Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.04 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Dank. Voor de transparantie over mijn nevenwerkzaamheden meld ik vooraf dat ik commissaris ben bij een zorgverzekeraar. Dit staat ook in het overzicht van mijn nevenfuncties op de website van de Eerste Kamer.
Laat ik beginnen met iets wat voor onze fractie buiten kijf staat: pgb-dienstverleners hebben recht op volwaardige arbeidsrechtelijke en socialezekerheidsbescherming. Dat is voor ons het vertrekpunt van dit debat.
Voorzitter. Voordat ik naar de inhoud ga, wil ik mij namens onze fractie uitspreken over het proces. Onze fractie heeft daar veel ongemak bij. De uitvoering van het wetsvoorstel is sinds 1 januari 2026 al gaande. Dat is inmiddels negen maanden geleden. Het terugdraaien daarvan zou grote gevolgen hebben voor de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid. De Eerste Kamer staat daardoor voor een voldongen feit. Dat staat haaks op onze constitutionele rol. De brieven die we hebben ontvangen over de geleerde lessen lijken zich nu te beperken tot het tijdiger informeren van het parlement, maar dat volstaat niet. Wij vragen de regering daarom om hier nadrukkelijker op te reflecteren, zodat dit niet weer gebeuren kan.
Dan de inhoud. Het is nodig te beseffen hoe we hier zijn gekomen. Niet de individuele zorgvrager heeft het stelsel bedacht en ook niet de pgb-dienstverlener. De regering heeft de Regeling dienstverlening aan huis ontworpen, juridisch vormgegeven en in stand gehouden. De regering is dus aan zet. Voor onze fractie ligt onder dit wetsvoorstel een fundamentele vraag over onze toets op uitvoerbaarheid. Is het huidige model, waarin de individuele pgb-budgethouder formeel werkgever is, nog wel toekomstbestendig? Ik begin met die vraag. Daarna ga ik in op de jurisprudentie, het doenvermogen, de systeemverantwoordelijkheid van de overheid en de overgang naar een structurelere herziening.
Voor onze fractie staat niet ter discussie dat het arbeidsrecht moet worden nageleefd en dat pgb-dienstverleners recht hebben op volwaardige bescherming. De SVB waarschuwt in de Stand van de Uitvoering 2026 dat de aansluiting tussen het pgb-stelsel en het arbeidsrecht een fundamenteel knelpunt is en dat de grenzen van de uitvoering zijn bereikt. Eigen regie betekent voor ons dat de budgethouder bepaalt wie de zorg verleent en invloed houdt op hoe en wanneer die zorg wordt georganiseerd. Dat is niet hetzelfde als het dragen van alle juridische, financiële en administratieve werkgeversrisico's. Daarom willen wij van de regering meer helderheid over de aangekondigde verkenning van de herziening van het stelsel. Mijn eerste vraag is: kan de minister toezeggen dat de verkenning op korte termijn wordt opgeleverd, dat er een variant wordt uitgewerkt waarin de budgethouder de regie over de zorg behoudt maar het werkgeverschap geheel of gedeeltelijk bij een professionele organisatie wordt belegd, en dat belangenorganisaties van zowel pgb-dienstverleners als pgb-budgethouders actief worden betrokken bij de uitwerking van die verkenning?
Voorzitter. Zolang die structurele herziening er nog niet is, moeten we beoordelen wat nu nodig is als het gaat om uitvoerbaarheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Dat brengt mij bij de jurisprudentie. Aanleiding voor dit wetsvoorstel zijn de Wichmannarresten. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de pgb-dienstverleners niet van werknemersverzekeringen mogen worden uitgesloten en dat die uitsluiting, omdat die in de praktijk vooral vrouwen betrof, indirect onderscheid naar gender oplevert. Bij de behandeling in de Tweede Kamer is de voorgestelde wijziging van het ontslagrecht geamendeerd. De bestaande uitzondering voor pgb-dienstverleners blijft daardoor nu op dit punt bestaan. Juist tegen de achtergrond van de Wichmannarresten roept dat voor ons de vraag op over de juridische houdbaarheid. Mijn tweede vraag is daarom: kan de minister uiteenzetten hoe deze uitzondering in het ontslagrecht zich verhoudt tot het Europese gelijkebehandelingsrecht en waarom de regering van oordeel is dat dit juridisch houdbaar is? Is de minister bereid juridisch advies in te winnen en op basis daarvan het ontslagrecht op korte termijn wél van toepassing te verklaren?
