Behandeling Begroting Klimaatfonds 2026



Verslag van de vergadering van 6 juli 2026 (2025/2026 nr. 38)

Aanvang: 20.10 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds (M) voor het jaar 2026 (36800-M).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik verzoek de leden om hun plaats in te nemen. Straks gaan wij uitgebreid handenschudden met de minister, en zeker ik, maar we zijn al een beetje over de tijd heen.

Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel 36800, letter M, Vaststelling van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds (M) voor het jaar 2026. Ik heet de minister van Klimaat en Groene Groei van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Crone van GroenLinks-PvdA voor zijn eerste termijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Het is goed dat we over het klimaat spreken, want ik heb ooit het initiatief genomen voor een enquêtecommissie in de Tweede Kamer over klimaat en daarin waarschuwden hoogleraren al voor wat er nu gebeurt. Zij vertelden toen dat we in de klimaatzone van Parijs terecht zouden komen, maar inmiddels zitten we in de klimaatzone van Barcelona, zo snel gaat het. Daarom staan we aan de rand van het ravijn. Klimaatopwarming is niet te stuiten. Wie dat nog niet ziet, moet het zeggen. Vertraging in het beleid tegen klimaatverandering is voor ons daarom niet aanvaardbaar. In het regeerakkoord is afgesproken dat de doelstellingen gehaald moeten worden, maar er komt pas in het voorjaar een evaluatie. Is dat niet veel te laat, vraag ik de minister. Wij willen eigenlijk al bij de Miljoenennota horen hoe het ervoor staat. We krijgen natuurlijk weer de verkenningen. Wil de minister onze steun, die van PRO, om het beleid aan te scherpen? Die bieden we graag aan.

Voorzitter. Bij het klimaatbeleid zien we een vertraging in plaats van een versnelling en dat is eigenlijk ook van toepassing op het warmtedossier. Het warmtedossier is natuurlijk een kernpunt van klimaatbeleid, want we willen lokale warmtevoorziening fossielvrij maken. Veel gemeentes zijn met projecten bezig, net als netbeheerders, woningcorporaties en energiegemeenschappen, maar ik hoor heel vaak dat ze nu al in de pauzestand zijn of zelfs stoppen. Warm Heeg — klein, maar een love baby van veel warmteliefhebbers, omdat ze een van de eersten waren — is er vorige week mee gestopt. Enexis heeft dat ook gedaan en zegt: wij drukken op de pauzeknop, want de regelgeving is veel te complex en ook de financiering is onoverzichtelijk en onvoldoende. Ik vraag de minister of zij dit ook hoort. Ik verwacht dat de komende twee, drie maanden heel veel initiatiefnemers, publiek en privaat, en energiegemeenschappen zeggen: we stoppen ermee of we drukken in ieder geval op de pauzeknop. Dat begrijp ik, want ze hebben al zeven jaar gewacht op minder complexe regelgeving en een waarborgfonds is er ook nog niet. Ik hoop niet dat deze minister zegt: dat weet ik, maar ik ga die warmtestop in het najaar wel verdedigen.

Voorzitter. Ik kan het de gemeentes niet verwijten. Gemeentes moeten in het najaar al plannen per wijk neerleggen waarin staat wat er in die wijk gaat gebeuren: wordt het full electric of wordt het een warmtenet? Maar ze kunnen niet tegen de burgers zeggen hoe het zit. Ze hebben weliswaar de regie, maar ze moeten ook vertellen wat voor tarief er ongeveer gaat komen, in ieder geval wat voor formule voor het tarief en dat kunnen ze niet zeggen, want de formule komt pas later, net als de invulling: pas in 2037. Hoe is het mogelijk? Kunnen we parallel aan dat lange traject — voor de insiders: fase 1, 2 en 3 — niet veel sneller werken met kansrijke projecten, die meestal niet alleen gaan over monowarmte, maar ook over verbinding met stroom, al dan niet op wind of zon, integratie van opslagsystemen, zoals aquathermie en ondergrondse opslag, batterijen, congestie enzovoorts? Die willen tempo en flexibiliteit, ook in de tariefmogelijkheden.

De antwoorden die wij vrijdag hebben gekregen over de Warmtewet weerspiegelen heel goed het debat van de laatste tijd. Ik dank de minister voor die antwoorden. Gelukkig staat daar een interessante opening in. De minister zegt: "Een invulling met referentietarieven is mogelijk, maar er is ook een invulling mogelijk waarbij tariefregulering voor het grootste deel overeenkomt met wat de vragenstellers voorstellen." Die vragenstellers waren in dit geval BBB en wij, maar ook het CDA. "Deze leden wijzen terecht op het belang van boekhoudkundige regels", maar het kan dus best eerder en sneller. Met de directe cost-plusbenadering zouden we direct kunnen beginnen en niet vier tot negen jaar hoeven wachten. Sterker nog, ik hoorde vanmorgen dat de ACM drie jaar geleden al in de uitvoeringstoets ervoor heeft gepleit om fase 3 naar voren te halen. Wist ik dat maar, dan had ik dat veel eerder gezegd. Maar de vorige minister heeft dat advies van de ACM niet overgenomen. Kan de minister dat foutje herstellen? Daardoor ontstaan namelijk mogelijkheden om veel sneller monowarmteprojecten maar ook juist de bredere projecten te doen. Misschien moeten we daarvoor zelfs een experimentele fase inbouwen. Het mag van de ACM kennelijk ook al zonder experimentele fase. Maar daaraan moet een experimentele garantie- of waarborgconstructie worden gekoppeld; een definitieve constructie regelen duurt waarschijnlijk te lang.

Het financieringsknelpunt is echt de grootste hobbel, want natuurlijk vragen burgers of het haalbaar en betaalbaar is: wat betaal ik per maand, niet alleen voor warmte maar voor mijn integrale energierekening? Er zijn veel voorbeelden, bijvoorbeeld in Arnhem; ik zal de minister niet iedere vergadering uitnodigen naar Arnhem, want dat heb ik nu al een paar keer gedaan. Daar zijn ze met een wijk bezig met 60% sociale huur. Dat zijn dus mensen met weinig bestedingsruimte. Die willen doorontwikkelen naar één energierekening waarin de besparing van het één de kosten dekt van het ander, maar de mensen krijgen de garantie van een goede integrale rekening. Daardoor zakken de transportkosten voor elektriciteit, die we anders als burgers met z'n allen zouden betalen, want de transportkosten voor elektriciteit zijn gesocialiseerd maar de kosten van warmte niet.

Voorzitter. Ik ga niet op de details in, maar zo'n waarborgfonds, waar wat mij betreft onmiddellijk mee begonnen zou moeten worden, zou heel goed zijn, omdat dat de potentie weer opent voor initiatieven die nu zeggen dat ze er binnenkort misschien mee stoppen. Als we die het perspectief geven dat er binnen een, twee of drie maanden perspectief is, houden ze het misschien nog even vol en gaan ze niet stoppen. Iedereen snapt dat als je eenmaal met een project gestopt bent en als de initiatiefnemers weglopen, je dat niet zomaar weer opbouwt. Straks zitten we met allemaal wijken die alleen nog maar full electric kunnen worden omdat mensen het niet meer geloven.

Zo'n experimenteel waarborgfonds, waarover ik veel heb gesproken met de collega's van BBB en het CDA, zou de volgende kenmerken kunnen hebben. Het moet natuurlijk volstrekt transparant zijn, maar dat is bijna gegarandeerd in de publieke omgeving van publieke bedrijven. Het moet leereffecten hebben; mensen moeten dus ook open met anderen in het land praten over de voor- en nadelen. Er moet een snelle start zijn in Q3 of Q4 van dit jaar. Een belangrijke aanvulling is dat het garanties moet geven. De regering zit nu maar te puzzelen met garanties en dan weer subsidies. Dat is allemaal te ingewikkeld. Het gaat om aanvullende garanties naast wat de gemeenten al gebruikelijk doen. Als de gemeenten net als de woningcorporaties allemaal een kleine premie in de pot hebben en als er een waarborgfonds is, dan betaalt het Rijk 80% van de garantie en de betrokkene 20%. We weten uit ervaring dat die garanties bijna nooit worden ingeroepen. Met bijvoorbeeld een pot van 40 miljoen kun je dus 200 miljoen aan garanties geven, want je weet nooit wie daar over tien of twintig jaar een beroep op moet doen. Dat is ook bij de waarborgfondsen van de woningcorporaties en de ziekenhuizen een zeer goed model. Ik weet dat deskundigen van BNG, Rabo en de Waterschapsbank eraan gewend zijn om daarmee om te gaan. Iedereen die het wil, mag het van mij uiteraard doen. Dan haal je met 40 miljoen een leverage van 200 miljoen garanties binnen. Dan kunnen heel veel projecten zeggen: nou, dan ga ik echt door.

De voorzitter:

Meneer Crone, u had voor vijf minuten ingeschreven. Daar bent u nu ruim overheen.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Ja, maar ik had u verteld dat ik een beetje …

De voorzitter:

Nou nee, die vijf minuten kwamen dit weekend extra. Ik wil u dus toch verzoeken om af te ronden.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Ja, ik rond heel graag af, voorzitter. Een expertteam oprichten om dit te begeleiden zou goed zijn.

Ik zou willen eindigen — dat was ik ook van plan, voorzitter — met de opmerking dat dit eigenlijk, zoals ik zojuist al zei, al jarenlang mede door drie fracties is voorbereid, namelijk onze fractie, de fractie van BBB en de fractie van het CDA. Ik wil hier graag citeren wat mevrouw Greet Prins, die ons zo jammerlijk is ontvallen, op 2 december in het debat zo mooi heeft gezegd: "De CDA-fractie is benieuwd of hier niet een simpelere en pragmatischere werkwijze mogelijk is, waarbij bijvoorbeeld elk warmtebedrijf zijn tariefvoorstel van tevoren voorlegt aan de ACM en aan de gemeenten op basis van een principe van open boekhouding, transparantie en een heldere toelichting. Zo kan in de komende jaren ook een uitgebreid bestand van gegevens worden opgebouwd." Dat is precies de bottom-upbenadering die alle partijen, de drie genoemde en de andere partijen, hebben bepleit. Ik hoop dat de minister nu die stap wil zetten met een serieuze toezegging om dat te realiseren en dat we dan geen complexe top-downregelgeving meer hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Panman van de fractie van de BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Panman i (BBB):

Voorzitter, dank u wel. "Met een kans van minder dan 5% is het heel erg onwaarschijnlijk dat Nederland het wettelijk klimaatdoel van 55% emissiereductie ten opzichte van 1990 in 2030 haalt." Dit is een citaat uit de meest recente KEV, de Klimaat- en Energieverkenning.

Voorzitter. Het is verontrustend. We hadden immers aanvankelijk in 2023 een budget van 35 miljard euro voor de reductie, waarvan alleen al 28 miljard voor 0,00036 graden Celsius vermindering zou zorgen. Inmiddels is dat fonds 48 miljard euro. Ik laat het nog even op u inwerken: minder dan 5% kans om een klimaatdoel te behalen, en daar besteedt de overheid 48 miljard belastinggeld aan. Het gaat dus over vele miljarden belastinggeld. Dat verdient volgens de BBB-fractie aandacht om bij stil te staan.

De BBB-fractie heeft drie kernpunten voor dit debat over de Begrotingsstaat Klimaatfonds: de verantwoording van het Klimaatfonds, energie als nutsvoorziening en de regio.

De verantwoording. Als we financieel kijken naar de verantwoording: het is inmiddels 2026 en er is nog slechts vier jaar tot het behalen van de wettelijk vastgestelde klimaatdoelstelling van 55% reductie. Mijn vraag aan de minister is: op welk percentage reductie ten opzichte van 1990 zitten we op dit moment, in 2026? De Algemene Rekenkamer concludeerde in haar jaarverslag van mei jongstleden, ik citeer: "Het is lastig te beoordelen wat er met het geld uit het Klimaatfonds is bereikt". Ook de financiële verantwoording van de middelen uit het Klimaatfonds betreffende de rechtmatigheid, de betrouwbaarheid en de ordelijkheid van de financiële informatie is ondoorzichtig. Eén reden is onder andere dat vanuit het Klimaatfonds alleen overhevelingen naar departementale begrotingen worden gedaan, waarmee de bestedingen dus via een indirect stelsel plaatsvinden. De BBB-fractie heeft vanaf het begin in deze Kamer geageerd tegen het systeem van fondsen, juist omdat dat niet transparant is en zorgt voor een gebrek aan parlementaire controle. In de conclusie van de Rekenkamer ziet de BBB-fractie een bevestiging van dit standpunt. Een vraag aan de minister is dan ook: is de minister het met de BBB-fractie eens dat het wellicht beter is om de gelden van het Klimaatfonds onder te brengen bij de departementale begrotingen?

Naast de financiële verantwoording is er ook een verantwoording met betrekking tot het halen of niet halen van de beoogde doelstellingen. Het PBL-rapport Reflectie op voorstellen voor de inzet van middelen uit het Klimaatfonds in het MJP 2027 pleit voor, ik citeer, "meer samenhang tussen voorstellen in tijd, ruimte en strategie" en meer duidelijkheid via het Nationaal Plan Energiesysteem om tot een verdeling te komen die beter aansluit bij de langetermijndoelen van de energietransitie. Tevens weten we inmiddels dat er organisaties zijn die een verdienmodel hebben gevonden in het aanspannen van klimaatrechtszaken tegen de Nederlandse Staat; rechtszaken die de Staat tijd en vooral belastinggeld kosten. Mijn vraag aan de minister is: staat de minister nog achter de zienswijze op het klimaat en het instrument van Klimaatfonds, de kosten, het beleid en de beoogde resultaten en doelstellingen? De BBB-fractie pleit in ieder geval voor haalbare doelstellingen en daarmee voor meer realistisch beleid. Immers, een haalbare doelstelling motiveert en onhaalbare doelstellingen frustreren. En zoals de heer Crone net al zei: de opwarming is niet te stuiten. Die is dus al een gegeven feit. Overweegt de minister een wetsvoorstel om klimaatdoelstellingen uit de wet te halen? Zo niet, in welke maatregelen voorziet de minister dan om rechtszaken van klimaatprofiteurs te voorkomen?

