Verslag van de vergadering van 26 oktober 2026 (2026/2027 nr. 05)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.34 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Roovers i (PRO):
Dank u wel, voorzitter. In het kader van de transparantie meld ik vooraf dat ik als zelfstandige freelance werkzaamheden verricht voor omroep Human.
Voorzitter. Tijdens zijn reis door de Verenigde Staten in 1831 onderzocht de Franse jurist en politiek filosoof Alexis de Tocqueville de bijzondere eigenschappen van de Amerikaanse democratie. In zijn meer dan vuistdikke verslag De la démocratie en Amérique beschrijft hij de belofte van een politiek systeem van vrijheid en gelijkheid, maar hij wijst ook direct op de gevaren, zoals de tirannie van de meerderheid. Democratie spreekt niet vanzelf. Ze heeft sterke tegenkrachten nodig die het bestuur in evenwicht houden. De Tocqueville onderscheidt er drie. De eerste wordt gevormd door sterke onafhankelijke lokale instituties als tegenmacht tegen centralisatie. De tweede noodzakelijke tegenmacht bestaat uit betrokken burgers. Daarbij wijst De Tocqueville op het belang van kranten om burgers goed te informeren. En ten derde noemt hij het christendom als tegenwicht tegen opkomend individualisme en materialisme.
Aangezien wij hier hechten aan de scheiding tussen kerk en staat laat ik die derde even buiten beschouwing, maar de eerste twee tegenkrachten, lokale autonomie en geïnformeerde burgers, zijn precies de krachten die in dit wetsvoorstel voor de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau aan de orde zijn en die het wetsvoorstel beoogt te versterken.
Dat de lokale media onder zware druk staan is al langer bekend, en niet alleen in financiële zin. De afgelopen jaren werd ook duidelijk dat de lokale media regelmatig te maken krijgen met politieke druk. Zo blijkt een op de zeven organisaties te maken te krijgen met verzoeken van het lokaal bestuur om hun nieuws aan te passen. Omgekeerd durven lokale bestuurders ondermaats functionerende lokale media niet aan te spreken op hun journalistieke taak. Kortom, het is tijd voor herstructurering van het bestel, zodat lokaal bestuur en lokale media in grotere onafhankelijkheid van elkaar kunnen opereren.
De fractie van PRO steunt het uitgangspunt van deze wet, dat de positie van de lokale publieke media verstevigt en de financiering ervan onderbrengt bij het ministerie van OCW. Daarnaast is de fractie blij met de extra investering van 18 miljoen euro. Echter, over dit wetsvoorstel wordt al een jaar of vijf, zes gepraat, maar nu moet het toch ineens voor 1 november aangenomen zijn en dus met stoom en kokend water door beide Kamers. Wij zullen ons ervoor inspannen om dat mogelijk te maken, maar er zitten naar ons idee beslist nog wat open eindjes aan dit voorstel. En die zullen we vandaag behandelen.
In mijn bijdrage richt ik me op de volgende onderdelen: de lokale binding, de onafhankelijkheid van de PBO's, de financiering en tot slot de evaluatie van de wet. Ik begin met de lokale binding en opdracht. Op 1 januari 2028 gaan ruim 230 lokale omroepen op in ongeveer 80 streekomroepen. Dat betekent dat er binnen ruim een jaar tijd 144 omroepen zullen verdwijnen. Die schaalvergroting moet samen met de extra investering leiden tot meer slagkracht voor professionele journalistiek, maar brengt ook risico's met zich mee, namelijk betrokkenheid van vrijwilligers en een grotere afstand tot de lokale nieuwsvoorziening.
Onze grootste zorg gaat over de vraag of er geen witte plekken zullen ontstaan in die nieuwsvoorziening en welke waarborgen ervoor zorgen dat de hervorming ook echt leidt tot sterkere lokale journalistiek. Onze vraag aan de minister: wie kan bijsturen en op welke gronden als die lokale opdracht onvoldoende wordt nagekomen? Is voldoende duidelijk wie toezicht houdt op de lokale nieuwsvoorziening, ook wanneer één organisatie streekoverstijgend wordt, zoals bijvoorbeeld in de regio Zuidwest-Brabant/Zeeland en in Overijssel?
Uit onze contacten met de lokale omroepen dringt zich nog een andere grote zorg op: hoe voorkomen we dat met goede bedoelingen, een stevigere professionele streekomroep, het vitale weefsel van de betrokken vrijwilligers wordt vernietigd? Vrijwilligers vormen nu op veel plekken het hart van de organisatie. Welke mogelijkheden ziet de minister om deze infrastructuur van lokale betrokkenen te koesteren en in stand te houden?
