Plenair Van Aelst-den Uijl bij behandeling Wet meer zekerheid flexwerkers



Verslag van de vergadering van 7 juli 2026 (2025/2026 nr. 39)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 10.00 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):

Dank, voorzitter. Ik spreek hier namens de heer Van Apeldoorn, die vandaag ziek is. Ik hoop dat zijn spreektempo een beetje overeenkomt met het mijne en anders hoop ik op wat flexibiliteit van de voorzitter.

Voorzitter. Nederland kent een van de meest geflexibiliseerde arbeidsmarkten van Europa. Verschillende sprekers hebben daar al wat over gezegd. In de paarse jaren liep ons land met de opkomst van het neoliberale marktdenken voorop in de beweging van vast naar flex, en daarmee uiteindelijk ook in de uitholling van werknemersrechten. We blijven op dit moment Europees koploper flexibilisering. Nog altijd is meer dan 40% van alle werkenden flexwerker of zzp'er. Vanzelfsprekend kunnen er goede redenen zijn voor een flexibel contract. Voor de SP is het uitgangspunt dat structureel werk vast werk zou moeten zijn en dat flexwerk daarom verregaand teruggedrongen zou moeten worden. Zo herstellen wij de balans in onze uit het lood geslagen arbeidsmarkt, niet door vast werk minder vast te maken.

Als flex voor een groot deel van de beroepsbevolking de norm is, is dat niet alleen slecht voor die werknemers, maar ook voor de maatschappij en de economie. Tot dat inzicht is inmiddels ook een groot deel van de politiek gekomen. Dat geldt ook voor de regering, zij het een tikje laat. Flexwerkers worden gemiddeld slechter betaald, werken vaak onder slechtere arbeidsomstandigheden, worden sneller ziek en raken sneller arbeidsongeschikt. Ze kunnen uiteindelijk moeilijker een goede werk-privébalans vinden. Bovenal is flexwerk onzeker werk. Als flex structureel wordt, dus als je structureel flex moet werken, is dat een aanslag op je welzijn. Het leidt tot wat "levenslooponzekerheid" genoemd wordt, want: zonder vaste baan geen eigen huis. En die kinderen stel je dan toch ook maar uit. Als je wel kinderen krijgt, blijkt kinderopvang ontoegankelijker te zijn met een flexcontract. In wijken met veel mensen met onzeker werk is er minder kinderopvang beschikbaar en is de kinderopvang die beschikbaar is, minder goed. Je kunt moeilijker een bestaan opbouwen en plannen maken voor je toekomst. Kortom, als je van flexbaan naar flexbaan gaat, zit je behoorlijk vast.

Daarnaast is te veel flexibilisering ook slecht voor de productiviteit. Bovendien is flexibilisering een van de grootste bronnen voor de groeiende tweedeling, de groeiende ongelijkheid, in ons land. Deze kloof wordt niet kleiner maar groeit op sommige vlakken juist. Flex hangt daarnaast sterk samen met armoede. Vaak is flex, zeker in de uitzendsector en zeker waar het arbeidsmigranten betreft, uiteindelijk regelrechte uitbuiting. De kern van deze analyse is geen SP-betoog, maar is terug te vinden in de memorie van toelichting van deze wet. De SP neemt dan ook aan dat de minister achter deze analyse staat en daarmee gecommitteerd is aan het verder terugdringen van flex. We horen dat graag van de minister.

Kortom, er is alle reden om onze arbeidsmarkt grondig te deflexibiliseren. Dit wetsvoorstel zet daarbij een stapje in de goede richting, maar fundamenteel herstel van vast werk als norm blijft vooralsnog uit.

Voorzitter. Ik wil mij in het vervolg van deze bijdrage richten op een aantal specifieke onderdelen van het wetsvoorstel. Allereerst de positie van uitzendkrachten. De regering stelt dat zij een totaalpakket aan arbeidsvoorwaarden moeten krijgen dat gelijkwaardig is aan dat van werknemers die rechtstreeks bij de inlener werken en dat ze daardoor niet mogen worden onderbetaald. De SP-fractie had liever gezien dat uitzendkrachten recht kregen op dezelfde arbeidsvoorwaarden als hun collega's in vaste dienst: gelijke arbeidsvoorwaarden in plaats van een vaag gelijkwaardig pakket. Mijn fractie vraagt zich ook af hoe die gelijkwaardigheid in de praktijk dan moet worden afgedwongen. De Arbeidsinspectie heeft geen rol in de beoordeling van het totale pakket, en of dat daadwerkelijk gelijkwaardig is. Uiteindelijk moet de werknemer, eventueel met hulp van de vakbond, een juridisch loket of een andere hulpverlener, naar de rechter. Voor uitzendkrachten, en zeker voor arbeidsmigranten, is dat een te hoge drempel. Hoe verwacht de minister dat juist deze groep dit recht in de praktijk daadwerkelijk zal gebruiken?