Energie als nutsvoorziening. Het Klimaatfonds heeft als middel het faciliteren van de energietransitie van fossiele brandstoffen naar energiebronnen die minder CO2 uitstoten; een energietransitie dus. Daarover hebben we ook nog een toezegging openstaan over de naamswijziging van dit fonds naar "Klimaat- en Energietransitiefonds". En met energie hebben we het dus over nutsvoorzieningen. Nutsvoorzieningen zijn van algemeen nut. Het zijn zaken die van groot belang zijn voor de gehele gemeenschap, zoals water, ov, riool, elektra, telecommunicatie en warmte. De Monitor RES zegt daarover: de kosten voor elektrische infrastructuur zijn van oudsher gesocialiseerd, terwijl de warmte-infrastructuur geprivatiseerd is. Wat gaat dit doen met de kosten voor mensen in de regio die van het gas af moeten en verder weg wonen van warmtebronnen? Warmte via warmtenetten geeft immers een beperkte keuzevrijheid voor huishoudens, dus minder handelingsperspectief. We kunnen begrijpen dat bij warmtenetten de kosten dicht bij een bron, zoals bij industrie of bij geothermie, goedkoper zijn dan verderaf gelegen in de regio. In de situatie waarin Nederlandse huishoudens met behulp van aardgas de huizen verwarmden, waren de kosten per kilojoule voor de warmte voor alle huishoudens in Nederland gelijk. Iedereen betaalde dezelfde prijs voor het gas. Met de diversificatie van warmte, zoals warmtenetten, lijkt dit met name voor huishoudens buiten de Randstad in gevaar te komen. Een vraag aan de minister is dan ook de volgende. Kan de minister toezeggen dat de kosten van warmte voor alle huishoudens gelijk zullen blijven? Dan hebben we het dus over de kosten per kilojoule.

Voorzitter. Na ondertekening van het Parijsakkoord op 22 april 2016, dat het doel had om de opwarming te beperken tot 2 graden, is dit vertaald naar de Europese doelstelling om de opwarming te beperken tot 1,5 graad en tot het CO2-neutraal zijn in 2050. De BBB-fractie is van mening dat wij sowieso vanuit rentmeesterschap verantwoordelijkheid dragen voor onze aarde, zodat toekomstige generaties veilig en in een gezonde omgeving kunnen leven, met de beschikking over voldoende en betaalbaar voedsel. Echter, we vernemen en ervaren steeds meer ongewenste bijeffecten van de maatregelen die we tot nu toe bedacht hebben, bijvoorbeeld netcongestie. Tevens groeit de wachtrij voor aansluitingen op het net voor bedrijven en nieuwe woonwijken. Dit zijn effecten die ongetwijfeld niet voorzien waren, maar waar Nederland nu wel mee te maken heeft. Ook is nog veel onduidelijk over hoe accu's, zonnepanelen en windturbines gerecycled kunnen worden of wat de effecten zijn bij calamiteiten als brand. Voor de BBB-fractie getuigt het van gezond verstand als beleid en maatregelen regelmatig getoetst worden op beoogde resultaten, snelheid en eventuele onvoorziene bijeffecten. Er kan een evaluatie uitgevoerd worden, zodat de keuze gemaakt kan worden of we ermee doorgaan, gaan bijsturen of er misschien mee stoppen. De BBB-fractie zou graag zien dat we een tussentijdse evaluatie uitvoeren van alle klimaatmaatregelen. Zie het als een soort van pauzeknop. Mijn vraag aan de minister is dan ook: kan de minister toezeggen bestaand beleid en maatregelen te evalueren op alle bijeffecten?

Dan het laatste punt: de regio. Reeds op 27 juni '23 heeft de BBB-fractie opgemerkt dat de landbouw geen perceel heeft in het Klimaatfonds. Nu, drie jaar later, hebben we nog steeds de situatie waarin het Klimaatakkoord vijf sectoren onderkent, waarin de landbouw en landgebruik wel worden onderkend als een sector die moet bijdragen aan de klimaatdoelstelling, maar waarin de agrarische sector in het Klimaatfonds nog geen toegang heeft tot financiële ondersteuning. Tevens stelt de Wetenschappelijke Klimaatraad dat boeren onmisbaar zijn om de klimaatdoelen te halen. De agrarische sector kan dus een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse klimaatdoelen. Dit zijn kostbare investeringen in akkerbouw, veehouderij, visserij en tuinbouw. Hiervoor heeft de agrarische sector wel financiële ondersteuning nodig. Ik wil de minister graag herinneren aan een vorig jaar aangenomen motie in deze Kamer. Dat was de motie 36600-M, letter E. Die staat nog open. Mijn vraag aan de minister is: kan de minister toezeggen dat ook de agrarische sector middels een eigen perceel toegang gaat krijgen tot het Klimaatfonds? Overigens is een bijeffect van het Porthosproject, waarin CO2 onder de Noordzee wordt opgeslagen, de CO2 duurder is geworden en tuinders in het Westland nu meer moeten betalen voor de CO2 die ze kopen om bij te mengen in hun kassen. Gaat de minister deze ondernemers nog compenseren vanuit het Klimaatfonds?

Momenteel telt de bijdrage van huishoudens in de reductie van CO2 nog niet mee. Zo ligt de norm in de Regionale Energiestrategie, de RES-norm, op 15 kilowattpiek. Zoals vastgelegd in toezegging T03787 die gedaan is door uw voorganger, zou de BBB graag zien dat deze norm naar 3 kilowattpiek gaat. Wat is hiervan de status, vraag ik aan de minister.

Ik kom op de toegang voor het mkb en lagere overheden. Graag zou de BBB-fractie ook nog een reflectie van de minister zien op de betrokkenheid en toegankelijkheid voor mkb, provincies, gemeenten en waterschappen tot het Klimaatfonds. Het kan de regio tevens helpen als iets meer vaart wordt gemaakt met de uitrol van SMR-systemen.

Tot slot, voorzitter. Wat betreft de energietransitie ziet de BBB graag meer gebiedsgerichte, regionale en integrale aanpak, niet separaat vanuit silo's kijken naar elektra of warmte alleen, maar geïntegreerd naar verschillende regionale bronnen. Ook zal een vereenvoudiging van regels en meer overleg met en tussen sectoren burgers en gemeenten helpen in regionale oplossingen.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Perin van de fractie van Volt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Voorzitter. Klimaatverandering trekt zich niks aan van landsgrenzen. Daarom is een aanpak tegen klimaatverandering in de kern geen nationale aangelegenheid, maar een globale en zeker ook een Europese. Voor Volt is het Klimaatfonds dan ook geen doel op zich. Het is een instrument waarmee Nederland uitvoering geeft aan de Europese Klimaatwet en dat bij zou moeten dragen aan de gezamenlijke opgave om in 2040 en uiteindelijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dat betekent ook dat wij dit fonds niet alleen moeten beoordelen op de vraag hoeveel geld wordt uitgegeven, maar vooral op de vraag of iedere euro Nederland en Europa dichter bij de gezamenlijke doelen brengt om uiteindelijk deze planeet ook leefbaar te houden voor de generaties na ons.

Voorzitter. Dat begint bij samenwerking. De industrie binnen de EU concurreert namelijk op één interne markt. Daarom vraag ik de minister hoe de keuzes in deze begroting zijn afgestemd op de investeringen die onze buurlanden doen. Wordt er systematisch gekeken waar Europese samenwerking meer oplevert dan alleen nationale investeringen? Hoe wordt voorkomen dat lidstaten allemaal hetzelfde proberen te doen, terwijl samenwerking juist efficiënter en goedkoper kan zijn?

Voorzitter. Wanneer we kijken naar de grootste belemmeringen voor de energietransitie, gaat het steeds minder over het opwekken van duurzame energie en steeds vaker over de vraag of we die energie kunnen transporteren. Netcongestie is inmiddels een van de grootste remmen op de verduurzaming van onze economie. Elektriciteitsverbindingen, waterstofnetwerken, opslag en grensoverschrijdende infrastructuur vormen de ruggengraat van de Europese energietransitie. Toch lijkt de infrastructuur binnen het Klimaatfonds een relatief bescheiden plaats in te nemen. Kan de minister toelichten waarom? Deelt zij de opvatting dat investeringen in energie-infrastructuur vaak een veelvoud aan andere verduurzamingsprojecten mogelijk maken en daarmee een groot multipliereffect hebben?

Voorzitter. In het Klimaatfonds is 2 miljard gereserveerd voor maatwerkafspraken met Tata Steel. Dat is dus meer dan de 1,5 miljard die er nog voor de hele energie-infrastructuur in het fonds zit. Voor Volt is het heel belangrijk dat we de industrie gaan verduurzamen, maar de besteding van publieke middelen moet doelmatig zijn. Daarom vraag ik de minister hoe zij beoordeelt of de investeringen in Tata Steel een grote bijdrage leveren aan de Europese klimaatopgave. Zweden is bijvoorbeeld dé koploper in de fossielvrije staalproductie. Daar wordt niet alleen bestaande productie verduurzaamd, maar ook een nieuwe generatie staalindustrie op groene waterstof ontwikkeld. Ook in Spanje zien we dat ze al veel verder zijn met het produceren van groen staal. Hoe weegt de minister deze Europese ontwikkelingen mee bij de inzet van Nederlandse publieke middelen? Verduurzamen wij vooral bestaande productie, of investeren wij ook voldoende in de industrie van de toekomst? Hoe kijkt de minister naar het herverdelen van de industrie in Europa? Waarom zou Nederland nog investeren in het verduurzamen van industrie die elders in Europa al duurzaam is? Is het niet doelmatiger om te constateren dat Tata te laat op de vergroeningsboot is gestapt en dat het geld nu moet worden gestopt in een waterstofnetwerk dat we bijvoorbeeld met Zweden kunnen aansluiten? Hoe voorkomt de minister dat nationale maatwerkafspraken leiden tot een subsidiecompetitie tussen lidstaten, terwijl een gelijk Europees speelveld juist noodzakelijk is voor een succesvolle industriële transitie?

Voorzitter. Dat raakt aan een bredere vraag. Steeds meer industriële opgaven worden Europees georganiseerd. De Europese Commissie werkt aan een gezamenlijke industriepolitiek en nieuwe vormen van grensoverstijgende samenwerking. Volt gelooft dat klimaatverandering sneller en beter kan worden tegengegaan als alle Europese landen zich daar tegelijk en met dezelfde agenda voor inzetten en samenwerken om de capaciteit en kansen slim te verdelen. Hoe ziet de minister de rol van nationale klimaatfondsen in het veranderende Europees speelveld? Is zij bereid om in toekomstige begrotingen expliciet inzichtelijk te maken hoe investeringen uit het Klimaatfonds bijdragen aan Europese samenwerking, gebruikmaken van Europese financiering en aansluiten bij de investeringen van andere lidstaten? Voor mijn fractie zou dat een belangrijke verbetering van de begroting zijn.

Voorzitter. Het gaat uiteindelijk niet alleen om de vraag of het geld volgens de regels is uitgegeven. Het gaat ook om de vraag of Nederland dankzij deze investeringen daadwerkelijk dichter bij de Europese klimaatdoelen komt om te zorgen dat we een leefbare planeet achterlaten voor de volgende generaties. Ik kijk uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Kemperman. Hij spreekt namens Forum voor Democratie en de Fractie Beukering.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Kemperman i (FVD):

Voorzitter. Het klimaat verandert. Dat doet het al duizenden jaren. Dat de mens denkt dat hij hiervan de veroorzaker is of dat klimaatalarmisten de illusie hebben dat zij klimaatverandering eenzijdig kunnen stoppen, is wat Forum betreft net zo realistisch als het sprookje van Hansje Brinkers die met zijn vinger in de dijk een overstroming voorkwam.

Twee weken geleden zuchtte Nederland onder een heuse hittegolf. De mussen — een bedreigde diersoort volgens de huidige normen — vielen dood van het dak en ouderen stierven bij bosjes. Het is interessant overigens dat de doodsoorzaak van een week warmte al snel onderzocht en bekend werd en dat de voortdurende, onverklaarbare en significant hogere oversterfte sinds covid en de vaccinatiecampagnes nog steeds niet is onderzocht. Maar dat is voer voor een ander debat.

Voorzitter. De weerkaart kleurde donkerrood of paars en media berichtten over "de heetste dag" of "de warmste nacht" uit onze geschiedenis en dat het een wonder is dat we het overleefd hebben. Een week lang was de meteorologische inferno nog belangrijker dan de oorlogsdreiging waarover we het vorige week in het debat hadden. Na de hitteplannen, hitteprotocollen en hittestresstesten hebben we sinds enkele weken zelfs een heuse KNMI-indicator, inclusief een app, die de hittestress op ons lichaam aangeeft: hittekracht. Net als de gevoelstemperatuur is deze wat ons betreft even onzinnig en alarmistisch, want gemiddeld gaan Nederlanders vier miljoen keer vrijwillig op vakantie naar landen in Zuid-Europa waar deze levensbedreigende omstandigheden doodgewoon zijn, voor hun plezier.

Voorzitter. De afgelopen 50 jaar zijn er in Nederland 23 landelijke hittegolven geweest. De zomer van 1976 was warmer, langer en droger. De afgelopen hittegolf was dus geen record. De berichtgeving over het klimaat klopt wel vaker niet. Zo moest de KNMI recent een historische correctie doorvoeren waardoor met terugwerkende kracht zeven extra hittegolven aan de Nederlandse geschiedenis werden toegevoegd. Dat gebeurde door oude data op dezelfde manier te berekenen als de huidige metingen. De leden van de commissie IWO/VRO herinneren zich vast nog wel de deskundigenbijeenkomsten over water waarin experts ons voorhielden dat in de meest rampzalige scenario's rekening gehouden moet worden met zeespiegelstijgingen van maar liefst 17 meter. Ik heb goed nieuws: volgens het IPCC kunnen de extreme scenario's in de prullenbak. Dezelfde prullenbak waarin het gat in de ozonlaag, de zure regen, het verdwenen koraal, de uitstervende ijsberen et cetera zijn verdwenen. Berichtgeving die alarmerend is, dient zorgvuldig en juist te zijn. De vraag komt op waarom berichten steeds vaker eenzijdig bevestigen dat er klimaatalarmisme is in plaats van dat er objectieve berichtgeving is.

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik wil de heer Kemperman meegeven dat niet alleen het meest extreme scenario van het IPCC, maar ook het minst extreme scenario is aangepast. Het is een aanpassing aan beide kanten van de bandbreedte van de scenario's.

De heer Kemperman (FVD):

Dank u wel, mevrouw Visseren. Ik heb het inderdaad over de aanpassing van berichtgeving die vaak onvolledig en onjuist blijkt te zijn. Berichtgeving die zo alarmerend is, dient zorgvuldig en juist te zijn. De vraag komt op waarom berichten steeds vaker eenzijdig bevestigen dat er klimaatalarmisme is in plaats van dat er objectieve berichtgeving is. Doorspekt met zo veel eenzijdige onjuistheid lijkt het erop dat klimaatpropaganda het afnemend draagvlak voor de enorme welvaartsoffers moet stutten.

