Plenair Marquart Scholtz bij behandeling Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel



Verslag van de vergadering van 22 september 2026 (2026/2027 nr. 01)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 11.30 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Marquart Scholtz i (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken wij een fundamentele herziening van de strafrechtelijke aanpak van een van de meest ernstige misdrijven in onze samenleving: mensenhandel. Deze herziening vindt haar beslag in het wetsvoorstel Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Mensenhandel tast de menselijke waardigheid in de kern aan. Die dwingt mensen in situaties waarin zij hun autonomie verliezen. Bescherming van de menselijke waardigheid past geheel bij de kernwaarden van de BBB. De BBB gelooft in een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken en waarin alles draait om fatsoen, vertrouwen en menselijkheid. Behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Dat komt ook tot uiting in omzien naar elkaar en elkaar in diens waarde laten. Ik wil hier duidelijk maken dat mijn fractie dan ook voorstander is van de modernisering en verbetering van de wetgeving. De wetgever moet echter heldere kaders bieden, omdat dit misdrijf zo complex is. Bij de bestudering van dit wetsvoorstel is bij mijn fractie een aantal vragen gerezen waar vandaag graag antwoord op wordt vernomen.

Mijn eerste punt betreft de wetstechnische structuur. Het wetsvoorstel beoogt de strafbepalingen in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht te vereenvoudigen en alle voorwaarden voor strafbaarheid expliciet in de wet vast te leggen. Tegelijkertijd wordt gekozen voor een niet-limitatieve opsomming van uitbuitingsvormen, om de wet toekomstbestendig te maken. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer zijn er echter via het amendement-Wijen-Nass/Diederik van Dijk drie specifieke vormen aan deze lijst toegevoegd: uitbuiting bij draagmoederschap, bij gedwongen huwelijken en bij illegale adoptie. In de schriftelijke vragen is door deze Kamer terecht gewezen op het ontbreken van een deugdelijke inhoudelijke toelichting op deze begrippen in de wettekst. De minister verwees in zijn Kamerbrief van 20 april 2026 naar de herziene EU-Richtlijn 2024/1712, die EU-Richtlijn 2011/36 wijzigt, als richtinggevend kader. Mijn fractie vraagt zich af of die de strafrechter, het OM en de advocatuur in de praktijk voldoende rechtszekerheid biedt. Hoe verhoudt deze open normstelling zich tot het lex-certabeginsel in ons strafrecht? Graag horen wij van de minister wat zijn visie op dit punt is.

Ten tweede, voorzitter, de introductie van de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en voordeeltrekking. Mijn fractie steunt de gedachte achter deze uitbreiding, die het gat opvult tussen reguliere overtredingen van de arbeidswetgeving en de zware kwalificatie "arbeidsuitbuiting". Daders die bewust profiteren van de kwetsbare positie van werknemers, maar waarbij juridisch net niet aan alle dwingende criteria van mensenhandel kan worden voldaan, vallen zo niet langer tussen wal en schip en kunnen passend worden bestraft.

De grens tussen slechte arbeidsomstandigheden, ernstige benadeling en arbeidsuitbuiting blijft in de wetgeving echter dun. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel waarschuwt dat dit de wet niet eenvoudiger maakt. Tegelijkertijd hebben het OM, de politie en de Nederlandse Arbeidsinspectie aangegeven dat de vuistregels en de voorbeelden wel voldoende aanknopingspunten bieden voor de rechtspraktijk. Dat sterkt de minister en zijn ambtsgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het vertrouwen dat in de praktijk op een goede manier toepassing kan worden gegeven aan de omschrijving van zowel arbeidsuitbuiting als ernstige benadeling, zoals in de wet geïntroduceerd. Mijn fractie hecht eraan dat de Nederlandse Arbeidsinspectie haar specifieke juridische en operationele expertise ten volle kan inzetten. Daarom vraag ik de minister welke nadere stappen hij zou kunnen ondernemen om interpretatiekwesties te voorkomen. Daarbij kan gedacht worden aan het formuleren van een helder begrippenkader, met daaraan gekoppeld een aantal voorbeelden die duidelijkheid kunnen scheppen.

Niet alleen de daders mogen niet tussen wal en schip kunnen vallen; ook slachtoffers van ernstige benadeling verdienen aandacht, nu ze niet zonder meer dezelfde bescherming en voorzieningen krijgen als de slachtoffers van mensenhandel. De vorige spreker refereerde hier al aan en heeft hier behartenswaardige dingen over gezegd. Zo meldt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dat onduidelijk is of van de gemeenten wordt verwacht dat ze voor deze groep lokaal nieuwe opvangcapaciteit gaan organiseren. Immers, wanneer slachtoffers van ernstige benadeling geen recht hebben op bestaande voorzieningen, kunnen ze ook niet automatisch terecht in gemeentelijke opvangvoorzieningen, waaronder de gespecialiseerde opvang voor slachtoffers van mensenhandel. Daardoor ontstaat het risico dat ze op straat belanden, met alle gevolgen van dien. Wil de minister daarom maatregelen nemen om te voorkomen dat in de praktijk nieuwe problemen ontstaan doordat slachtoffers tussen wal en schip vallen?