Mijn tweede onderwerp betreft de pbo's. Professionalisering van de lokale omroep vraagt ook om stevig toegeruste programmabeleid bepalende organen; ik hou het bij de afkorting. Het pbo vertegenwoordigt de belangrijkste maatschappelijke stromingen in het verzorgingsgebied en brengt daarbij het perspectief van inwoners, kijkers, luisteraars en lezers in het media-aanbod in. Deze pbo's krijgen een zwaardere verantwoordelijkheid, onder meer doordat ze tegenwicht bieden aan professionele redacties en doordat het verzorgingsgebied voor de toetsing is uitgebreid. Daar staan echter geen extra bevoegdheden of middelen tegenover, maar om de taak zelfstandig te kunnen uitoefenen heeft een pbo ten minste toegang tot informatie en enige ondersteuning nodig.
Onze vragen zijn als volgt. Kan de minister toezeggen om voor de start van het nieuwe stelsel in overleg met het commissariaat en met betrokkenheid van pbo-leden een openbare richtlijn uit te werken voor de informatie en ondersteuning waarover ieder pbo minimaal zou moeten beschikken en wat te doen bij conflicten tussen een pbo en de NLPO?
In de schriftelijke rondes heeft de minister kenbaar gemaakt dat het pbo rechtstreeks naar het Commissariaat voor de Media kan gaan en dat handhaving mogelijk is. Maar toezicht achteraf vervangt geen duidelijke waarborgen vooraf. Kan de minister toezeggen het commissariaat te vragen voor de start van het stelsel te verduidelijken welke mogelijkheden er zijn om een onafhankelijk oordeel over concrete gevallen te vragen?
Ten derde is er de financiering, die direct raakt aan de uitvoerbaarheid van de wetgeving. De hervorming zoals voorzien pakt in de praktijk niet altijd goed uit. Bij de toepassing van de rekenregel die de minister in de AMvB heeft opgenomen, is mijn fractie een aantal forse knelpunten tegengekomen. Hoe voorkomen we dat wat in principe tot een verbetering zou moeten leiden de facto een forse verslechtering oplevert? Dit gaat met name over media die in het oude stelsel meer incidentele financiering kregen en er straks fors op zullen achteruitgaan. Ik geef het voorbeeld van de regio Eindhoven, die voor de verzorgingsgebieden Best, Geldrop-Mierlo, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Son en Breugel en Waalre verantwoordelijk wordt. Die regio ontvangt nu vanuit verschillende overheden incidentele en structurele bijdragen van ongeveer een miljoen euro per jaar. Dat bedrag keldert met de nieuwe verdeelsleutel naar €480.000, iets minder dan de helft. Het gaat nota bene om een regio met een verzorgingsgebied van ruim 400.000 inwoners. Het gaat dus om een bedrag van €1,19 per inwoner.
Eindhoven is maar een voorbeeld. Vergelijkbare situaties doen zich voor in de regio Eemland en in Twente. Daar staat tegenover dat er ook regio's zijn waar men €5 of €6 per inwoner ontvangt. Dat zit zo. Die AMvB, die de verdeelsleutel voor de financiering bepaalt, definieert "een landelijke inwoner" als "een inwoner met een omgevingsadressendichtheid van minder dan 1.000 adressen per vierkante kilometer" en "een stedelijke inwoner" als "een inwoner met een omgevingsadressendichtheid van 1.500 of meer adressen per vierkante kilometer". Zoals voor de oplettende luisteraar bekend is, betekent dat dat er een gat valt. Inwoners met een omgevingsadressendichtheid tussen de 1.000 en 1.500 adressen per vierkante kilometer vallen buiten de boot. Naar het oordeel van de fractie van PRO leidt dit tot een onevenwichtige verdeling. Het gaat dan bijvoorbeeld over Hart van Brabant, over Arnhem en over de regio Rijnland. Die bedragen kelderen enorm. Onze vraag is of de minister bereid is om met een oplossing te komen voor de gevallen waarin, zoals geschetst, de gevolgen overduidelijk niet aansluiten bij de bedoeling van de nieuwe wet en om dat gat te repareren. Wij overwegen ook de indiening van een motie op dit punt.