Voorzitter. Dit kabinet zet stoïcijns in op onhaalbare en peperdure klimaatdoelen. Alleen voor Nederland bedragen de kosten meer dan 1.000 miljard euro, zo'n €230.000 per gezin, voor de inmiddels bekende, niet eens te meten, 0,00007 graad minder in het jaar 2100. Verwaarloosbaar. En de rest van de wereld deed of doet steeds minder mee. De rampzalige gevolgen voor onze economie zijn niet verwaarloosbaar. Bedrijven zuchten onder klimaatmaatregelen. Onze werkgelegenheid verdwijnt, en daarmee onze welvaart. De gevolgen voor onze energie-infrastructuur zijn niet verwaarloosbaar. Moderne, efficiënte kolencentrales gingen dicht of werden niet gebouwd. De energietransitie zorgde voor een overbelast elektriciteitsnet. Wind- en zonne-energie zijn ontoereikend, niet stabiel, landschapsvervuilend en lelijk. Tot overmaat van ramp besloten we onze gasvelden, de grootste natuurlijke energiebron van Europa, met beton dicht te gooien; net zo'n historische misstap als het sluiten van de kerncentrales door onze oosterburen, vooral toen ook nog de oorlog uitbrak en Amerika en Oekraïne de Nord Stream 2-pijpleiding opbliezen. Daardoor werden wij afhankelijk van peperduur vloeibaar gas uit de VS en Qatar. Een pijnlijk detail is dat de gasinstallaties die we weggegeven hebben, nu in Oekraïne weer worden gebruikt om de kapotte gasinfrastructuur op te bouwen. Als we het over klimaat hebben …

Voorzitter. De burger, de automobilist en de ondernemer gaan kapot aan de ideologische klimaatwaan en het economische sloopbeleid van deze ideologisch doodlopende weg.

Voorzitter. In het Tweede Kamerdebat over de opwarming van de aarde werd de voorganger van deze minister door onze fractievoorzitter aangesproken op de befaamde hockeystickgrafiek uit het IPCC-rapport. Die zou aantonen dat de temperatuur op aarde de laatste 100 jaar exponentieel gestegen is. Onderzoekers McIntyre en McKitrick wezen op de onjuistheid van deze grafiek. Zij toonden aan dat vervuilde en onjuiste data hieraan ten grondslag lagen. Destijds minister Hermans pareerde deze wetenschappelijk onderbouwde kritiek door te verwijzen naar de expliciete bevestiging van deze alarmerende laatste 100 jaar temperatuurstijging in het Global Temperature Report for 2024 van Berkeley Earth. Ik heb het toch maar even opgezocht. Wat blijkt? In dit rapport wordt op geen enkele manier verwezen naar de bekritiseerde hockeystickgrafiek van het IPCC. Graag een reactie van de minister op deze kritiek op de hockeystick, en liefst nu een die wél gestoeld is op deugdelijke wetenschappelijke bronnen.

Graag ook een reactie van de minister op de energielockdown van zondagmorgen jongstleden, waartoe netbeheerder Enexis in Tilburg besloot. Welke garantie geeft de minister dat dit niet vaker en elders gebeurt? Beschikt Nederland over voldoende noodsystemen wanneer dit bij cruciale organisaties gebeurt, zoals ziekenhuizen, zorginstellingen en laboratoria, of bij beveiligde gebouwen, wanneer daar de stroom eraf moet, een beslissing die eenzijdig door de netbeheerder wordt genomen en niet door een overheid of het bevoegd gezag? Graag een concreet en onderbouwd antwoord van de minister.

Vindt de minister de energietransitie belangrijker dan de dagelijkse beschikbaarheid van onze energie en de continuïteit van cruciale maatschappelijke functies? Als zij dat vindt, en dat mag ik niet hopen, is het dan niet verstandig pas op de plaats te maken met de geforceerde energietransitie totdat onze infrastructuur robuust genoeg is en blijft werken? Of beter nog: te stoppen met de elektrificatie van Nederland totdat we kernenergie op orde hebben?

Nu wat specifieke vragen over het Klimaatfonds. Uit gedegen onderzoek van het onafhankelijke journalistenplatform INDEPEN komt een zeer verontrustend beeld naar voren wat betreft de financiële transparantie van de klimaatmiljarden. De 28 miljard euro is een in 2023 gereserveerd budget — net is door collega Panman al gesproken over 48 miljard euro — dat over meerdere jaren wordt uitgesmeerd. Vele van de 120 projecten binnen dit initiatief moeten nog worden uitgewerkt en door het parlement worden goedgekeurd. Voor sommige onderdelen is zelfs Europese goedkeuring noodzakelijk. De Algemene Rekenkamer heeft meerdere keren opgemerkt dat het parlement nauwelijks kan beoordelen hoe de klimaatgelden zich verhouden tot andere uitgaven, omdat de middelen onnavolgbaar over veel begrotingen en fondsen zijn verspreid. Zonder betere informatie over de doeltreffendheid en de doelmatigheid van deze uitgaven is het voor de Kamer vrijwel onmogelijk om de gemaakte keuzes te controleren. In een artikel van BNR lezen we: "In sommige gevallen is 90% van de bepaalde klimaatuitgaven in een overzicht niet te vinden in de betreffende begroting of jaarverslag. Doordat een duidelijke definitie van klimaatbeleid ontbreekt, hebben ministeries de vrijheid om te bepalen welke maatregelen zij aandragen en welke uitgaven zij als klimaatuitgave beschouwen."

In het verantwoordingsonderzoek 2025 gaat de Rekenkamer nog een stapje verder. Hij schrijft dat "nauwelijks te volgen is wat met de miljarden uiteindelijk is bereikt." Het jaarverslag van het Klimaatfonds zelf bevestigt dit: wat er echt met het klimaatgeld gebeurt, weten we niet. In het jaarverslag van het ministerie van Financiën lezen we dat het ministerie aan de Eerste en Tweede Kamer om decharge heeft gevraagd voor het jaarverslag van het Klimaatfonds, waar eigenlijk niets in staat, behalve nullen. Beide Kamers verleenden de gevraagde decharge. Het is vreemd, met zo veel kritiek van de Algemene Rekenkamer en een jaarverslag dat feitelijk niet de gewenste verantwoordingsinformatie bevat, dat die decharge werd verstrekt.

Tijdens het debat destijds over de Tijdelijke wet Klimaatfonds vroegen meerdere fracties aan de toenmalige Klimaatminister Jetten hoe de Kamer grip had op deze miljarden, die voor jaren vooruit worden gereserveerd. Alle partijen, behalve Forum, de PVV en BBB, steunden dit fonds, maar alle partijen wilden wel dat de Kamer jaarlijks invloed zou houden op de besteding van de middelen en niet slechts één keer, bij de instelling van het fonds. Zij betoogden dat het fonds van tientallen miljarden de normale begrotingscontrole zou uithollen en de mogelijkheid tot parlementaire controle ernstig zou beperken.

Deze niet nagekomen eis van de Kamer bij de invoering van de Klimaatwet en de kritiek van de Rekenkamer in 2024 en 2025 op het financiële beheer van het fonds, leiden tot de conclusie dat de parlementaire democratie nauwelijks meer serieus genomen werd door de toen verantwoordelijke bewindspersonen. Forum voor Democratie vindt dit gevaarlijk en onacceptabel. De verantwoordelijke minister dient ten minste de recht- en doelmatigheid van het fonds te kunnen verantwoorden. Dat zijn hygiënefactoren van financieel beleid. Ook de doelmatigheid dient te worden gerapporteerd in de doelen van dit fonds. Hoeveel megaton CO2-reductie is er door de besteding van dit fonds daadwerkelijk gerealiseerd? Forum voor Democratie vraagt van de minister de expliciete toezegging dat zij voor het einde van het jaar aan de Kamer een gespecificeerd overzicht stuurt van de bestedingen en de resultaten hiervan, voorzien van een rechtmatigheidsoordeel.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dank, voorzitter. Mijn fractie, die de Partij voor de Dieren vertegenwoordigt in de Eerste Kamer, maakt zich zorgen over de betekenis van de naamswijziging van "Klimaatfonds" naar "Klimaat- en energiefonds". Betekent dit, zo vraag ik de minister, dat de doelstelling van het Klimaatfonds ook wijzigt van een nauwere klimaatdoelstelling naar een bredere energiedoelstelling, waardoor het fonds nog minder zal bijdragen aan het realiseren van onze klimaatdoelstellingen?

Voorzitter. Een groot deel van het Klimaatfonds wordt geïnvesteerd in activiteiten die wellicht, of alleen indirect, of pas op de langere termijn, kunnen bijdragen aan de klimaatmitigatie en -adaptatie. Waarom worden activiteiten die niet of nauwelijks bijdragen aan klimaatmitigatie of -adaptatie gefinancierd vanuit het Klimaatfonds? Dat kan ook uit de reguliere begroting gebeuren, waardoor met het Klimaatfonds kan worden gefocust op maatregelen die daadwerkelijk bijdragen aan klimaatdoelen. Ik vraag de minister: wat zijn de criteria op basis waarvan wordt besloten om iets uit het Klimaatfonds of uit de reguliere begroting te financieren?

Heeft het kabinet nog steeds de intentie om de doelmatigheid en doeltreffendheid van het Klimaatfonds uiterlijk in 2027 te evalueren? Wordt hierbij onderzocht hoeveel het fonds tot nu toe direct heeft bijgedragen aan klimaatmitigatie en -adaptie?

Voorzitter. Een groot gedeelte van het budget van het Klimaatfonds staat niks te doen op de begroting, in afwachting van concrete plannen. Waarom laat het kabinet, in een tijd waarin de noodzaak van een effectief klimaatbeleid steeds tastbaarder wordt, 21 miljard euro stof vangen in de begroting, waarvan 13,6 miljard zelfs zonder specifieke reservering, terwijl er met dit budget nu concrete maatregelen zouden kunnen worden genomen om klimaatverandering tegen te gaan en de klimaatdoelstellingen voor 2030, 2040 en 2050 dichterbij te brengen? Overigens gaan deze doelstellingen volgens de Partij voor de Dieren niet ver genoeg. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Het overgrote deel van het beschikbare budget is gereserveerd voor kernenergie. Het kabinet-Schoof heeft de reservering voor kernenergie in het Klimaatfonds, die al 5 miljard euro bedroeg, met nog 9,5 miljard euro opgehoogd. Als ik het goed begrijp, is deze verhoging van 9,5 miljard door het huidige kabinet niet teruggedraaid, ook niet gedeeltelijk. Ik vraag de minister: waarom niet?

Voorzitter. Ik heb de afgelopen jaren met verschillende voorgangers van deze minister debatten gevoerd over kernenergie. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op de volgende constateringen. Het zijn er zeven.

Ten eerste is kernenergie niet nodig voor een duurzame Nederlandse energiemix. Verschillende scenario's voor het toekomstige Nederlandse energiesysteem laten dit zien.

Ten tweede is kernenergie niet hernieuwbaar. We weten allemaal dat er uranium nodig is, waarvan een eindige hoeveelheid beschikbaar is.

Ten derde wordt in Borssele uranium gebruikt dat in Rusland wordt verrijkt. Hoe staat het, vraag ik de minister, met het onderzoek naar alternatieven voor deze afhankelijkheid van Rusland? Ik heb dit probleem al in december 2023 aangekaart, dus verschillende kabinetten hebben tweeënhalf jaar de tijd gehad om het op te lossen. Zijn we inmiddels niet meer afhankelijk van Rusland voor het verrijken van uranium, vraag ik de minister.

Ten vierde duurt het plannen en bouwen van een kerncentrale jaren, waardoor kernenergie op de korte termijn niet kan bijdragen aan het veranderen van de energiemix.

Ten vijfde is de milieu-impact van de hele kernenergieketen niet bekend. Een voorganger van deze minister heeft toegezegd die te onderzoeken. Hoe staat het met de uitvoering van deze toezegging, vraag ik de minister.

Ten zesde is er geen oplossing voor het radioactieve afval, dat honderden tot een kwart miljoen jaar veilig moet worden beheerd. We zadelen dus heel veel toekomstige generaties op met ons gevaarlijke afval. Ten slotte is kernenergie hartstikke duur en vergt ze enorme investeringen van de overheid. Ook het ontmantelen van kerncentrales na het gebruik is enorm duur.

Voorzitter. Kernenergie is dus niet nodig en niet hernieuwbaar, ze heeft geopolitieke consequenties, ze is op de korte termijn, wanneer klimaatmitigatie het meest effectief is, geen oplossing, is duur, vraagt een enorm, langdurig commitment van de overheid en is, mede gezien het radioactieve afval, niet duurzaam. Wat doet een reservering van miljarden voor kernenergie op de Klimaatfondsbegroting, vraagt de Partij voor de Dieren zich al jarenlang af. Dit bedrag zou nu kunnen worden uitgegeven aan bijvoorbeeld de uitbreiding van de investeringen in woningisolatie. Daardoor is er op kortere termijn klimaatwinst en wordt tegelijkertijd de energiearmoede geadresseerd.

Ook het PBL zegt in zijn quickscan dat de verdeling over de verschillende zogenoemde percelen in het Klimaatfonds nu uit balans is, omdat de budgetten van alle percelen behalve kernenergie zo'n beetje zijn uitgegeven of gereserveerd. Is de minister bereid om bijvoorbeeld in de voorbereidingen voor Prinsjesdag de verdeling tussen de percelen in het Klimaatfonds te heroverwegen om zodoende de komende jaren initiatieven die daadwerkelijk bijdragen aan klimaatmitigatie te kunnen financieren? Ik ben op zoek naar een toezegging en ik overweeg een motie op dit punt.

Voorzitter. Ik kijk uit naar de antwoorden van de minister. Voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

De heer Kemperman i (FVD):

Zelfs op de maandagavond helpen collega Visseren en ik elkaar graag om de puntjes op de i te zetten wat betreft de details in onze debatten. Ik heb een vraag aan de collega. Ik hoor altijd over de angst voor dat kernafval, dat zou overblijven uit kernenergie. Heeft u enig idee hoeveel kernafval er bijvoorbeeld bij een jaarproductie van een centrale als Borssele overblijft? Is dat een sporthal vol, of een groot parkeerterrein? Of past het in een kopje koffie? Kunt u dat punt wat duiden? Ik ben namelijk van mening dat hier vaak wat alarmistisch over wordt gedaan.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Mijn antwoord betreft de vraag of de heer Kemperman weleens is blootgesteld aan kernafval. Het gaat niet om de hoeveelheid; het gaat om de intensiteit van de radioactiviteit van het afval. Ik heb in december 2023 in een debat over kernenergie al die cijfers genoemd. Het gaat over grootten van scheepsladingen. Dat is algemeen bekend. Daarover wordt ook gepubliceerd door de Rijksoverheid. Het is dus meer dan een theekopje en het is gevaarlijker dan de toon van de heer Kemperman doet vermoeden.

