T04273

Toezegging Studenten in zelfstandige woningen (36.512/36.881)



De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zegt de Kamer, naar aanleiding van een vraag van het lid Van Gurp (GroenLinks-PvdA), toe als onderdeel van de monitor de groep studenten in zelfstandige woningen in studentensteden en de relatie met de 30% sociale huur in beeld te brengen.


Kerngegevens

Nummer T04273
Status openstaand
Datum toezegging 23 juni 2026
Deadline 1 juli 2027
Verantwoordelijke(n) Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Kamerleden drs. R. van Gurp (PRO)
Commissie commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen sociale huursector
studenten
zelfstandige woningen
Kamerstukken Novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (36.881)
Wet versterking regie volkshuisvesting (36.512)


Uit de stukken

Handelingen I 2025/2026, nr. 35, item 11.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Een derde, meer inhoudelijke vraag gaat over het schrijnende tekort aan studentenhuisvesting. Dan heb ik het niet over zelfstandige studenteneenheden, maar over studentenunits met gemeenschappelijke voorzieningen. Velen van ons — dat geldt in ieder geval voor mij, voor Hetty en voor vele anderen — hebben indertijd ook een tijd in een studentenhuis gewoond. Dat is, als het een beetje goed gaat, allemaal fantastisch leuk. Maar momenteel is er aan studentenhuizen in ieder geval een schrijnend tekort. Daar voorziet de wet niet per se in, naar onze interpretatie. Onze vraag is of parallel aan het afsprakenkader dat hier wordt gemaakt met andere overheden en de afspraken die met corporaties worden gemaakt tijdens de Woontop en dergelijke, er ook afspraken zijn met studentensteden voor het bouwen van niet-zelfstandige studenteneenheden. Als die worden gemaakt, dan gaan we ervan uit dat die studentenkamers niet meetellen in het percentage sociale huur, want dat zou in onze ogen de zelfstandige sociale huur betreffen. Anders krijg je in studentensteden wel een forse scheefgroei. Dat is een clustertje van vragen. Ik ben benieuwd wat de minister ons daarover te vertellen heeft.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

(…)

Dan vroeg u ook of dit meetelt in de sociale huurwoning. Dan zal het moeten gaan om een geheel zelfstandige woning, want onzelfstandige onderdelen van een woning, zoals een kamer, worden inderdaad niet meegeteld. Zelfstandige woningen die geschikt zijn voor studenten, worden wel meegeteld als een sociale woning. Eén woning waarin meerdere studentenkamers zijn gerealiseerd, telt ook mee.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

(…)

Mijn tweede punt is het minimum wat ook een maximum is: de 30%. We hebben daar een interruptiedebatje over gevoerd, ik ga het niet herhalen. Maar ik ben er wat extra onrustig over geworden toen ik hoorde dat zelfstandige studentenwoningen — dus niet de onzelfstandige — in de taakstelling van 30% meetellen. Ik snap het wel, want het zijn sociale woningen volgens de definitie. Maar dit gaat in studentensteden die een inhaalslag te maken hebben — en dat hebben ze allemaal — op het gebied van zelfstandige studenteneenheden, zorgen voor een ontzettende afroming van die 30% en dan blijft er nog ontzettend weinig capaciteit over voor de reguliere sociale woningbouw. Daar zou ik graag een reactie van de minister over willen hebben in haar tweede termijn.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

(…)

