Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu
T01088

Toezegging WODC-onderzoek artikel 496a Sv (30.143)



De minister van Justitie, de heer Hirsch Ballin, zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen en opmerkingen van de leden Quik-Schuijt en Van de Beeten, toe de resultaten van het WODC-onderzoek inzake artikel 496a Wetboek van Strafvordering aan de Eerste Kamer te doen toekomen voordat deze bepaling in werking treedt.


Kerngegevens

Nummer T01088
Status voldaan
Datum toezegging 15 december 2009
Deadline 1 juli 2010
Voormalige Verantwoordelijke(n) Minister van Justitie
Huidige Verantwoordelijke(n) Minister van Veiligheid en Justitie
Kamerleden mr. R.H. van de Beeten (CDA)
mr. A.C. Quik-Schuijt (SP)
Commissie commissie voor Justitie (Just.)
Soort activiteit Plenaire vergadering
Categorie brief/nota
Onderwerpen slachtoffers
Wetboek van Strafvordering
WODC
Kamerstukken Versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (30.143)


Uit de stukken

Handelingen I 2009/2010, nr. 13 – blz. 434

Mevrouw Quik-Schuijt (SP): Ik neem aan dat de minister begrijpt waarom ik vragen heb gesteld over het democratische gehalte van het mondeling overleg met een advieslichaam. De door de minister verschafte informatie over het standpunt van de Raad voor de rechtspraak was onjuist, althans zodanig verpakt dat de Tweede Kamer de diepere zin daarvan niet kon doorgronden. De Tweede Kamer is daardoor op het verkeerde been gezet. Het resultaat is dat de Eerste Kamer nu geacht wordt, een wet aan te nemen waarvan op voorhand vaststaat dat deze met betrekking tot één onderdeel niet uitvoerbaar is. Is de minister het niet met mijn fractie eens dat dit geen schoonheidsprijs verdient?

Mijn fractie verzoekt de minister om artikel 496a buiten werking te stellen. Gebeurt dat niet, dan kan de minister naar eigen keuze handelen met de bevindingen van het WODC-onderzoek. Het komt mijn fractie voor dat dat toch in elk geval in strijd is met de spelregels die in een democratische samenleving gelden. Hoe denkt de minister hierover? Mijn fractie vindt het belangrijk dat de wet die de positie van het slachtoffer in het strafproces versterkt, in werking treedt, maar dan zonder dat artikel 496a. Mijn fractie hoopt dus op een positieve reactie van de minister.

(…)

Handelingen I 2009/2010, nr. 13 – blz. 434

Minister Hirsch Ballin: Het WODC gaat niet over de vraag of de bepaling in werking moet treden, maar wel over de vraag welke praktische voorzieningen daartoe moeten worden getroffen. Om die reden is het onderzoek gedaan.

Dan de positie van de Raad voor de rechtspraak. De gebruikelijke gang van zaken is dat op verzoek van de minister van Justitie uitgebrachte adviezen van de raad ter inzage worden meegestuurd. Zij zijn dus voor beide Kamers der Staten-Generaal en voor de openbaarheid beschikbaar. Zij worden trouwens in bijna alle gevallen ook op de website van de raad geplaatst. Uiteraard is er daarnaast, gegeven de taken en de rol van de raad, veelvuldig contact, dat niet altijd leidt tot advies in deze betekenis van het woord.

De heer Van de Beeten (CDA): Ik kom nog even terug op het vorige punt. Is het geen oplossing, ook voor mevrouw Quik, als wij afspreken dat de minister ons nog informeert over de resultaten van het onderzoek en dat hij toezegt dat wij nog de gelegenheid krijgen om naar aanleiding daarvan eventuele opmerkingen te maken, voordat hij besluit om het KB te laten slaan voor de invoering? Daarmee doen wij recht aan de discussie die tot dusver is gevoerd over de werkbaarheid van het amendement. Ik heb de indruk dat de andere woordvoerders daar met de minister niet aan twijfelen. Als de minister ons die toezegging doet, kunnen alle fracties de zekerheid hebben dat het amendement kan werken.

Minister Hirsch Ballin: Ik wil met alle genoegen de uitkomst van het onderzoek ter informatie aan deze Kamer geven. De heer Van de Beeten kiest zijn woorden zorgvuldig, zoals altijd. Ik vind het prima om dit te doen voordat de bepaling in werking treedt. Ik verwacht dat dit nog enige tijd zal nemen in verband met de praktische voorzieningen die moeten worden getroffen. De verwachte datum van inwerkingtreding is 1 januari 2011. Dus er is nog ruim tijd om deze informatie aan de Kamer te sturen. De heer Van de Beeten kiest zijn woorden zorgvuldig heb ik gezegd, want ″voordat″ is een tijdsbepaling en geen conditionele bepaling. Zo wil ik het ook opvatten.


Brondocumenten


Historie