De heer Kemperman (FVD):

Het is altijd mooi als je een vraag stelt en dan zelf een vraag krijgt. Gelukkig gaf u daarna het antwoord. Ik mocht toevallig ooit een project leiden om ergens in de duinen van Bergen radioactief afval naar boven te halen en naar Borssele te transporteren, omdat de minister één opslagplaats voor kernafval wilde. Ik ben dus juist erg goed op de hoogte van de hoeveelheid. Ik kan u melden dat de hoeveelheid afval van zo'n kerncentrale ongeveer de grootte van een bananendoos heeft. Dat is het echte, gevaarlijke afval. Dat kun je prima opslaan. Daar moet je natuurlijk niet bovenop gaan zitten in je zwembroek. Dat snap ik ook wel, maar je kunt dat prima veilig opslaan. Dat is juist mijn punt. Er wordt zo vaak gedaan ... U zei zelfs "scheepsladingen".

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ja, ik zei "scheepsladingen".

De heer Kemperman (FVD):

Daarover verschillen we dan ernstig van mening. Ik heb destijds een opslagplaats mogen opruimen als projectmanager. Dat waren echt geen scheepsladingen. Dat kon in een enkele terreinwagen, onder zware bewaking, naar een nieuwe opslagplaats, waar het veilig is opgeslagen. Ik wil dat dus echt nuanceren.

Voorzitter, ik heb geen vraag. Daarmee is mijn interruptie beëindigd.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik wil graag reageren op deze non-vraag. Het is een publicatie van de Rijksoverheid die een overzicht geeft van hoeveel radioactief kernafval er in Borssele wordt geproduceerd. Het is meer dan de heer Kemperman omschrijft. We kunnen het aan de minister vragen. Ik zal het aan de minister vragen: hoeveel kernafval is er geproduceerd in Borssele? En hoeveel kernafval zal er worden geproduceerd door de geplande twee of vier extra kerncentrales en SMR's die het kabinet voor ogen heeft? En het gaat niet alleen om de hoeveelheid, het gaat ook om de intensiteit, om het gevaar van het kernafval, met name omdat kernafval tot 250 miljoen jaar radioactief kan blijven. Wie kan er plannen over duizenden jaren heen? Dus als de heer Kemperman mij kan overtuigen dat wij op die termijn íets kunnen plannen, laat staan iets dat zo gevaarlijk is als radioactief afval, dan zouden we een ander debat hebben. Maar er is geen civilisatie geweest die alles kon voorspellen over de termijn van duizenden jaren heen, en dan ben ik nog conservatief.

Dat was mijn reactie op de heer Kemperman.

De voorzitter:

Nog een kort antwoord van de heer Kemperman. Ik voelde wat uitlokking.

De heer Kemperman (FVD):

Zo voelde het een klein beetje, maar het voelt niet negatief. Misschien kan ik het voorstel doen om een werkbezoek te doen naar de omgeving van de kerncentrale Tsjernobyl, waar ik vrij recent cameraploegen heb zien rondlopen die daar van alles filmden. Zij filmden dat het leven daar weer gewoon is hersteld. Er is normaal leven mogelijk op een plek waar de meest gruwelijke straling ooit is gemeten. Die straling is er nu dus niet meer. Dat is wat ik bedoel. U bent erg bang voor die straling. Ik denk dat het wel meevalt, want zulke voorbeelden geven aan dat … Er zijn stranden in de wereld waar je gewoon hele hoge straling kunt meten, natuurlijke straling, die helemaal niet zo verontrustend is als vaak wordt voorgespiegeld. Een werkbezoek aan Tsjernobyl dus, om te kijken naar hoe verschrikkelijk het daar inmiddels níet meer is.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u dit soort afspraken in commissieverband gaat doen.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik ben toevallig naar het museum over Tsjernobyl geweest. Het is al een tijdje geleden. Ik moet zeggen dat het een van de meest indrukwekkende museumbezoeken uit mijn leven is geweest. Ik zou de heer Kemperman aanraden dat museum te bezoeken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Aelst-den Uijl. Zij spreekt namens de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):

Dank, voorzitter. Met de hittegolf en code rood nog vers in het geheugen hoop ik dat niemand hier vandaag — of nou ja, bijna niemand — uitleg nodig heeft over waarom het van belang is dat wij met elkaar spreken over de begroting Klimaatfonds. Voor ons als SP zijn de belangrijkste vragen: doen we nu eindelijk genoeg en gaan we het tij keren? Gaan we de effecten mitigeren? Uiteindelijk zijn beide voor ons van belang. Mitigeren is onvermijdelijk en erger voorkomen is van levensbelang.

Nederland heeft zich gecommitteerd aan 55% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. In de Klimaat- en Energieverkenning van 2025 van het Planbureau voor de Leefomgeving constateren de onderzoekers dat het zeer onwaarschijnlijk is dat Nederland het doel zal halen. Het PBL geeft Nederland inmiddels een kans van minder dan 5%. Met het huidige uitgewerkte beleid per 1 januari 2025 koersen we af op 45% tot 53% minder uitstoot. Met aanvullend beleid kan dit groeien van 47% tot net geen 55%. Om een slagingskans van 50% te halen moeten we een extra CO2-reductie van 13 megaton zien te behalen. Voor een slagingskans van 95% moeten we 22 megaton minder uitstoten. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving zijn er steeds minder opties die deze emissiereductie mogelijk gaan maken, die geen serieuze pijn doen of geen serieuze maatschappelijke weerstand zullen oproepen. Er zijn ook weinig concrete plannen om de emissiereductie van na 2030 te realiseren. En dat is wel nodig, want dat doel van 55% in 2030 moet een eerste stap zijn naar volledig klimaatneutraal in 2050. Als het doel in 2030 niet gehaald wordt, worden de uitdagingen daarna alleen maar groter.

Zoals ons allen, of bijna iedereen, opgevallen is, bereiken we steeds meer tippingpoints. Steeds meer van ons systeem, zoals we het kennen, stort in en dat is een duur grapje. In een rapport uit 2025 van het Britse Institute and Faculty of Actuaries berekent deze organisatie dat het wereldwijde bbp zal halveren tussen 2070 en 2090 vanwege de klimaatcrisis. Uit een rapport van klimaatonderzoekers van de universiteit van Exeter blijkt dat overheden de economische effecten van klimaatverandering onderschatten, omdat onderliggende economische modellen onvoldoende rekening houden met extreem weer en de escalerende effecten van klimaatverandering, de tippingpoints.

Uit een studie van de universiteit van Mannheim blijkt dat de hittegolven, droogtes en overstromingen die in de zomer van 2025 in Europa plaatsvonden, tot een economisch verlies van 43 miljard hebben geleid. Extreem weer heeft op de lange termijn ook effect op de arbeidsproductiviteit. Zo ligt vier jaar na een periode van droogte het regionale bbp gemiddeld 3% lager dan voorheen. In het geval van een overstroming is dat gemiddeld 2,8%. Ook de hittegolf van afgelopen week heeft flink geld gekost, bijvoorbeeld aan arbeidsproductiviteit, maar het heeft ook de landbouw heel veel geld gekost. Zo is bijvoorbeeld becijferd dat een derde van maïsoogst in Frankrijk zal mislukken door deze hitte, wat de boeren heel veel geld gaat kosten. De voedselproductie komt steeds verder onder druk te staan door dit extreme weer.

Ook gemeenten zullen mee moeten betalen aan klimaatadaptie en schadeherstel. In maart 2026 publiceerde ESB een onderzoek naar de verwachte klimaatschade in Nederland en de verwachte kosten voor gemeenten. Daaruit blijkt dat gemeenten in 2050 met 8,5 miljard aan klimaatschade en 4,2 miljard aan adaptatie te maken zullen hebben. Verder blijkt uit dit rapport dat gemeenten grote delen van hun budget kwijt gaan zijn aan schadeherstel. Gelukkig zaten die gemeenten al zo lekker in hun financiën! Dus dat kunnen ze uiteraard prima hebben, is het niet? Hoe worden al deze extra kosten, mede veroorzaakt door onvoldoende beleid van rijkswege, strakjes toegevoegd aan het Klimaatfonds? Of gaan we deze kosten met elkaar voorkomen?

Voorzitter. Dan de vraag wat dit onze inwoners gaat kosten. Door de toename van de ernst en de frequentie van extreme weerssituaties nemen op dit moment de prijzen van verzekeringen al fors toe. De toenemende hoeveelheid claims heeft een direct gevolg op wat huishoudens vandaag betalen voor hun verzekeringspremie. Wouter Botzen, hoogleraar economie van de klimaatverandering en natuurrampen van de VU, schreef een positionpaper aan de Tweede Kamer over de economische gevolgen van klimaatverandering. Daarin stelde hij dat huishoudens met lage inkomens nog harder worden geraakt in hun bestaanszekerheid, harder dan alle andere inkomens. Zij zijn namelijk extra kwetsbaar voor de negatieve economische schokken die gepaard gaan met natuurrampen, en uiteraard voor de prijsstijgingen van onder andere voedsel na periodes van droogte.

In het buitenland hebben dalende huizenprijzen in risicogebieden nu al effect. Die effecten zorgen ervoor dat mensen met een lager inkomen in die gebieden gaan wonen waar de huizen het goedkoopst zijn, doordat de risico's op klimaatverandering daar het grootste zijn. Ook dit kan in Nederland gebeuren zodra klimaatrisico's meer worden meegenomen in de huizenprijzen. Daarnaast zijn deze huishoudens minder in staat om klimaatadaptatiemaatregelen te nemen. Met de grote ongelijkheid die wij nu al hebben in Nederland en de stijgende kosten van het dagelijks leven voor onze inwoners vragen wij ons oprecht af hoe het kabinet dat ziet in relatie tot de cijfers over of wij de doelen gaan halen of niet, en of wij überhaupt hebben nagedacht over de doelen na 2030.

Wij vragen ons als SP af of het kabinet dieper heeft nagedacht over de kosten van niets of te weinig doen aan klimaatverandering voor onze inwoners, voor onze bedrijven, voor boeren, voor al die verschillende actoren die er niet zo heel veel aan kunnen doen. Tot nu toe blijkt dat niet uit het beleid, maar toegegeven, dat was niet het beleid van dit kabinet. Wij zijn dus heel benieuwd wat dit kabinet gaat doen om het tij te keren. Wij vragen ons daarbij af of er integraal wordt gekeken naar de kosten van bijvoorbeeld zorg die ontstaan door klimaatopwarming, of naar de kosten voor uren die mensen niet of minder kunnen werken.

Voorzitter. Wij zijn oprecht heel erg benieuwd.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden nog het woord in de eerste termijn? Dat is niet het geval. We zijn toe aan het antwoord van de regering in de eerste termijn. Bent u in de gelegenheid om direct te reageren of heeft u even nodig? Hoeveel minuten heeft u nodig? Een kwartiertje. Dan schors ik tot 21.20 uur.

De vergadering wordt van 21.07 uur tot 21.21 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister van Klimaat en Groene Groei.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Van Veldhoven-van der Meer i:

Dank u wel, voorzitter. Het is goed om hier weer te zijn en u allemaal in dit huis te mogen spreken. De heer Crone zei: klimaatverandering wacht niet. Dat is inderdaad zo. Het is in de kern echt een internationale aangelegenheid. We zullen allemaal actie moeten ondernemen. Ook als je maar een onderdeel bent van dat geheel, heb je wel de verantwoordelijkheid om in ieder geval je eigen stoep schoon te vegen. Het landt uiteindelijk allemaal lokaal. Het is dus belangrijk dat we integraal kijken wat de optelsom is in een regio en hoe het daar landt.

De kosten gaan voor de baten uit, maar de kosten van nietsdoen zijn vele malen groter dan de kosten van handelen. Wel is het van belang dat daar dan ook een goede verantwoording over plaatsvindt. Ik dank uw Kamer dus voor de gelegenheid om uw vragen hierover te beantwoorden. Ik zal in drie blokjes antwoorden: als eerste over het Klimaatfonds, dan over warmte, en dan over industrie en een aantal andere zaken. Het kabinet werkt hier hard aan, maar een haakse bocht is, met de olietanker die onze economie is, lastig te nemen. Daarom is het ook terecht dat uw Kamer aandacht vraagt voor de maatregelen naar 2030. Ik zal er straks op terugkomen hoe wij willen omgaan met de ontwikkelingen van die plannen.

Een vraag van de heer Panman. Overweegt de minister het wetsvoorstel om de klimaatdoelen uit de wet te halen? Nee, dat overweeg ik niet. Nederland dient bij te dragen aan de Europese doelstellingen van het klimaatbeleid, en dat doen we via de Klimaatwet. Ook in het coalitieakkoord hebben we afgesproken om in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen te nemen om de doelen te halen. Bij die voorbereiding kijken we ook naar uitvoerbaarheid en haalbaarheid voor zowel bedrijven als mensen thuis. Overigens kunnen partijen, ook zonder onze Klimaatwet, naar de rechter stappen op basis van internationale verdragen; kijk maar naar de Urgendacasus.

De heer Crone sloeg ook aan op dat "voorjaar 2027". Hij vroeg of dat sneller kan en is nu al bereid om steun te bieden. Dat is altijd welkom, zeg ik daar maar even bij. We zitten in ieder geval niet stil tot voorjaar 2027. In de afgelopen maanden hebben we al aanvullende maatregelen aangekondigd als onderdeel van het energieschokpakket in april. Ik hoop dat uw Kamer ook heeft gezien dat we bij het samenstellen van dat pakket echt hebben gekeken waar we op de korte termijn moeten helpen en hoe we dat verbinden aan de concurrentiekracht en weerbaarheid op de langere termijn. Dat geldt voor huishoudens, maar dat geldt ook voor het bedrijfsleven. We moeten zorgen dat ze nu mee kunnen en we moeten nú werken aan hun concurrentiekracht en aan hun weerbaarheid van morgen. In die geest kijken we ook vooruit. Er lopen ook diverse maatregelen die onderdeel zijn van het Klimaatfonds mee in de besluitvorming van augustus. En, heel belangrijk voor Nederland met onze open economie, er komt weer een heel belangrijk pakket aan in Europa. In de loop van dit najaar zal daar meer duidelijkheid over zijn. Het is natuurlijk heel belangrijk dat wij als Nederland die plannen goed kunnen meenemen bij het maken van de plannen waarover we in het voorjaar verder willen spreken.