Mijn derde punt raakt de handhaafbaarheid en de impact op de keten. Door het aannemen van het amendement-Verkuijlen/Bikker is het delict mensenhandel toegevoegd aan artikel 160 van het Wetboek van Strafvordering. Dit introduceert een formele aangifteplicht voor eenieder die kennis draagt van mensenhandel, behoudens de wettelijke uitzonderingen, waaronder personen die uit hoofde van hun beroep verschoningsrecht hebben. Hoewel de bedoeling goed is, te weten het doorbreken van de onzichtbaarheid van mensenhandel, vreest mijn fractie mogelijke praktische complicaties. Mensenhandel speelt zich namelijk vaak af in complexe, ondoorzichtige netwerken waarin slachtoffers zelf soms criminele feiten plegen onder dwang. Hoe beoordeelt de minister de verhouding tussen deze aangifteplicht en de wettelijke uitzonderingen voor onder meer het medisch beroepsgeheim en het verschoningsrecht? Als de meldingsbereidheid hiermee wordt vergroot, hoe vangt de keten dit dan op? De politie en de keten kennen nu al capaciteitsvraagstukken. Wil de minister toezeggen te bevorderen dat deze aangifteplicht niet zal leiden tot een hausse aan papieren meldingen, die de schaarse recherchecapaciteit juist weghalen bij de actieve opsporing?

Voorzitter. Een ander specifiek punt waarbij mijn fractie wil stilstaan, is het aangenomen amendement van de leden Bikker en Boomsma. Dit amendement voegt aan artikel 273f de bepaling toe dat bij personen in de prostitutie die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, misbruik van een kwetsbare positie of overwicht wettelijk wordt verondersteld. De achterliggende gedachte van de indieners is helder en invoelbaar: personen beneden 21 jaar zijn extra kwetsbaar en vaak in verminderde mate in staat om een volledig vrije keuze te maken binnen de seksindustrie. De bescherming van deze groep verdient onze volle aandacht. Volgens de bedoeling van het amendement hoeft het OM het middelvereiste in die situatie niet langer afzonderlijk te bewijzen.

In dit verband wijs ik er nog op dat in de huidige wettelijke regeling van artikel 273f, lid 1, sub 5, van het Wetboek van Strafrecht, betreffende minderjarigen, ofwel mensen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, evenmin het middelvereiste wordt gesteld. Voldoende is dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ander, die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, zich door enige handeling ondernomen door verdachte beschikbaar stelt.

Bij minderjarigen is de minderjarigheid een geobjectiveerde omstandigheid. Mijn fractie vindt dat voor de groep van 18- tot 21-jarigen in de prostitutie, gelet op de bedoeling van het amendement, een vergelijkbare benadering zou moeten gelden als bij minderjarigen. Het komt namelijk op hetzelfde neer: kwetsbaarheid en het misbruik maken van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht kunnen worden aangenomen als een 18- tot 21-jarige zich in de prostitutie begeeft.

Nu stelt de minister op pagina 12 van de nota naar aanleiding van het tweede verslag dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante omstandigheden waaruit de kwetsbaarheid voortvloeit. Met zijn antwoord creëert de minister mijns inziens een juridische spagaat. De Tweede Kamer heeft immers met het amendement bedoeld dat de aanwezigheid van de relevante kwetsbare positie bij een persoon jonger dan 21 jaar in de prostitutie zonder nader bewijs als middel wordt aangenomen. De minister zegt vervolgens dat nog wel moet worden bewezen dat de verdachte zich bewust was van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit de kwetsbaarheid voortvloeit.