Voorzitter. Dan de vervaltermijn. Simpel gezegd: als een werkgever iemand na een reeks van tijdelijke contracten een tijd niet inzet en daarna weer terugroept, blijven de eerdere tijdelijke contracten straks drie jaar lang meetellen. Pas daarna kan de werkgever opnieuw beginnen met tijdelijke contracten. In het oorspronkelijke voorstel — het is net al gememoreerd — werd uitgegaan van vijf jaar, onderbouwd met onderzoek waaruit blijkt dat een langere termijn draaideurconstructies effectiever tegengaat. Mijn fractie had het liever nog veel verder doorgevoerd gezien, zoals de commissie-Borstlap ook adviseerde. Zo zou die draaideur helemaal niet meer mogelijk moeten zijn, ook niet na een lange pauze. Door een amendement van de VVD is die vijf jaar nu teruggebracht naar drie. Onderschrijft de minister de eerdere kabinetsargumentatie voor vijf jaar? Wat betekent de verkorting naar drie jaar voor de uiteindelijke effectiviteit van deze maatregel?

Voorzitter. Dan de uitzondering voor scholieren en studenten met een bijbaan. Zij mogen op oproepbasis blijven werken, terwijl deze wet het nulurencontract voor reguliere werknemers juist afschaft. De SP vindt dat deze groep niet zou moeten worden uitgezonderd van de bescherming van deze wet. Juist scholieren en studenten zijn oververtegenwoordigd in flexwerk. De regering zegt dat het nulurencriterium moet waarborgen dat het om bijbanen blijft gaan, maar sluit zij dan ook uit dat werkgevers hierdoor juist vaker scholieren en studenten in zullen zetten, ten koste van werknemers die wel onder de nieuwe beschermingsregels vallen? Houdt de regering door voor deze groep een onzekere contractvorm, die zij voor reguliere werknemers onvoldoende beschermend acht, in stand te houden, niet zelf juist een tweedeling in stand?

Voorzitter, tot slot de uitvoering. De Raad voor de rechtspraak waarschuwt dat de nieuwe regels tot ... Sorry, ja.

De voorzitter:

U zegt alvast ja. Ik zat nog te wachten tot u uw zin zou beëindigen. Wat mij betreft maakt u rustig uw zin af, mevrouw Van Aelst.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Ik begin gewoon opnieuw aan deze zin.

De voorzitter:

Begint u gewoon opnieuw aan de zin. Daarna krijgt mevrouw Karaaslan het woord voor een interruptie.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Nee, dit is een hele nieuwe alinea. Doe eerst maar de vraag.

De voorzitter:

Nou, vooruit. Dan gaan we de interruptie van mevrouw Karaaslan aanhoren.

Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):

Ik heb een vraag aan de senator. Vanuit de horeca krijg ik signalen dat ze juist heel blij zijn dat deze wet een uitzondering maakt voor scholieren en studenten. Deze wet maakt een onderscheid tussen hoofdbaan en bijbaan. Voor scholieren is dit vaak een bijbaan, die nu uitgezonderd wordt. Horecaondernemers reageren daar heel positief op, want het maakt het mogelijk om studenten te blijven inschakelen. Zij geven namelijk aan: als deze groep niet uitgezonderd zou worden, zou dat leiden nog meer problemen in de bedrijfsvoering, die ze al hebben, omdat ze niet aan personeel kunnen komen.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Ik denk dat elke uitzondering op strengere regels een groep werkgevers heel blij zal maken. Als een groep werkgevers ergens nog steeds werknemers mag uitbuiten of flexibel mag houden, zal altijd een groep werkgevers blij zijn, welk voorbeeld je ook noemt. Wij proberen juist te zeggen dat de tweedeling tussen deze jongeren en studenten enerzijds en vaste werknemers anderzijds het uiteindelijk in de hand gaat werken dat één groep wel wordt uitgebuit en een andere groep door deze wet, waarvoor dank aan de minister, gelukkig minder wordt uitgebuit. Vanzelfsprekend was er ergens een hele blije werkgever geweest, welke uitzondering u ook had genoemd.