Staat de minister nog achter de zienswijze op het klimaat en het instrument van het Klimaatfonds? Ja, daar sta ik achter. En hoe zit het met de doelstellingen en de effecten? De reductie van 36% uitstoot in het afgelopen jaar ten opzichte van 1990 laat zien dat de beleidsmix in de optelsom werkt. We nemen maatregelen, en die reduceren ook onze CO2-uitstoot. In 2025 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen 146 megaton CO2-equivalent. Dat is 36% lager dan in 1990. Voor 2030 koersen we in de ramingen met het huidige beleid op circa 50% reductie ten opzichte van 1990. Toen ik enige tijd geleden aan het Klimaatakkoord mocht werken, hadden we ook de berekening gemaakt van wat de vertaling van de doelstellingen in het Akkoord van Parijs voor Nederland zou betekenen. Toen hebben we gezegd: op dat moment kom je uit op een reductie van tussen de 49% en 55%. Nederland zit daarmee dus binnen die bandbreedte. Het laat ook zien dat we nog flinke stappen te zetten hebben richting klimaatneutraliteit.

Een vraag van de Partij voor de Dieren. De Algemene Rekenkamer zegt dat fondsen alleen goed functioneren wanneer het parlement kan volgen wat er met de publieke middelen gebeurt. Dat is een heel terecht punt. Een fonds heeft wel andere kwaliteiten, waardoor ook dat belangrijk is voor sommige vraagstukken die echt een langjarig karakter hebben. Denk aan het Deltafonds. Denk aan het Infrastructuurfonds. Dat geldt in sommige opzichten dus ook voor het Klimaatfonds. Het Klimaat- en energiefonds hevelt dan de middelen over naar de uitvoerende departementen. Ik geef trouwens meteen antwoord op de vraag hoe het met de naamgeving zit. Die is inderdaad veranderd naar het Klimaat- en energiefonds. Door de middelen onder te brengen in een begrotingsfonds wordt geborgd dat die middelen besteed worden aan de doelstellingen. Ze blijven dus beschikbaar. Ook als de realisatie van een bepaald project in jaar x tegenvalt, vervallen de middelen niet, maar kunnen we ze blijven benutten.

De verantwoording van die middelen vindt plaats via het departementale jaarverslag van het ontvangende departement. Dus er is absoluut verantwoording over. Tegelijkertijd is ook mijn departement het ermee eens dat het beter zou zijn om toch een meer integrale financiële verantwoording gewoon makkelijker navolgbaar te maken. Dus om meer inzicht te geven, zal ik vanaf volgend jaar de financiële verantwoording van die middelen ook in de rijksbrede klimaatfondsbijlage van het jaarverslag Klimaatfonds duidelijker tonen. Dan is het duidelijker, op één plek, transparant en in zijn samenhang voor u beschikbaar.

Evaluatie is een goed gebruik bij alle maatregelen die wij doen. De Comptabiliteitswet verplicht dat al het beleid periodiek wordt geëvalueerd. De evaluatie van de KEV was dan ook voorzien. Daar beginnen we al dit jaar mee. Ik geloof dat die volgend jaar dan echt op de rol staat. Hiervoor is dus geen pauzeknop nodig. We zijn daar al vol mee aan de slag. Conform de wet gaan we daar dus aan het eind van het jaar mee beginnen.

De infrastructuur heeft een relatief bescheiden plaats in het Klimaatfonds. Dat wil niet zeggen dat onze investeringen in de infrastructuur bescheiden zijn. Ik denk dat we zelfs wel kunnen zeggen dat we in Nederland met een grote verbouwing van onze energie-infrastructuur bezig zijn. We zorgen ervoor dat Nederland stap voor stap klaar wordt voor de energie-infrastructuur die we nodig hebben voor de toekomst. Dat vraagt veel investeringen, in hoogspanningen, stations, waterstofnetwerkinfrastructuur, warmtenetten en zonnepanelen. Op allerlei manieren is het nodig dat we die infrastructuur stimuleren. Dat doen we dus ook. Er is binnen het Klimaat- en energiefonds een perceel gewijd aan energie-infrastructuur. Daar zat een budget in van ongeveer 4 miljard. Daarvan is al heel wat uitgegeven, dus nu zit daar niet zo veel meer in, maar daarnaast zijn er allerlei andere uitgaven buiten het Klimaat- en energiefonds. Denk aan CCS-infrastructuur, wateropslag, waterstofinfrastructuur en gebiedsinvesteringen. Nou ja, het is dus een heleboel. Die worden voor een deel ook via de tarieven bekostigd. Net op zee hoort daar zeker ook bij.

Dan de vraag over de agrarische sector. De heer Panman wijst op een motie die nog open zou staan, maar het vorige kabinet heeft uw Kamer er vorig jaar over geïnformeerd dat deze motie niet uitgevoerd zal worden, omdat er op dit moment geen aanvullende middelen of een eigen perceel voor landbouw beschikbaar zijn gesteld. De landbouwsector heeft namelijk eigen middelen ter beschikking waarmee onder andere verduurzaming kan worden gerealiseerd. De resterende middelen binnen het fonds zijn hard nodig voor de energietransitie. Een groot gedeelte van het geld wordt daaraan besteed. Kernenergie is daarin op dit moment eigenlijk de grootste post. Daar hebben andere mensen weer hun vraagtekens bij, maar dat is wat er nu hoofdzakelijk nog beschikbaar is aan middelen in het fonds. Als daarvan 5 miljard naar landbouw zou moeten gaan, zouden de doelstellingen voor kernenergie onhoudbaar worden.

Dan de rol van nationale klimaatfondsen in een veranderend Europees speelveld. De nationale fondsen ondersteunen investeringen op nationaal niveau. Zowel het Europese als het nationale speelveld heeft daar natuurlijk uiteindelijk de effecten van. Bij de indiening van maatregelen binnen de KEV wordt in het ficheformat ook gevraagd naar mogelijkheden voor bijvoorbeeld cofinanciering. Dus daar vragen we actief naar. Dat wil niet zeggen dat die er altijd zijn, maar we kijken ernaar om op die manier zo goed mogelijk te borgen dat we aansluiten bij internationale ontwikkelingen binnen de energietransitie. Overigens is het ook zo dat we niet alleen via de KEV, maar bijvoorbeeld ook in het wetsvoorstel met betrekking tot contracting for difference, dat ik recent naar de Tweede Kamer en Eerste Kamer heb gestuurd, echt nadrukkelijk hebben bekeken hoe andere landen om ons heen met dit mechanisme bezig zijn. Als het gaat over de indirecte kostencompensatie kijken we ook naar wat de landen om ons heen doen. We kijken dus naar wat de landen doen en we werken ook samen. Ik kom net uit Zeeland, waar ik uitgebreide gesprekken heb gevoerd over de energieopwekking en de vraag daar, ook in relatie tot de buurlanden; uiteindelijk is het één havengebied tussen Nederland en Vlaanderen, waar ook heel veel kansen liggen in de internationale samenwerking. Ik denk ook aan de samenwerking met Duitsland in de corridor voor waterstof en CO2. We kijken dus op allerlei manieren heel nadrukkelijk ook naar de samenwerking met onze buurlanden en overigens ook met het VK.

Betrokkenheid en toegankelijkheid van mkb en provincies. Het Klimaat- en energiefonds is zo ingericht dat andere ministeries voorstellen kunnen indienen, maar voor de decentrale overheden hebben we ook een vaste reeks waarbij zij geld krijgen. Dat komt niet uit het Klimaatfonds maar staat daar apart van. Er is ook nog de SDE+, waar bedrijven en ook mkb'ers direct op kunnen indienen. Daarnaast zijn er nog een aantal subsidie-instrumenten, soms specifiek toegesneden op kleine dan wel grotere projecten. We zorgen er dus voor dat er in de breedte ondersteuning is voor de verduurzaming. Overigens zijn ook daar de financiële middelen beperkt en ze lopen ook af, dus dat is wel een punt van zorg; dat deel ik met u, in alle eerlijkheid.

De CO2 en de tuinders. Ik ben op dit moment samen met mijn collega's van LVVN en van Financiën in gesprek, vorige week nog, over de glastuinbouw en de ontwikkelingen daar. We kijken inderdaad ook naar de biogene CO2 die zij nodig hebben voor de productie, maar ook naar de groengasverplichting. Ze komen ook onder ETS te vallen. Een heel aantal dingen komen daar dus bij elkaar. In het Klimaat- en energiefonds is vorig jaar een bedrag van 200 miljoen gereserveerd, gericht op het ondersteunen van de glastuinbouw bij de verduurzaming. Dit is zeker een sector die nadrukkelijk op de radar staat.

Dan de vraag over de verdeling tussen de percelen: is er bereidheid om die te heroverwegen? Bij de beoordeling van maatregelen binnen het Klimaat- en energiefonds wordt er ook gekeken naar de beschikbare middelen in andere percelen. Soms kan daaruit naar voren komen dat budget vanuit een ander perceel nodig is om uitvoering te kunnen geven. We kunnen een voorstel doen om middelen tussen percelen te verschuiven, maar een voorstel tot verschuiving wordt meegenomen in de doorrekening die door PBL wordt gedaan. In het beoordelingsproces wordt wel echt gekeken naar de effectiviteit van verschuiving van middelen. Daarnaast kijkt men ook naar: wat zijn de doelstellingen die het kabinet heeft met de verschillende onderdelen van het Klimaatakkoord?

Wat zijn de criteria waarmee wordt besloten iets …

De voorzitter:

Er is nog een interruptie van mevrouw Visseren-Hamakers.

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dank aan de minister voor de heldere beantwoording. Het kan dus technisch, schuiven tussen percelen. Is het al eens gebeurd?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik zou niet durven zeggen dat het nooit is gebeurd. Als ik het technische antwoord zo lees, dan maak ik daaruit op dat het in ieder geval weleens is overwogen. Of het ook daadwerkelijk is uitgevoerd, daarop kan ik even terugkomen in de tweede termijn.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ja, ik zou graag van de minister in tweede termijn horen hoe dat in zijn werk gaat, het verschuiven tussen percelen. Het PBL is blijkbaar betrokken. Wat voor criteria worden er gehanteerd? De minister had het over doelmatigheid. Ik ben benieuwd hoe dat in de praktijk in z'n werk gaat.

De voorzitter:

Dat komt in de tweede termijn.

De heer Panman i (BBB):

Ik heb toch nog even een vraag aan de minister over de gelden of de ondersteuning voor de landbouw. In het Klimaatakkoord staat dat de landbouw ook een bijdrage moet leveren en ook een bijdrage kán leveren, een nuttige bijdrage ook, maar er zijn geen financiële mogelijkheden geoormerkt om de landbouw te ondersteunen. U geeft aan dat ik daarvoor bij LVVN, bij het ministerie of de departementale begroting moet zijn, maar er is geen oormerking gedaan in de begroting zoals bij andere klimaatdoelstellingen en dus ook niet binnen het Klimaatfonds. Eigenlijk staat de landbouw nu dus met de rug tegen de muur. Dat was ook de reden waarom wij vorig jaar die motie hier naar voren hebben gebracht. Die is in dit huis aangenomen. Ik heb begrepen dat de regering op dat moment zei: we gaan die motie op dit moment niet uitvoeren, maar als er in de toekomst ruimte komt, gaan we daar misschien wel naar kijken. Ik zou daar graag een reflectie op willen: hoe ziet de minister dit? Hoe kunnen wij immers van ondernemers, van boeren, verwachten dat zij een bijdrage leveren zonder dat we ze ondersteunen?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik snap de vraag en ik vind die ook best reëel. Het is alleen ook zo dat er geen extra middelen aan het Klimaatfonds zijn toegewezen om dit te realiseren en dat er destijds voor is gekozen om dat niet te doen, omdat de landbouw zelfstandig middelen heeft. Dan is de vraag ook hoe die middelen van de Landbouwbegroting worden ingezet om de bijdrage die ook de landbouwsector inderdaad kan leveren en volgens mij ook wil leveren, toch te kunnen effectueren. Ik snap de vraag dus, maar daar zijn inderdaad geen middelen voor voorzien. Ook naar aanleiding van de vraag bij het vorige kabinet zijn er geen extra middelen toegevoegd aan het Klimaatakkoord om dit mogelijk te maken.

De heer Panman (BBB):

Dan komt het een beetje tussen wal en schip, want in het Klimaatakkoord staat: landbouw, jullie hebben een verplichting en moeten een bijdrage leveren, maar het is eventjes niet duidelijk hoe jullie worden ondersteund. Dan is het volgens mij het een of het ander: of we gaan voor de landbouw iets oormerken, zodat de landbouw daaruit ondersteuning krijgt, of we schrappen de landbouwverplichting uit het Klimaatakkoord.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

In de tekst voor het Klimaat- en energiefonds is niet voorzien dat de landbouw hieruit ondersteund zou worden, omdat ervan uit werd gegaan dat landbouw via de eigen begroting ondersteund zou worden. In die context is het heel logisch dat ook de landbouw een opgave heeft bij de doelstellingen die vervolgens geïdentificeerd zijn voor elk van de belangrijke uitstootsectoren. Nogmaals, ook niet alles wat wij op het gebied van industrie of energie doen is uit het Klimaatfonds gefinancierd. Er zijn ook heel veel dingen die naast het Klimaatfonds op andere wijze vanuit de begroting van het departement ondersteund worden. Niet alles loopt dus via het Klimaatfonds. Niet alle verplichtingen en niet alle reductiedoelstellingen lopen via het Klimaatfonds. Ook voor landbouw zijn er dus doelstellingen. Die hoeven ook niet allemaal via het Klimaatfonds te lopen, maar kunnen ook via de Landbouwbegroting lopen. Het was ook zo voorzien dat zij via die Landbouwbegroting zouden lopen.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Panman (BBB):

We kijken met belangstelling uit naar de volgende begroting voor LVVN en zullen bekijken of we dit daar geoormerkt zien.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dan de vraag van de SP of we de doelen gaan halen. De SP gaf ook in belangrijke mate aan wat de kosten zijn van niets doen. Die zijn inderdaad heel groot. Ik kan me nog herinneren dat ik de allerlaatste dag van mijn vorige periode in het kabinet het afscheid van mijn ambtenaren op het departement had gepland, maar dat ik die dag alles kon afzeggen en letterlijk mijn rubberlaarzen kon aantrekken en naar Zuid-Limburg kon gaan omdat we toen die enorme regenbui hadden gehad. Toen stond ik daar tot aan mijn enkels in het water, aan de ene kant van een riviertje dat ineens een kolkende stroom was geworden en een brug had weggeslagen. Mijn opa en oma woonden daar toevallig in de buurt. Aan de overkant daarvan zag ik oudere mensen die uit een verzorgingstehuis werden geëvacueerd. En dat zijn dan alleen nog maar de sociale kosten van inactie, van geen maatregelen nemen. Dit soort extreem weer komt veel vaker voor als het klimaat verandert. Dat gaat hele grote kosten met zich meebrengen. Ik geloof dat de prijs voor Nederland van die regenbui, waarbij gelukkig geen mensen zijn overleden, uiteindelijk ongeveer 1 miljard was. Klimaatverandering is dus in een bepaald opzicht ook een sluipmoordenaar van je economische groei. Die kosten van inactie moeten we dus ook meewegen wanneer we het hebben over de kosten die we uitgeven aan het tegengaan van klimaatverandering. Daarbij blijft nog staan dat die middelen wel moeten worden gevonden op een begroting en dat we altijd heel veel prioriteiten hebben af te wegen. Voor ons als minderheidskabinet is "we" dan altijd kabinet en Kamer samen.

