie. Maar ik denk dat het belangrijker is dat wij met elkaar, als we straks de deur uitgaan, en al de mensen in deze samenleving de betekenis van deze wet goed begrijpen. Als ik heel eerlijk ben, heb ik de afgelopen tijd in deze Kamer een aantal wetten van dusdanige kwaliteit zien langskomen dat ik me dáár zorgen over maak.

De voorzitter:

Mevrouw Lagas.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Hier staat, denk ik, een goed stelsel. De betekenisgeving is alleen essentieel. Dat was een lang antwoord waarschijnlijk, voorzitter?

De voorzitter:

Mevrouw Lagas heeft een vervolgvraag.

Mevrouw Lagas (BBB):

Ik ben heel blij met uw antwoord, want u legt heel erg de nadruk op "de interpretatie zou begrepen moeten worden door de maatschappij".

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Nou, niet alleen de maatschappij …

De voorzitter:

Mevrouw Ramsodit, wacht u even de vraag af. Dan bent u aan de beurt, nadat ik u het woord heb gegeven, voor het antwoord.

Mevrouw Lagas (BBB):

Ik probeer het compact te houden. U geeft inderdaad aan dat het belangrijk is dat de interpretatie van de wet begrepen moet worden. Gezien de hoeveelheid vragen die u stelt, terwijl u vakkundig bent in dezen, is dit te veel. Ik vind — dat vindt mijn fractie — dat deze wet nog te veel interpretatielekken heeft om goed te zijn. Ik ben dus ook reuzebenieuwd naar de antwoorden die de minister geeft op al uw zeer kritische vragen, waarvan ik de meeste overigens steun.

Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):

Ik denk niet dat ze kritisch zijn, maar constructief, en helpen om de wet beter te begrijpen. Het zijn volgens mij zeven vragen, die ik nader heb aangekleed. Als jurist doe je dat: je geeft context. We wachten de antwoorden van de minister af, wat mij betreft.

De voorzitter:

Mevrouw Ramsodit, hartelijk dank voor uw bijdrage. De volgende spreker is de heer Baumgarten. Hij spreekt namens de fractie van JA21. Ik geef hem graag het woord.