De voorzitter:

Dank u zeer, mevrouw Van Aelst. De Kamer luistert met belangstelling naar uw laatste alinea.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Dank, voorzitter. Tot slot de uitvoering. De Raad voor de rechtspraak waarschuwt dat de nieuwe regels tot rechtsvragen en procedures kunnen leiden, terwijl juist de werknemers, voor wie de wet bedoeld is, vaak terugschrikken om hun recht te halen. De regering wijst als antwoord op de punten van WorkinNL, FairWork en het Juridisch Loket, en op de toezegging om uitzendkrachten via WorkinNL over hun rechten te informeren. Wordt uiteindelijk door dit kabinet ook gemeten of deze voorzieningen daadwerkelijk effect hebben of blijft het bij een inspanning zonder controle op resultaat? Wat is de stand van zaken van het overleg met het UWV? Ontvangt deze Kamer de uitkomsten nog voor de inwerkingtreding van deze onderdelen?

Voorzitter. Ik noemde dit wetsvoorstel een stapje in de goede richting. Wat de SP betreft had die stap een stuk groter mogen zijn. Zo zou bijvoorbeeld de positie van uitzendkrachten echt fundamenteel verbeterd moeten worden, met een veel kortere weg naar zekerheid en een vast contract. Ook zouden werknemers met een tijdelijk contract veel sneller recht moeten krijgen op een vaste baan. Wij vragen ons dan ook af: waarom is er niet voor deze route gekozen? Waarom niet meer ambitie? Is de minister bereid om in deze kabinetsperiode verdere stappen te nemen om vast werk veel meer de norm te maken? Wij kijken uit naar de beantwoording en zien dat we net iets langzamer praten dan de heer Van Apeldoorn.

De voorzitter:

Dank u zeer, mevrouw Van Aelst. Ik zie dat er nog een interruptie is van mevrouw Lagas. Als u nog even terugkeert naar het spreekgestoelte, dan geef ik mevrouw Lagas het woord.

Mevrouw Lagas i (BBB):

Even een verduidelijking. Ik hoorde mevrouw Van Aelst praten over vaste banen, het flexwerk en contracten. Ik heb eigenlijk één vraag: hoe staat u erin dat het risico vergroot wordt dat er, wanneer deze wet het haalt, meer jaarcontracten zijn die dan niet meer verlengd worden? Dus wat die onzekerheid betreft — dat heb ik in mijn betoog aangehaald — denk ik dat dat risico nog weleens vergroot kan worden. Hoe kijkt de fractie van de SP daarnaar?

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Het mooie is dat deze vraag een beetje in lijn is met de vraag van mevrouw Karaaslan. Werkgevers zullen routes blijven zoeken om te ontwijken en te vermijden. Werkgevers zullen blijven proberen om voor zo min mogelijk geld werknemers zo flexibel mogelijk in te zetten, omdat dat bij hen voor een dikkere portemonnee zorgt. Wij zeggen dan ook dat wij willen dat deze wet verder gaat en meer zekerheden biedt voor werknemers, en minder ruimte biedt voor werkgevers om een omweg te vinden. In alle eerlijkheid hebben werkgevers er uiteindelijk ook baat bij dat die werknemer een vaster contract heeft, daarmee een zekerder leven heeft en veel productiever wordt. Maar tot nu toe blijft die omweg dus mogelijk en dat vinden wij jammer. Wij vinden het ook heel jammer dat werkgevers dat zouden willen.

De voorzitter:

Mevrouw Lagas, heeft u een vervolgvraag?

Mevrouw Lagas (BBB):

Ja. Ik vind het nogal denigrerend naar werkgevers toe. Er zijn heel veel hele goede werkgevers in dit land die echt wel voor hun werknemers opkomen, maar niet de instrumenten hebben om dat op een manier te doen waardoor hun bedrijf in stand blijft. Zij lopen ook tegen kosten aan. Het zijn echt niet allemaal multinationals. Ik zit ook aan de kleine mkb-bedrijven te denken: de kleine winkelier, de slager op de hoek en de groenteboer. Zij hebben het al heel moeilijk om rond te komen en hun personeel te betalen. Daar wilde ik dus graag een opmerking over maken. Mijn vraag aan u is heel simpel: bent u dan met mij van mening dat de wet er zo uit moet zien dat ook de kleine mkb-bedrijven zeggen dat ze ermee kunnen leven en dat het hun en hun werknemers houvast geeft?

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Ik begin met de opmerking en het waardeoordeel over mijn antwoord: dat laat ik aan mevrouw Lagas. Mevrouw Lagas zei zelf welke loopholes er zijn en welke werkgevers die loopholes zouden zoeken en ik heb daar een oordeel over. U mag daar verder uw oordeel over hebben.

Dan wat betreft het tweede deel van de vraag. Zoals gezegd val ik vandaag in voor de heer Van Apeldoorn en dat antwoord houdt u even van hem tegoed.

De voorzitter:

Dank u zeer. Dan dank ik mevrouw Van Aelst voor haar bijdrage. Ik geef graag als volgende spreker in deze termijn het woord aan de heer Petersen. Hij spreekt namens de fractie van de VVD.