In de Klimaat- en Energienota van 2025 is aangegeven wat de mogelijke kosten zijn van niets doen. Het PBL schat dat in Nederland de monetaire milieuschade door CO2-uitstoot ongeveer 21 miljard euro per jaar bedroeg in 2022. Bovendien laat bijvoorbeeld onderzoek van CE Delft zien dat in een scenario waarin er verder geen klimaat- en energiebeleid wordt gevoerd, er een temperatuurstijging van meer dan 2 graden zou plaatsvinden en mogelijk zelfs 3,6 graden, en de klimaatschade in 2100 tussen de 1% en 6,3% van het Nederlandse bbp zou kunnen bedragen.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):

Dank voor dit verhaal, waaruit duidelijk wordt dat u erkent en ziet wat het probleem is. Wat ons als SP dan wel een beetje verbaast, is enerzijds dat een overstroming een miljard kostte, en anderzijds dat we geld moeten vinden voor preventie dan wel mitigatie. Hoe werkt dat dan, als je zo'n overstroming hebt die een miljard kost en die mogelijk voorkomen had kunnen worden met eerder beleid? Is het dan zo dat het geld voor preventie en mitigatie lastig te vinden is, tot het ons letterlijk overspoelt en we het geld wel zullen moeten uitgeven? Want dan is dus de vraag: wat is de prijs van niets doen? En waarom ben je wel bereid om te wachten, er niets gedaan is en dat toch geld kost?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

De totale schade was een miljard. Dat is wat anders dan dat er toen een miljard direct van de rijksbegroting moest worden uitgetrokken. Maar uiteindelijk komt die schade ergens terecht in de maatschappij. Dat zijn dan inderdaad de kosten van niets doen. Die zijn dan veel meer verspreid dan wanneer we dat direct uittrekken. Maar in alle opzichten — dit is dus maar een illustratie — is het helder dat het inherent goedkoper is om te voorkomen dan om te genezen. Nu is het natuurlijk wel zo, ook in de context van een Europese markt en in de context van internationale concurrentiekracht en qua concurrentievermogen, dat wij wel moeten zorgen dat we als Nederland niet te ver uit de pas lopen. Maar als Europa moeten we ervoor zorgen dat we een goed klimaatbeleid voeren en we moeten als Europa ook zorgen dat we onze markten beschermen tegen oneerlijke concurrentie. En in Nederland concurreren de middelen die we vrijmaken natuurlijk ook met de hele urgente opgaven die we hebben. Ik schets hier geen oplossing; ik kan u alleen maar het dilemma schetsen. Ik erken wel dat die kosten van niets doen een belangrijke post zijn die we mee moeten nemen in het beoordelen van het dilemma. En politiek is altijd het verdelen van schaarste. Dat is ook een beetje ons werk.

Mevrouw Van Aelst-den Uijl (SP):

Alleen al dat het dilemma gezien wordt, is vooruitgang. Dank.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dat is stap één inderdaad, dat het dilemma wordt gezien. Maar ik zou de minister toch willen vragen om wat meer te reflecteren op wat het betekent om de kosten van niets doen dan maar te incasseren. We hebben het vanavond over het Klimaatfonds. Hoe kunnen we het Klimaatfonds nou op zo'n manier inzetten om dit dilemma zo veel mogelijk op te lossen, vraag ik aan de minister.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Niet alleen kijkend naar het Klimaatfonds, maar ook naar de verschillende instrumenten die mij en ons gezamenlijk ter beschikking staan, vind ik dat écht goed sturen op het systeem de manier is om met de middelen die we hebben zo veel mogelijk te bereiken. Ik kom daar straks bij de heer Crone nog op terug. We hebben aan de ene kant de warmtetransitie, aan de andere kant hebben we de elektrificatietransitie, en we hebben een waterstoftransitie. Op sommige plekken komt dat samen. Hoe maak je nou zo goed mogelijk en zo efficiënt mogelijk gebruik van al die ontwikkelingen die we aan het stimuleren zijn? Hoe probeer je bijvoorbeeld vraag en aanbod van hernieuwbare energie zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen in tijd en ruimte? Dat scheelt kosten, wat dus eigenlijk wil zeggen dat we zo verder komen met het geld dat we er al voor uittrekken. Dus dit is, denk ik, een vraag naar een zo efficiënt mogelijke systeemtransitie. Dat is er dan ook een die niet alleen gaat over het Klimaat- en energiefonds, dat een van de instrumenten is, maar over het geheel van maatregelen en ondersteuningsmechanismen die we daarvoor hebben.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik hoor de minister het met de Kamer eens zijn dat de uitdaging urgent is en dat vroege mitigatie beter is dan late adaptatie. Ik zeg het nu voor de minister, maar zo hoor ik haar zeggen. Dan kom ik toch terug op de verschuiving van die percelen in het Klimaatfonds. De minister zei dat ze er in tweede termijn op terugkomt, maar mijn vraag in eerste termijn was scherper. Die was: is de minister bereid om te kijken of we kunnen gaan schuiven tussen die percelen? Mijn vraag was dus niet of het technisch kan, al kijk ik uit naar de antwoorden daarop van de minister in tweede termijn, maar of de minister bereid is om te gaan schuiven. We hebben met elkaar namelijk al geconstateerd dat het kan. Dus kunnen we gaan schuiven, juist omdat de opgave zo urgent is en omdat er geld stof ligt te vangen, terwijl we het nu kunnen inzetten om die urgente opgave te adresseren?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Daar ben ik op een maandagavond zo vlak voor het zomerreces zeker niet toe bereid. We gaan natuurlijk wel een evaluatie doen. Wellicht komen daar aanknopingspunten uit. Het kabinet heeft bepaalde doelstellingen en daar kan ik niet aan tornen; dat begrijpt u ook. Het feit dat geld enige tijd op de begroting staat, betekent ook dat er de zekerheid is dat er geld is voor projecten waarbij het enige tijd duurt voordat ze kunnen worden uitgevoerd. Het hebben van het fonds met daarin die middelen geeft zekerheid aan de mogelijkheid om te kunnen blijven investeren. Dat is an sich dus geen probleem waarvan ik de analyse deel. Dus nee, ik ben helaas niet op voorhand bereid om tot een wijziging te komen.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Visseren.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik ga de minister dan weer parafraseren. Ik hoorde haar namelijk zeggen dat ze wellicht na de evaluatie bereid is om te kijken of die verschuivingen nodig zouden kunnen zijn. Heb ik dat goed gehoord? Is dat een … Een "toezegging" is misschien een te zwaar woord, maar zou de minister bereid zijn om de mogelijkheid van verschuivingen mee te nemen in de evaluatie en op basis daarvan een besluit te nemen over de meest doelmatige en doeltreffende inzet van de resterende middelen?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Nee, dat is toch net een te haakse bocht. Volgens mij voelt mevrouw Visseren dat ook wel aan. Ik vind het belangrijk dat we een evaluatie doen. Ik vind het ook belangrijk dat je een evaluatie en de uitkomst daarvan serieus neemt. Er bestaat een mogelijkheid. Wellicht komt die in de evaluatie terug. Wellicht ook niet, maar daar ga ik niet op vooruitlopen. Als wij een evaluatie doen, gaan wij daarna, waarschijnlijk in goed gesprek met u, over de opvolging van de aanbevelingen in gesprek.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ik heb het geprobeerd.

De voorzitter:

Dank u wel. U vervolgt uw betoog, minister.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

U vroeg ook nog naar de criteria waarmee wordt besloten iets te financieren uit het Klimaatfonds of uit de reguliere middelen. De maatregelen die worden ingediend bij het Klimaat- en energiefonds worden beoordeeld aan de hand van de doelen, zoals opgenomen in de Tijdelijke wet Klimaatfonds. Hierbij wordt ook gekeken of een maatregel doelmatig vanuit het fonds kan worden gefinancierd, of dat een alternatieve vorm van financiering meer voor de hand ligt. Bij de evaluatie van het KEF zal aandacht worden geschonken aan de verantwoording over de uitgaven van het KEF. Die evaluatie wordt in de loop van 2027 afgerond.

Dan een vraag van de heer Kemperman. Hij vroeg om een overzicht van bestedingen en resultaten. Een overzicht van de bestedingen in het Klimaat- en energiefonds wordt jaarlijks gegeven in het meerjarenprogramma. Hierin is ook duidelijk opgenomen welke maatregelen er worden gefinancierd en hoeveel er is gereserveerd, en worden de verschillende maatregelen toegelicht. Ook worden alle voorstellen jaarlijks beoordeeld door TNO en het PBL. Daarbij kijkt TNO naar de sociaal-economische effecten van het beleid. Deze reflecties zijn een bijlage bij het meerjarenprogramma en worden jaarlijks met uw Kamer gedeeld.

Voorzitter, dit was het blokje dat ik had over het Klimaatfonds en de klimaatdoelen. Overigens nog richting de heer Panman: er gaat natuurlijk wel iets naar de landbouwsector. Die 200 miljoen die in het Klimaatfonds gereserveerd staat voor de glastuinbouwsector had ik al genoemd.

Dan ga ik nu naar de warmte. De heer Crone wil graag zo snel mogelijk over op kostengebaseerde tarieven. Dat steun ik. Daarom wil ik in de uitwerking heel graag samen met de ACM breed onderzoeken wat er mogelijk is om die overgang naar fase 2 en 3 te versnellen. Daar zou ik dan wel graag een paar handvatten voor willen hebben. Ten eerste denk ik dat het heel goed is dat we een nader gesprek hebben met een representatieve samenstelling van gemeenten, om eventuele zorgpunten van hen te horen. Daarna moet er een vervolggesprek met warmtebedrijven komen, inclusief een vertegenwoordiging van warmtecoöperaties, om ook bij hen heel goed nog eens op te halen welke zorgen zij hebben. Ook zijn er de uitkomsten van het ibo naar onder andere de betaalbaarheid van warmte. Dat zal waarschijnlijk begin oktober gereed zijn, dus dat zou ik daar graag bij willen betrekken.

Aanvullend doet de heer Crone een voorstel om een aantal nieuwe projecten de ruimte te geven om zelf kostengebaseerde warmtetarieven vast te stellen om op die manier lessen te trekken voor de verdere doorontwikkeling van de tariefregulering. Daar sta ik heel positief tegenover. De huidige Warmtewet biedt eventueel ruimte om andere tarieven af te spreken. Die blijft trouwens ook onder de Wcw bestaan. Daarom vind ik het interessant om hiermee aan de slag te gaan: als een soort botsproef de ruimte geven aan een aantal bedrijven om die te laten oefenen met een cost-plusaanpak, gewoon ter versnelling van die fase 2 en 3.

Dan over het waarborgfonds. De heer Crone en ik zijn het denk ik eens over de wens om zo snel als mogelijk een werkbare regeling op te tuigen voor de financiering van warmtenetten. Zijn doel is dat je daarvoor naar het waarborgfonds kunt. Het kabinet heeft eind vorig jaar besloten om nu nog geen waarborgfonds op te richten, onder meer omdat de sector nog geen brede basis van warmtebedrijven met voldoende kasstromen heeft om een dergelijk fonds te kunnen ontwikkelen en uit te voeren, en we onvoldoende inzicht hebben in de financiële risico's in deze sector. Dat wil niet zeggen dat we daar niet op termijn naartoe zouden willen, maar de aanloop daarnaar is gewoon net iets ingewikkelder dan bij de woningbouwcorporaties of de ziekenhuizen, waarbij zowel het model als het inzicht in de risico's van die sector gewoon al veel meer established is. Dat is gewoon een werkelijkheid waar we ons toe te verhouden hebben. We starten nu dus wel met een garantieregeling om snel projecten de benodigde steun te bieden. We evalueren dan na een paar jaar of het toch kan doorontwikkelen naar een waarborgfonds, wanneer we beter inzicht hebben in de risico's en het volume en de robuustheid van de sector. Het is toch een nieuwe sector in die zin. We verwachten veel nieuwe projecten.

De mogelijkheid van een beoordeling van aanvragen bij het inrichten door een expertteam wordt zeker nog nader uitgewerkt. De denkrichting van de heer Crone is daarbij echt onderdeel van de opties. Ik zie dat de heer Crone hier een paar vragen over heeft, dus laat ik even naar hem gaan.