Erkent de minister dat hij met deze aanvullende eis van voorwaardelijke opzet op de relevante feitelijke omstandigheden waaruit de kwetsbaarheid voortvloeit een deel van de bewijslast die de wetgever met het amendement-Bikker/Boomsma juist wilde verlichten, via een achterdeur weer introduceert? En zo nee, hoe rijmt de minister het wegnemen van het middelvereiste met zijn eigen aanvullende eis van deze bewustheid? Waar ligt nou precies de grens tussen het niet meer hoeven bewijzen van het middel en het indirect alsnog moeten bewijzen van de omstandigheden die dat middel dragen? Welke concrete feiten moet het Openbaar Ministerie volgens de minister bij een 19-jarige prostituee nog bewijzen om aan de bewustheidseis te voldoen, terwijl het amendement nu juist beoogt dat de kwetsbare positie uit de leeftijd en de aard van de werkzaamheden voortvloeit? Is de minister bereid om hier en nu ten behoeve van de wetsgeschiedenis te bevestigen dat bij een slachtoffer onder de 21 jaar in de prostitutie de kwetsbaarheid een gegeven objectief feit is en dat het OM geen afzonderlijke opzet op die kwetsbaarheid hoeft te bewijzen om tot een veroordeling te komen?

Voorzitter. Ik maak nog enkele redactionele opmerkingen.

De eerste gaat over de normadressaat. Zoals de laatste jaren in meerdere wetsvoorstellen die het Wetboek van Strafrecht wijzigen gebeurt, wordt in dit wetsvoorstel ook weer gesproken van "degene die" in plaats van "hij die". Dit is een terminologie die zo'n 400 keer in het Wetboek van Strafrecht voorkomt. "Hij die dat doet wordt gestraft met ..." Consistent taalgebruik in het wetboek wordt met deze nieuwe normadressaat steeds geweld aangedaan, zeker gelet op al die andere strafbepalingen. Met een Raad van State die al eerder bij de Wet seksuele misdrijven kritiek heeft geleverd op het naast elkaar bestaan van beide formuleringen binnen het wetboek en heeft gewezen op de wenselijkheid van uniformiteit, acht mijn fractie het onwenselijk om binnen één wetboek twee verschillende normadressaten naast elkaar te laten bestaan.

Het wetboek, uit 1881 en van de strafrechtsgeleerde minister Modderman, is een voorbeeld van uitstekende wetgeving, die al zo'n 140 jaar meegaat. In die tijd zijn de nodige wijzigingen aangebracht, maar het overgrote deel van het wetboek is nog steeds ongewijzigd van kracht en voldoet naar behoren. In de memorie van toelichting uit 1881 schreef minister Modderman over deze grammaticale keuze de volgende kernpassage: "Waar de wet het mannelijke voornaamwoord gebruikt, bedoelt zij daarmee geenszins de vrouw uit te sluiten. 'Hij' staat hier als de algemene uitdrukking voor de persoon, het rechtssubject, de dader, onverschillig van welke sekse." Het woord "hij" fungeert in het strafrecht, het Wetboek van Strafrecht, dus niet als een verwijzing naar het mannelijk geslacht, maar als een abstracte aanduiding voor de dader of ieder natuurlijk persoon. Hierdoor was er vanaf de inwerkingtreding van het wetboek in 1886 juridisch direct consensus over dat vrouwen op gelijke wijze strafrechtelijk vervolgd konden worden onder artikelen die begonnen met "hij die". Kan de minister toezeggen voortaan de consistentie van bestaande wetgeving te zullen eerbiedigen en deze bij het invoegen van nieuwe bepalingen niet te ontsieren en te verstoren door het gebruik van verschillende normadressaten?

Vervolgens nog een opmerking over de tekst van artikel 273f, sub 5. Naar de mening van mijn fractie is dat iets minder fraai verwoord. Een wet moet niet alleen duidelijk zijn, maar ook goed leesbaar en te begrijpen. Als u dat lid 5 ziet, wordt door het invoegen van het woord "van" voor "slavernij" en de woorden "en van" voor "dienstbaarheid", woorden die terugslaan op het eerder gebruikte "met inbegrip van", dat artikellid beter leesbaar.

Voorzitter. Ten slotte signaleert mijn fractie nog een verschil tussen titel en considerans van het wetsvoorstel, waarvoor ze graag een verklaring zal vernemen. Kan de minister toelichten waarom de considerans wel spreekt over het toevoegen van het misdrijf ernstige benadeling, maar niet over de zelfstandige strafbaarstelling van voordeeltrekking terwijl beide misdrijven expliciet in de officiële titel van het wetsvoorstel worden genoemd?

Voorzitter, ik rond af. Mensenhandel is een ernstig misdrijf. Slachtoffers verliezen, zoals gezegd, hun vrijheid, maar ook hun waardigheid en vaak ook het vertrouwen in de samenleving. Daarom verdienen ze een wet die hen beschermt. Daders daarentegen verdienen een wet die hen effectief in de gevangenis brengt. We hebben behoefte aan een sluitend, uitvoerbaar en helder juridisch instrumentarium. Mijn fractie hoort graag hoe de minister de door mij geschetste vraagpunten gaat beantwoorden.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Meijer, die spreekt namens de fractie van de VVD.