Voorzitter. Dit is extra schrijnend vanwege de enorm krappe timing, waar ik het net al over had, waar de lokale mediaorganisaties mee te maken hebben. Ze kunnen eventueel aanvullende financiering aanvragen bij de gemeente waarvoor ze de nieuwsvoorziening verzorgen, maar om deze steun mee te kunnen nemen in de aanvraag voor de streekoproep, moeten de gemeenten het besluit over die financiering nog dit jaar nemen. Dat wil zeggen: dat moet binnen nu en twee maanden, dus nog voordat de omroepen zijn toegewezen en voordat de plannen zijn ontwikkeld. Dat brengt de omroepen in een onmogelijke positie, waardoor het vinden van extra financiering eigenlijk ondoenlijk is. Daar komt bij dat er enkele maanden geleden een wat verwarrende brief is verstuurd door de VNG over het risico van ongeoorloofde staatssteun als gemeentes zouden bijdragen aan lokale journalistiek. Dit heeft gemeenteraden, naar wij hebben vernomen, ten onrechte kopschuw gemaakt. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is de minister bereid om vanwege de enorme vaart die er nu vanuit de wetgever op deze hervorming wordt gezet en de beperkte mogelijkheden om daarop te anticiperen, de aanvraagperiode voor aanvullende financiering te verlengen? Kan de minister onverkort duidelijk maken onder welke voorwaarden er wel, maar vooral onder welke voorwaarden er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun? Graag een uitgebreide reactie.
De nu voorgestelde wetswijziging is in lijn met het eerdere advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur uit 2020. Maar één aanbeveling is niet overgenomen, namelijk het opzetten van een landelijk publiek-privaat mediafonds dat openstaat voor publieke en private partijen en dat in tegenstelling tot het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek geen incidentele maar structurele financiële ondersteuning biedt. Kan de minister toelichten waarom zij ervoor heeft gekozen dit advies niet te volgen?
Tot slot bij het onderwerp financiering: kan de minister ingaan op de situatie in Caribisch Nederland? Deze regio valt buiten het bestek van deze wet — dat weet ik — maar ook daar is lokale en regionale journalistiek een wettelijke taak. Is er voor deze gebieden ook een extra investering beschikbaar?
Ten slotte het kopje evaluatie. Het is in het schriftelijk overleg al ter sprake gekomen, maar kan de minister bevestigen dat ze het functioneren van de pbo's en hun positie meeneemt in de evaluatie van de wet? Kan er in die evaluatie ook specifiek gekeken worden naar de lokale worteling van organisaties die meerdere streekomroepgebieden bedienen?
Voorzitter, tot slot nog een kleine hartenkreet. Deze bijdrage aan het debat is volledig van mijn eigen hand. Ik zeg het er voor de zekerheid maar even bij, maar het zou natuurlijk vanzelfsprekend moeten zijn dat wij hier in de Kamer niet aan de herkomst van de woorden van de spreker hoeven te twijfelen. Politici en bestuurders dienen uitermate zorgvuldig en kritisch om te gaan met wat ze zeggen, met hun bronnen en hun hulpbronnen. Om die reden vond mijn fractie het buitengewoon pijnlijk dat nota bene de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zich onlangs in de Volkskrant uitliet over het gebruik van AI in teksten van politici als een "boomerdiscussie". De vraag naar de werking van AI en de impact ervan op ons werk in het parlement, maar zeker ook in onderwijs, cultuur, media en wetenschap is zo fundamenteel dat het platslaan van deze discussie als een "boomerdiscussie" meer dan schadelijk is. Het getuigt niet van de urgentie die vereist is om radicale wijzigingen in kennisproductie, onderwijsdoelen en machtsverhoudingen te doorgronden. Hoe monitort zij de transformaties door AI op de genoemde beleidsterreinen, zo vraag ik de minister. Welke risico's identificeren de sectoren zelf? Hoe laat zij zich hierover informeren? Is de minister bereid om een fundamenteel onderzoek te doen naar wat AI voor onze democratie betekent en welke conclusies we hieruit moeten trekken? Ik hoop op een grondige reflectie op deze vragen. Dat kan in de beantwoording later in dit debat, maar liever nog in een aparte brief aan de Kamer.
De laconieke reactie — een "boomerdiscussie" — getuigt naar mijn idee van een wijdverspreide vorm van achteloosheid en van niet echt zin hebben in nadenken over wat er op het spel staat. Maar wat we dreigen te verliezen in dit proces van geleidelijke gewenning aan de dominantie van AI is op zijn minst de "human spark", om met de paus te spreken, de menselijke vonk. Ik denk dat politici en bestuurders gezien hun democratische opdracht wel de laatsten zouden moeten zijn om het belang daarvan te relativeren. Met de woorden van de paus heb ik dan toch ook de derde tegenkracht van Tocqueville, het christendom, een plek gegeven. Maar het is vooral een plek die ons hier in de Kamer wijst op onze opdracht om de democratie te dienen als een levende gemeenschap van mensen, niet van systemen en structuren, en al helemaal niet van chatbots die met elkaar praten.
Wij kijken uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Lagas. Zij spreekt namens de fractie van BBB.