De voorzitter:

Eén vraag, denk ik.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Ik wilde aan de minister voorhouden dat zij er gelijk in heeft dat er voor die waarborgregeling eerst premie moet worden ingelegd en er een rijpe sector moet zijn. Daarom wil ik het juist naar voren halen. De bankiers zeggen "up front". Als de overheid zegt dat ze 40 miljoen heeft, dan kunnen de banken die garantie uitbreiden tot 200 miljoen, maar dan moeten wij dus nu 40 miljoen op tafel leggen. Dat is dan het maximale dat we kwijt zijn. Dat zit in het waarborgfonds, maar we spreken over het Klimaatfonds. Het zou dus prachtig zijn als we over het Klimaatfonds zeggen dat er 40 miljoen is. Als we wachten tot de sector zo rijp is dat men zijn eigen premie kan opbrengen, dan gaat die sector niet groeien. Hij komt nu namelijk nog niet van de grond. Dat is mijn pleidooi. Nu gaat Urk zijn eigen garantie geven. Sneek heeft het net niet gedaan. Haarlem probeert het. Het gaat gewoon vastlopen.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik denk dat het voor mij ook wel de vraag is — dat zal ik zeker nog eens met de experts verder bespreken — wat die ratio is. U zegt dat er met 40 miljoen 200 miljoen gefinancierd kan worden, maar die ratio heeft natuurlijk alles te maken met de risico-inschatting. Het kan ook weleens zijn dat de regeling, als je die ratio wilt halen, nog strikter moet zijn dan een garantieregeling, omdat je, om die ratio te kunnen halen, wel heel zeker moet weten dat er met die projecten niet veel misgaat. Dat zeg ik nog even los van waar het geld vandaan komt en waar het moet staan. De heer Crone en ik willen allebei een instrument dat werkt. Daarom richten we het in. Ons assessment is dat dat voor de korte termijn met een garantieregeling het snelste gedaan kan worden, waarbij we kijken naar de doorontwikkeling naar zo'n waarborgfonds. Ik zal me nog laten informeren over die ratio, of er werkelijk met 40 miljoen 200 miljoen gefinancierd kan worden en of dat dekt wat de sector nodig heeft. Als hij een miljard nodig heeft, zijn we er namelijk ook niet met 40 miljoen.

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Natuurlijk weten we die ratio nog niet precies, maar we weten wel: als we niet snel, binnen een paar maanden, een regeling op tafel leggen, dan gaan al die projecten stuk. Tegenover de zekerheid van stoppen en pauzes moeten we iets te bieden hebben. Een regeling heeft het nadeel dat je allemaal criteria hebt. Pas je niet in de criteria, dan krijg je weer niks. Een waarborgfonds heeft het voordeel dat je een investeringscommissie hebt die zegt wat erin valt en wat niet. Die is flexibeler. Daar vraagt iedereen in de sector om, zowel de gemeenschappen als de gemeentes als de bankiers. Dat kan echt snel. De minister heeft er gelijk in dat het geld op is als het op is.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Volgens mij zijn we op zoek naar het ontwerp. De vraag is of die garantieregeling een automatisme is of dat daar ook een expertteam tussen zit dat wellicht op dezelfde wijze kan oordelen of de achterliggende regeling een waarborgfonds of een garantieregeling is. In ieder geval vinden we beiden dat er zo snel mogelijk iets moet zijn om te voorkomen dat projecten te snel stilvallen. We gaan eraan werken en we zullen zorgen dat de Kamer op de hoogte blijft. We delen een aantal aandachtspunten zoals ze hier gedeeld zijn.

Voorzitter. Dan de vraag van de heer Panman of de kosten van warmte voor alle huishoudens gelijk blijven. De kosten kunnen verschillen tussen huishoudens, maar worden wel begrensd door het niet-meer-dan-andersmaximum dat door de ACM wordt vastgesteld. Dat is nu het geval. Bij kostengebaseerde tarieven kunnen verschillen groter worden, want dan hebben we geen maximumtarieven meer. Dat is uitvoerig besproken bij de behandeling van de Wet collectieve warmte. We hebben wel een tarieflimiet toegevoegd om excessen te voorkomen en zullen de relatieve betaalbaarheid van warmte onderbouwen voordat de kostengebaseerde tarieven ingaan. Dit najaar komt het ibo over verduurzaming van woningen met beleidsvoorstellen en in het voorjaar kunnen eventuele keuzes over flankerend beleid worden gemaakt. Dat je "niet meer dan anders" hebt, betekent ook dat er minder risico is dat het tot die grens wordt opgevuld. Wat de exacte hoogte zal zijn en of die overal precies dezelfde zal zijn, is natuurlijk de andere kant van het verhaal. Dat kun je niet geven. Er zit wel een tarieflimiet op om excessen te voorkomen. De relatieve betaalbaarheid wordt goed in de gaten gehouden.

Dan vroeg de heer Crone naar integratie van warmte, beperking van netcongestie en opslag. Als we het over het kantelen van het systeem hebben, zijn dit natuurlijk de mooie sweet spots waar je meer van wilt weten. Het is goed om breder te kijken dan monowarmte. Ook dit zullen we in de herfst meenemen in het interdepartementaal beleidsonderzoek naar de energietransitie. In het ibo over de verduurzaming van de woningvoorraad wordt ook onderzocht welke andere methoden er zijn om over de sectoren heen te sturen op integrale en kosteneffectieve keuzes in energiesystemen. Er is een mooi voorbeeld van een warmtenet dat misschien een aantal extra boilers installeert, die eigenlijk niet nodig zijn voor het warmtenet zelf, maar die daardoor wel de windenergie kunnen opslaan die anders verloren zou gaan. Dan win je met elkaar aan twee kanten. De vraag is of we voldoende kijken naar dit soort breinaalden, zou je bijna kunnen zeggen, die de verschillende onderdelen van de energietransitie bij elkaar brengen. Ik ben zeker zeer gemotiveerd om daarnaar te kijken, want de efficiency van onze energietransitie kan daarmee gebaat zijn.

Voorzitter. Dan kom ik nog bij een aantal andere vragen die zijn gesteld, onder andere over de hoeveelheid kernafval. Vorige keer was ik verantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en ik ben toen weleens wezen kijken in Borssele en overigens ook bij de COVRA. Het is inderdaad een belangrijke vraag. De bestaande kerncentrale in Borssele produceert ongeveer in zestien jaar een zeecontainer vol met hoogradioactief afval. Ik zou zeggen dat u allebei een beetje gelijk heeft. Het zat ergens in het midden. Iedere nieuwe kerncentrale, inclusief SMR's, kent een eigen profiel van radioactief afval. De gevolgen voor de wijze van opslag zullen tijdig in kaart worden gebracht. De COVRA heeft zeker tot 2050 voldoende ruimte om radioactief afval op het terrein op te slaan. Hierbij wordt rekening gehouden met de bouwtijd van de centrales. Verder is het beleid voor radioactief afval uiteraard belegd bij de staatssecretaris van IenW en dat ben ik nu niet meer.

Dan een reactie op de kritiek over de hockeysticktheorie. Sinds het artikel over een hockeystick uit 1999 zijn er veel onafhankelijke reconstructies van temperaturen in het verleden gemaakt. Die komen allemaal op hetzelfde resultaat uit, namelijk dat de afgelopen decennia de warmste waren in de afgelopen 500 tot 2.000 jaar. Ook bezwaren die zijn geuit, hadden hierop geen significante invloed. Zij bevestigen bij narekening de opwarmingstrend en dat deze verklaard kan worden door stijgende CO2-niveaus als gevolg van menselijke activiteiten. De IPCC-rapporten zijn een belangrijke bron voor klimaatbeleid omdat het de best beschikbare wetenschap van het moment vertegenwoordigt met een hele rigoureuze review en samenvattingen voor beleidsmakers die door overheden worden goedgekeurd.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Nog even terug naar het kernafval. Als er dus extra kerncentrales worden gebouwd, zullen er dus meerdere zeecontainers met kernafval worden geproduceerd, om in die vergelijking te blijven. Misschien is er wel voldoende plek op de huidige plek, maar kan de minister reflecteren op het feit dat kernafval duizenden jaren blijft bestaan en dat we daar duizenden jaren verantwoordelijkheid voor dragen? Hoe past het produceren van kernafval in een perspectief van intergenerationele rechtvaardigheid in het klimaatbeleid?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik denk dat mevrouw Visseren het feit schetst dat kernafval langlevend is en dat degene die dat produceert de verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat het langdurig veilig kan worden opgeslagen, om op die manier recht te doen aan de positie van toekomstige generaties.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. Nee, eerst meneer Kemperman, met de andere kant van de zaak.

De heer Kemperman i (FVD):

Nee, hoor. Dank u, ik heb een goed antwoord gehoord over de hoeveelheid kernafval in zestien jaar. Dat is inderdaad een zeecontainer. Goed, dat is dan zo.

Ik kom wel nog even terug op uw antwoord op mijn kritiek op de hockeystickgrafiek die altijd door het IPCC wordt getoond. Die kennen we allemaal. Ik heb gezegd dat met name wetenschappers daar fundamentele kritiek op hebben geuit door te zeggen dat vervuilde of verkeerde data aan die grafiek ten grondslag liggen. Het rapport van McKitrick en McIntyre is heel bekend. U reageert eigenlijk in algemeenheden, zoals we die altijd horen over de hockeystickgrafiek, namelijk dat een exponentiële temperatuurstijging meetbaar is, want wetenschappers zeggen dat. Deze wetenschappers zeggen in hun rapport juist, met redenen omkleed en met deugdelijk wetenschappelijk onderzoek, dat dit eigenlijk een beetje misleidend is. Het is visueel anders als je zuivere data gebruikt. Daar ging mijn fundamentele, wetenschappelijke kritiek over. Daar zou ik nog graag een beter antwoord op willen. Door uw voorganger is zelfs een ander rapport aangehaald, waar die hele grafiek niet in genoemd wordt. Zo komen we natuurlijk niet verder. Zo blijven we allemaal in een grafiek geloven die wellicht niet helemaal juist is.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik kon me al voorstellen dat dit onderwerp misschien eerder is gewisseld in dit huis, en dat daar toen ook een antwoord op is gestuurd. Ik kan altijd kijken of nog schriftelijk kan worden gereageerd op dit rapport en de kritiek die erop werd geuit. In algemene zin is er zeer grondige peerreview op rapporten die door het IPCC worden gebracht. Het is belangrijk dat wetenschappers die eventueel een andere mening hebben ook de kans krijgen om hun bevindingen getoetst te zien. Alles wat in de optelsom bekeken is, leidt ertoe dat het IPCC echt de meest actuele en zeer goed gereviewde wetenschappelijke kennis heeft. Kennis blijft altijd in ontwikkeling. Daarom is het altijd goed om ook andere suggesties te blijven toetsen. Ik hou me dan toch vast aan de conclusie waar de overgrote meerderheid van de wetenschap bij uitkomt. Ik weet het namelijk niet beter dan zij. Dan baseer ik me toch maar op de overgrote meerderheid. Die heeft een heel helder en duidelijk beeld, eigenlijk dwars door alle rapporten heen.

De heer Kemperman (FVD):

Het is ook helemaal niet de bedoeling om hier een welles-nietesspelletje te gaan spelen. Daar dreigen we in debatten en op vele Kamermomenten vaker in terecht te komen. Zeker niet dus. Mag ik aan uw deskundige staf vragen om nog eens een keer expliciet schriftelijk terug te komen op die twee wetenschappers die zeggen: deugt die grafiek nou wel? Anders blijven we in deze loop zitten, terwijl ik heel specifiek kom met gefundeerde wetenschappelijke rapporten. Mag ik aan u vragen om dat een keer schriftelijk te doen, zodat we vanavond niet in een soort vervelende loop terechtkomen die ons op dit late uur toch niet verder brengt?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dat lijkt me inderdaad niet voor vanavond. Ik zal kijken of mijn ambtenaren zelf die kennis hebben, of anders of zij aan het KNMI kunnen vragen om daar voor ons op te reageren. Dan heeft u in ieder geval een antwoord op uw vragen ten aanzien van dat rapport.

De heer Kemperman (FVD):

Nu moet ik natuurlijk zeggen: dit lijkt op een toezegging. Bij dezen dan. Dank u wel daarvoor.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Uitstekend.

Dan de vraag over kernenergie: is het nodig? Vrij binnenkort komt het kabinet met een aanpassing van het Nationaal Plan Energiesysteem. Daarin rekenen we opnieuw door wat er nodig is in de elektrificatie, of eigenlijk in de hele energievoorziening van onze economie naar de toekomst toe. Voor een belangrijk gedeelte zal die ook uit elektrificatie bestaan. Daaruit blijkt dat we ook echt een mix nodig hebben en dat zowel 40 gigawatt wind op zee alsook kernenergie daar een robuust onderdeel van zijn. Daarover wordt u binnenkort geïnformeerd. Ik kan me voorstellen dat er daarna nog gelegenheid is om daar eens over te spreken.

De voorzitter:

Een vraag nog van mevrouw Visseren.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Het is natuurlijk evident dat de vraag naar energie afhankelijk is van de economische activiteiten in je land. Het is maar net wat voor een economie wij met elkaar ontwikkelen. Die toekomstige economie heeft een bepaalde vraag aan energie, of niet. Daar gaat het debat over: welke hoeveelheid energie hebben we nodig? Ik kijk ernaar uit om met de minister daarover van gedachten te wisselen als dat rapport er is.

Mijn opmerking over kernenergie is niet nodig. Het is eigenlijk een consequentie van het beeld van de Nederlandse economie die de Partij voor de Dieren voor ogen heeft.

De voorzitter:

Dat was geen vraag, maar een opmerking. De minister vervolgt haar betoog.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dan waren er nog vragen over Tata Steel en de maatwerkafspraak die in ontwikkeling is. Gevraagd is of die afspraak een bijdrage levert aan de klimaatopgave. Jazeker. De maatwerkafspraak, waar we natuurlijk nog mee bezig zijn, zal naar verwachting leiden tot een reductie van meer dan 7 megaton CO2. Dat is ongeveer 5% van de totale CO2-uitstoot.

De vraag is dan of 2 miljard geen hoop geld is. Het is zeker een hoop geld. Het bedrijf legt er wel zelf minimaal hetzelfde bij, maar waarschijnlijk nog meer, als je kijkt naar de totale kosten. Voor de overheid betekent dit een subsidie-intensiteit van ongeveer €28 per kilo gemeten CO2, waarmee het een van de goedkoopste grootschalige reductieopties is.

De subsidie is ook relatief laag in vergelijking met die in andere Europese landen die van plan zijn om steun te verlenen aan het verduurzamen van de staalindustrie. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie heeft in haar advies benadrukt dat de maatwerkafspraken met Tata nodig zijn om de klimaatdoelen te halen en dat de klimaatmaatwerksubsidie doelmatig is.

Voorzitter. In lijn daarmee is nog de vraag gesteld of andere landen daar ook niet mee bezig zijn en of wij daar dan niet bij kunnen aansluiten. Op een beperkt aantal plekken in Europa — Zweden en Spanje werden genoemd — wordt inderdaad concreet nagedacht over verduurzaming van de staalproductie. Maar ook die landen lopen soms tegen problemen aan. Overigens zien we daar ook vertraging ontstaan. Daarbij laat het rapport van Wijers en Blom nog zien dat Tata Steel ook in de context van die producties een goede uitgangspositie heeft voor verduurzaming, onder meer vanwege de gunstige ligging ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen in het achterland.