Voorzitter. Dan kom ik bij het doenvermogen. Het antwoord van de regering op onze vraag over het doenvermogen heeft ons een beetje verwonderd. Er is geen afzonderlijke doenvermogentoets gedaan voor budgethouders als werkgever. De SVB kan veel administratie uit handen nemen, maar neemt de juridische en financiële verantwoordelijkheid niet over. Werkgeverschap gaat om meer dan administratie. Denk aan ziekte, re-integratie en de verantwoordelijkheden en financiële risico's die daarbij horen. Dat brengt mij bij mijn derde vraag. Erkent de minister dat het beheren van een pgb en het dragen van volledige werkgeversverantwoordelijkheid verschillende eisen aan het doenvermogen stellen? Is de regering bereid specifiek te monitoren of budgethouders deze beide verantwoordelijkheden in de praktijk kunnen dragen?
Daarbij komt nog een ander punt. Pgb-zorg wordt vaak verleend binnen een persoonlijke relatie. Dat kan gaan om familieleden, partners of anderen die al langer bij de budgethouder betrokken zijn. Dat maakt de juridische kwalificatie niet minder belangrijk, maar wel ingewikkeld. Uit de beantwoording blijkt dat de budgethouder in eerste instantie zelf moet beoordelen welke juridische verhouding geldt. Voor mensen die geen professionele werkgever zijn, is dat geen eenvoudige opgave.
Dat brengt mij bij mijn vierde vraag. Hoe zorgt de regering ervoor dat een budgethouder en een pgb-dienstverlener vooraf kunnen weten welke juridische positie geldt in een familie of andere duurzame relatie? En wie draagt het risico als achteraf blijkt dat die relatie anders moet worden gekwalificeerd? Van het doenvermogen ga ik nu naar de systeemverantwoordelijkheid. Omdat de huidige situatie voortkomt uit een door de overheid ingericht stelsel, kan de overheid zich niet beperken tot het verbeteren van de rechtspositie van de werknemer. Zij moet ook kijken naar wat die verandering betekent voor de budgethouder. Een wettelijke verplichting kan kraakhelder zijn, maar daarmee nog niet redelijk of uitvoerbaar voor degene aan wie wij die verplichtingen opleggen. De budgethouder is geen gewone werkgever, maar een individuele zorgvrager die binnen dit stelsel in de positie van werkgever terecht is gekomen. Werknemers hebben recht op volledige bescherming. Tegelijkertijd moet de verdeling van die verplichtingen proportioneel, uitvoerbaar en voorzienbaar zijn. Daar ligt de systeemverantwoordelijkheid van de overheid. De werknemersplichten zijn heel concreet en er kunnen in de toekomst nieuwe verplichtingen bij komen door wetgeving of rechtspraak. Ik denk aan de wet voor flexwerkers, aan de wetgeving over verlof en zelfstandigen, maar ik kan me ook rechtspraak over bijvoorbeeld het ontslagrecht voorstellen.
Dat brengt mij bij mijn vijfde vraag. Kan de minister komen met één vaste werkwijze, waarbij bij iedere nieuwe werkgeversverplichting voor pgb-houders eerst de gevolgen voor doenvermogen, kosten en zorgcontinuïteit in beeld worden gebracht, en pas daarna tot invoering wordt overgegaan?
Ik kom nog even terug op de systeemverantwoordelijkheid, want voor ons geldt die ook voor de uitvoering. Als de overheid daarvoor organisaties zoals de SVB en het UWV inzet, moet ook duidelijk zijn wie het risico draagt als dáár fouten worden gemaakt. We hebben eerder gevraagd naar de controles bij dagloonvaststelling. Die beoordeling heeft ons nog niet volledig gerustgesteld.