Dan de vraag van de heer Van Gurp over de studentenwoningen. Gaat er geen verdringing plaatsvinden? Ze tellen inderdaad mee voor de 30%, als ze zelfstandig zijn en aan de voorwaarden voldoen. Die voorwaarden zijn: minimaal 25 jaar instandhouding, beschikbaar voor de DAEB-groep en een maximale huurprijs sociaal. Er is geen sprake van verdringing, want het is en blijft een sociale huurwoning, die voorziet in een behoefte, net als sociale huurwoningen voor ouderen met een laag inkomen ook in een behoefte voorzien. Daarnaast gaat het niet om substantiële aantallen. We hebben het dan over 530 woningen.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik dank de minister voor haar antwoord. Het gaat mij een beetje om dat laatste zinnetje, over de aantallen. Het is heel simpel, maar als mijn beeld verkeerd is, moet de minister mij maar corrigeren. In studentensteden is er grote nood aan studentenwoningen. Die heb je in twee soorten: onzelfstandige en zelfstandige. Dat je inzet op meer onzelfstandige studentenwoningen lijkt mij een prima streven. Er zijn veel argumenten voor. Maar je hebt er veel nodig, dus het zou ook fijn zijn als je zelfstandige woningen, studentenflats met een eigen voordeur, hebt. Dat heeft ook voordelen voor de student die erin woont, voor de betaalbaarheid van het wonen et cetera. Als een stad een flinke slag maakt op de studentenwoningen en die worden allemaal afgetrokken van het totaal aantal sociale woningen dat men mag bouwen voor alle andere groepen, zou er weleens een hele scheve verhouding kunnen ontstaan. Met andere woorden, dan zouden de studenten weleens heel veel ruimte kunnen innemen en anderen weinig. Dat is mijn zorg. Nou zegt u: het gaat om kleine aantallen. Als het kleine aantallen zijn, dan is die zorg misschien niet gegrond, maar kunt u daar toch nog eens op reflecteren?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik begrijp de zorg van de heer Van Gurp echt heel goed. Ik denk dat we lang naar studenten hebben gekeken, voor wie we dan apart van de rest iets moesten organiseren. Als studenten hun intrek nemen in een zelfstandige sociale huurwoning, voorziet dat in een behoefte die uit de volkshuisvestingsplannen komt. Tegelijkertijd zijn wij met de universiteiten in gesprek. Er zit ook een coördinator tussen die de gesprekken namens het ministerie voert. Wij zijn echt aan het kijken met de universiteiten hoe we hier goed invulling aan kunnen geven. Mijn eigen inzet hierop is dat ik niet blind ben — en u ook niet waarschijnlijk — voor alle berichten die wij krijgen over de vereenzaming van al die studenten achter hun eigen voordeur. Ik probeer vooral met maatregelen in te zetten op: hoe kunnen we ervoor zorgen dat, als het niet zelfstandig is, er wel iets van een objectsubsidie mogelijk is om ervoor te zorgen dat het rendabel blijft om de studentenwoningen te bouwen? Daarbij gaat het erom dat er wel gemeenschappelijke ruimtes zijn, waardoor de studenten niet verloren raken achter de voordeur, waarover toch ook de nodige rapporten zijn. Dus ik hoor wat u zegt en ik ben het met u eens. Tegelijkertijd zie ik studenten net als ouderen en alles ertussenin als doelgroepen die behoefte hebben aan een woning.

De heer Van Gurp (GroenLinks-PvdA):

Ik dank de minister voor haar antwoord. Ik ben op zich hartstikke voor de dingen om vereenzaming tegen te gaan, zoals groepswonen, shared wonen of grenswonen; vooral doen dus. Het verschil tussen studenten die een zelfstandige studentenwoning hebben en studenten die in een paar steden in Nederland geconcentreerd zijn is dat het er dan gelijk veel zijn. Ouderen zijn er in heel Nederland, gescheiden mensen zijn er in heel Nederland en statushouders worden ook netjes over Nederland verspreid, ook al zijn het er niet zo veel. Studenten zijn geconcentreerd aanwezig. U zegt: ik denk dat het meevalt. Ik maak me zorgen over het niet meevallen. Zouden we kunnen afspreken dat u in de monitoring de groep "zelfstandige studenten in studentensteden" in beeld houdt? Als dat inderdaad geen substantiële werking heeft op de 30%, hebben we geen probleem. Stel dat die groep de helft van die 30% opeet, hebben we wel een probleem. Als u dat met monitoring in beeld kunt houden, hoeven we elkaar niet te gaan overtuigen, maar houden we de vinger aan de pols.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ja, ik kan dit toezeggen. Dit zit in de monitor als een element dat we apart monitoren. Dan kunt u op basis van onze rapportage meekijken hoe dat er dan uitziet.


Brondocumenten


Historie

  • 23 juni 2026
    toezegging gedaan