Ik kom nu bij de tijdelijke compensatie en de overgangsperiode. De tijdelijke compensatie, die in de Tweede Kamer is gerealiseerd, laat ik maar zeggen, loopt nu nog maar beperkt door, eigenlijk één jaar en drie maanden. Als het structurele probleem dan nog niet is opgelost, vinden wij het niet logisch om die compensatie dan al te beëindigen. Die compensatie moet wat ons betreft doorlopen totdat een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel daadwérkelijk is ingevoerd. Voor ons is het uitgangspunt eenvoudig: werknemersrechten blijven volledig gelden. De overgang gaat dus niet over het uitstellen van de rechten. De vraag is wie de werkgeversplichten en de financiële en juridische risico's draagt zolang het nieuwe model er nog niet is.
Daarbij is er ook een praktisch probleem. Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor compensatie, maar gemeenten voegen die niet altijd toe aan het pgb-budget. Als dat zo is, dan kan de Sociale Verzekeringsbank die middelen ook niet inzetten. Een meldpunt alleen lost dat niet op. Het is inmiddels een urgente kwestie, begrijpen we uit de praktijk, onder andere van de stichting Vrouw en Recht en Per Saldo.
Ik kom zo bij mijn zesde vraag, mijn slotvraag, aan de minister. Wij verzoeken dat hij op drie punten een concrete toezegging doet. Ten eerste de tijdelijke compensatie. Kan de minister toezeggen dat de bestaande compensatie voor werkgevers- en socialezekerheidslasten doorloopt totdat een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel daadwerkelijk in werking is getreden, en dat zolang dat werkgeversmodel er nog niet is, ook tijdelijke compensatie wordt geregeld voor nieuwe of verzwaarde werkgeverslasten en werkgeversrisico's die niet redelijkerwijs door de individuele pgb-houder kunnen worden gedragen, bijvoorbeeld bij loondoorbetaling bij ziekte en andere werkgeversverplichtingen? Kan de minister toezeggen dat hij het knelpunt oplost dat de middelen die het Rijk voor compensatie beschikbaar stelt, niet altijd door gemeenten aan het pgb-budget worden toegevoegd? Dat is het eerste punt van de toezegging.
Het tweede punt van de toezegging gaat over de rechten van de pgb-dienstverleners. Kan de minister bevestigen dat de rechten van de pgb-dienstverleners als het gaat om hun arbeidsrechtelijke rechten en socialezekerheidsrechten volledig blijven gelden en dat de overgang dus niet ziet op het faseren van die rechten, maar uitsluitend op de wijze waarop daaruit vloeiende werkgeversplichten en financiële en juridische werkgeversrisico's worden gedragen?
Dan het derde punt, de structurele herziening. Kan de minister toezeggen dat de inzet van de regering is om binnen twee jaar een structureel, juridisch houdbaar en uitvoerbaar werkgeversmodel gereed te hebben? Kan hij de Kamer informeren over de wijze waarop die overgang wordt vormgegeven, welke stappen daarvoor nodig zijn en of aanvullende wetgeving nodig is? Ik haak daarop in omdat ik echt vind dat onze taak in de Eerste Kamer ook die uitvoerbaarheidstoets betreft.
Voorzitter. Daarmee is onze inzet helder: de werknemersrechten volledig waarborgen, de werkgeversplichten en -risico's in de overgang niet eenzijdig bij de individuele budgethouder neerleggen en met tempo werken aan een structureel werkgeversmodel.
Ik kom tot een afronding. Voor onze fractie staat vast dat pgb-dienstverleners recht hebben op volwaardige bescherming. Tegelijkertijd vinden wij dat het huidige werkgeversmodel niet toekomstbestendig is. Daarom verwachten wij van de regering duidelijkheid over de overgang en over de structurele herziening. Voor een zorgvuldige overgang, juist uit het oogpunt van proportionaliteit, uitvoerbaarheid en rechtszekerheid, is dit essentieel. Op basis van de reactie van de minister zullen we als fractie ons standpunt bepalen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Wijk van de fractie van de BBB.