Overigens is er ook in Europa steeds een beweging om de vraag naar groen staal te creëren, bijvoorbeeld in auto's. Dan moet er natuurlijk wel productie zijn, anders blijven we afhankelijk van import. Overigens denk ik dat voor Europa de strategische vraag is hoezeer je waarvan afhankelijk wil zijn. Staal is ook geen heel uniform product, dus de vraag in hoeverre je afhankelijk wil zijn van import speelt ook een rol. Dan moeten we er ook over nadenken hoe we ervoor kunnen zorgen dat de industrie die we voor Europa als strategisch zien, zelf ook verduurzaamt.

Verduurzamen we vooral bestaande productie, of investeren we ook genoeg in de industrie van de toekomst? Dat was ook nog een vraag. We investeren ook direct in de opbouw van nieuwe industrie met subsidie-instrumenten zoals de NIKI en de DEI. Daarnaast begeleiden we investeringen van bedrijven. Die zaken staan niet tegenover elkaar. Het verduurzamen van bestaande productie is ook een vorm van investeren in de industrie van de toekomst. Ik was vandaag in Zeeland bij een aantal bedrijven die op dit punt heel actief bezig zijn. Zij hebben echt een visie op het overschakelen van met fossiele energie geproduceerde goederen, zowel aan de grondstoffenkant als aan de energiekant, naar met nieuwe vormen van energie geproduceerde goederen. Dat betekent ook duizenden banen voor mensen die daarmee gecontinueerd kunnen worden.

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik wil even teruggaan naar het stukje over de verduurzaming van de staalindustrie. Juist omdat we in Europa zien dat andere landen daar al verder in zijn, was mijn vraag waarom we daar niet bij aansluiten. Dus in plaats van Tata in Nederland te houden, zouden we als Europa ook gezamenlijk kunnen inzetten op een duurzame staalindustrie. Daarvoor zouden we bepaalde industrie kunnen sluiten — bijvoorbeeld in Nederland — en op Europees niveau duurzaam staal kunnen produceren, zodat we inderdaad niet afhankelijk zijn van import van buiten Europa.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Die andere initiatieven zijn echt nog niet zover. Bovendien is niet gezegd dat deze initiatieven voldoende staal zouden produceren. Die initiatieven hebben een bepaald profiel. Tata heeft een bepaald profiel. Dat rapport heeft daar uitgebreid naar gekeken en gekeken naar de vraag of er straks ruimte is voor Tata in een Europees landschap waarin staal wordt geproduceerd. Op zich is het dus een terechte vraag. De conclusie waar dat rapport echter toe komt, is: ja, ook door de gunstige ligging heeft Tata juist een goede uitgangspositie om te vergroenen en om het staal van de toekomst in Europa te leveren.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Maar het punt is juist dat Tata jarenlang niet heeft meegewerkt aan de verduurzaming en daardoor wat mijn partij betreft de boot heeft gemist. We zien juist dat Zweden en Spanje daarin al veel verder zijn. Is het dan niet veel gunstiger, zowel voor het klimaat als voor de Europese industrie, als we juist als Europa gezamenlijk investeren in de staalindustrie die die stap al gezet heeft? Dat is dan in plaats van beginnen met Tata. Die partij heeft tot nu toe laten zien onvoldoende ambities op dat terrein te hebben.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ik snap het punt over Tata in het verleden. Ik kijk echter heel erg graag naar de toekomst. Als we daar geen levensvatbare kansen zouden zien, dan zouden we het ook niet moeten doen. Daarom is dat rapport zo belangrijk. Dat laat ook de context zien van de initiatieven in Zweden en Spanje, die overigens toch nog niet zo ver zijn als er hier even makkelijk wordt geschetst door te zeggen dat we daar wel even bij aan zouden kunnen sluiten. Dat is niet de realiteit. We zien in het rapport dat Tata een goede uitgangspositie heeft. Dat is ook een reden waarom het kabinet van mening is dat het goed is om die Tatamaatwerkdeal te gaan maken.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dit was de vraag over de competitie met andere landen.

De heer Panman had nog een vraag over de bijdrage van huishoudens. Hij stelde dat die niet meetelt in de reductie van CO2 en dat de norm uit de Regionale Energiestrategie, de RES-norm, op 15 kilowattpiek ligt. Hij zou graag zien dat die hoger wordt. Het RES-bod van 35 terawattuur is in zicht. De autonome groei van zon komt inmiddels boven de 7 terawattuur uit. Alle kleinschalige opwekking zal daarom meetellen in het RES-doel. De RES'en gelden tot 2030. Na 2030 zal er volgens het Nationaal Plan Energiesysteem ook nog energie uit wind en zon nodig zijn. Met de medeoverheden zal ik in 2028 afspraken maken over de energietransitie, inclusief de doorgroei van hernieuwbaar op land. Begin 2027 zal ik de Kamer informeren over de mogelijkheden van doorgroei inclusief de rol van kleinschalige opwek hierin.

De heer Kemperman had nog een vraag over de energielockdown in Tilburg. Laat ik allereerst zeggen dat het natuurlijk ongelofelijk vervelend is voor de mensen die getroffen zijn door die uitval van stroom. Uit onderzoek van Enexis van vanochtend is echter gebleken dat de oorzaak een technisch mankement was in de meetapparatuur in het desbetreffende station. Dat kan helaas voorkomen. Zij hebben aan ons bevestigd dat er geen enkele link is met netcongestie en de energietransitie. In alle gevallen, ook bij een technische storing, is het van belang dat we voldoende weerbaarheid hebben wat betreft stroomuitval. Daarom hebben bijvoorbeeld alle ziekenhuis een noodstroomvoorziening.

Ik kijk even of ik nog iets gemist heb. Anders ben ik daarmee aan het einde van mijn beantwoording gekomen. Dat is het geval, voorzitter.

De voorzitter:

Dat is mooi. Dank u wel, minister. Dan zijn we toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef het woord aan de heer Crone voor zijn tweede termijn.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Zeer veel dank de minister en voor alle ambtelijke voorbereiding. Er is heel wat aan de hand.

Ik zal me vooral toespitsen op mijn hoofdpunt, het punt van de warmtenetten. De minister zegt gelukkig toe dat ze echt wil versnellen wat betreft fase 2 en 3 en de meer cost-plusbenadering. Dat is de botsproef voor de financiering. Ik denk dat een aanmoediging kan helpen. De minister zegt: ik ga overleggen met al die partijen en dan komt er een resultaat. We hebben natuurlijk al jarenlang veel overlegd, en het loopt juist vast. Overleg is dus helemaal prima, maar dat zou een soort deadline moeten hebben.

Ik wil toch even benadrukken dat de warmtekosten niet gesocialiseerd zijn. Dat heb ik anderen ook horen zeggen. De mensen moeten alles dus zelf betalen. Daar gaan we nu niet over discussiëren, maar een garantiefonds geeft mensen het perspectief dat er wat komt als het misgaat. We weten natuurlijk nooit of 40 miljoen ook 200 miljoen aan garanties oplevert en bij wie het dan misgaat. Extreem gezegd kun je al het geld dan kwijt zijn. Maar als we er zo mee omgaan, moeten we ook de elektriciteitsnetten niet verzwaren, en al die andere dingen, want die socialiseren we ook en die krijgen ook garanties. Ik vraag dus echt maximale ruimte van het kabinet om die botsproef ook reëel te laten zijn. Ter aanmoediging heb ik met de collega van de BBB toch een motie voorbereid. Nogmaals, die is echt bedoeld ter aanmoediging, want ik voel dat we heel dicht bij elkaar komen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel warmte-initiatieven niet langer kunnen wachten op effectieve financiering en flexibele regulering van tarifering;

constaterende dat bij de voorziene regulering deze onduidelijkheid nog vier tot negen jaar zal duren;

verzoekt het kabinet de toepassing van fase twee en drie, cost-plus, te versnellen;

verzoekt het kabinet, nog dit jaar, een flexibel waarborgfonds op te richten om verdere vertraging bij nieuwe projecten te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Crone, Panman en Bovens.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter D (36800-M).

De heer Crone (GroenLinks-PvdA):

Op z'n minst hopen wij dat bij de begrotingsbehandelingen deze schuif kan plaatsvinden binnen het Klimaatfonds of binnen … Er is al een groot bedrag aan waarborgfondsgeld van 250 miljoen of zo. Dat kan hieraan worden besteed, anders is het de onderuitputting aan het eind van het jaar.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Panman van de fractie van de BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Panman i (BBB):

Dank u wel. Ook dank aan de minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Het is al de derde keer dat we hier staan voor het Klimaatfonds. Het is goed dat we er jaarlijks naar kijken.

De zorg bij mij en de fractie van de BBB over het instrument fonds is nog niet helemaal weggenomen. Aan de ene kant zegt de minister: een fonds geeft de zekerheid dat het geld er is in de toekomst. Ze geeft aan: voor de tuinbouw hebben wij iets geregeld in het Klimaatfonds. Tevens geeft ze aan: maar voor de overige gedeelten van de landbouw moet u zijn bij LVVN, dus bij het ministerie. Dat geeft een onzekerheid. We weten allemaal wat de onzekerheid op dit moment is voor de landbouw. Met name de stikstof, wat een ander dossier is, geeft heel veel onzekerheid in de sector. Het zou juist goed zijn om nu duidelijkheid te geven waar de ondersteuning kan worden gegeven.

Die ondersteuning zit bijvoorbeeld in robotica. Ik geef een klein voorbeeld. Als een akkerbouwer de transitie wil maken naar meer duurzame teelt en een onkruidrobot aanschaft die op zonnecellen en een batterij werkt, kost dat €150.000. Dat is voor een boer, voor een akkerbouwer heel veel geld. Voor dat soort initiatieven is het dus van belang dat er ook ondersteuning is, zodat de landbouw die slag kan kamen.

De minister geeft aan dat we op dit moment op 36% reductie zitten ten opzichte van 1990. Als ik kijk naar de afgelopen twee keren dat we hier het debat hebben gevoerd over het Klimaatfonds, dan is de progressie minimaal. We hebben grote zorgen of we inderdaad wel de progressie boeken die nodig is om de 55% reductie in 2030 te halen.

Ik heb begrepen dat het Klimaatfonds de naamswijziging gaat doormaken van Klimaatfonds naar Klimaat- en energiefonds. Daar ben ik blij om. Dat duidt beter wat het Klimaatfonds tot doel heeft.

Ik wil even reflecteren op de discussie die we zojuist hadden over Tata Steel. Ik moet daarbij opmerken dat ik vroeger bij Tata Steel heb gewerkt. Tata Steel is echt een uniek bedrijf binnen de staalproductie in Europa. Het maakt namelijk hoogwaardig staal, met name voor de auto-industrie. En dat kan in andere landen nog niet geproduceerd worden. We hebben hier dus wel een pareltje binnen de staalindustrie, maar dat terzijde.

Ik ben blij dat we in ieder geval een tarieflimiet krijgen voor de warmtenetten en voor de warmte, zoals de minister aangaf. Ik hoop wel dat de minister ook kijkt naar het handelingsperspectief in de regio, daar waar geen warmtenetten zijn of daar waar warmtenetten heel erg duur worden, zodat de mensen daar een redelijke prijs kunnen blijven betalen voor hun warmte.

Ik heb nog een kleine toevoeging. Volgend jaar gaan we dus inderdaad de evaluatiemomenten doen van het Klimaatfonds. Ik hoop dat we dan niet alleen kijken naar de financiële kant van het Klimaatfonds, maar ook naar de doelmatigheid, het recyclen en alle neveneffecten die de klimaatmaatregelen met zich mee brengen.

Een reflectie op de vraag van mevrouw Visseren-Hamakers: wat voor economie moeten we hebben? Volgens mij moeten we een economie hebben die weerbaar is en daarmee ook divers. Dat vereist dat we diverse energiebronnen hebben.

Ik wil nog een kleine opmerking maken: ik heb liever een kernenergiecentrale, een SMR, dan een kolencentrale. Ik hoop dat mevrouw Visseren-Hamakers dat met mij eens is.

Daarmee wil ik mijn tweede termijn afsluiten. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Perin van de fractie van Volt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Dank u wel, voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Mijn fractie was er echter niet heel tevreden mee. We blijven met een bezwaar zitten, namelijk dat het Klimaatfonds een instrument zou moeten zijn om Nederland en Europa dichter bij de gezamenlijke klimaatdoelen te brengen. Daarvoor is niet alleen ambitie nodig, maar ook de zekerheid dat de publieke middelen die daarvoor worden ingezet, bijdragen aan het realiseren van de klimaatdoelstellingen. Daarvan ben ik nog niet overtuigd.

Een van mijn vragen is volgens mij niet beantwoord en ik stel 'm daarom nog een keer. Ik hoop dat de minister die vraag dan in tweede termijn kan beantwoorden. Ik had de minister gevraagd in toekomstige begrotingen van het Klimaatfonds expliciet inzichtelijk te maken hoe investeringen uit het Klimaatfonds bijdragen aan Europese samenwerking, hoe er gebruik wordt gemaakt van Europese investeringen en hoe er wordt aangesloten bij investeringen in andere lidstaten. Voor mijn fractie zou dat een belangrijk verbetering zijn van de begroting als daar de komende jaren op in zou kunnen worden gegaan.

Tot zover is in de beantwoording volgens onvoldoende duidelijk geworden hoe de keuzes binnen het Klimaatfonds bijdragen aan een gezamenlijke Europese industrie- en infrastructuurstrategie. Waarom zijn sommige investeringen doelmatiger dan alternatieve investeringen die de Europese energietransitie mogelijk kunnen versterken of versnellen?

Juist omdat het hier gaat om miljarden aan publieke middelen en ook over de toekomst van een leefbare planeet leggen wij als Volt de lat heel hoog. Om die reden ga ik mijn fractie toch adviseren om tegen de begroting van het Klimaatfonds te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Visseren-Hamakers van de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dank, voorzitter. Zo snel had ik dat niet verwacht.

Dank aan de minister voor de heldere en uitvoerige beantwoording. Ik kijk ernaar uit dat zij in de tweede termijn terugkomt op de vraag hoe dat schuiven met percelen in de praktijk wordt gedaan.

Ik mis nog een antwoord op mijn vraag of wij inmiddels niet meer afhankelijk zijn van Rusland voor het verrijken van uranium. Ik hoop dat de minister daar alsnog in tweede termijn antwoord op kan geven.

Ik heb een tweetal moties voorbereid, één over kernenergie en één over de herverdeling van percelen binnen het Klimaatfonds.

De eerst motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet-Schoof 9,5 miljard euro extra heeft gereserveerd voor kernenergie in het Klimaatfonds, boven op de al bestaande reserveringen van 5 miljard euro voor kernenergie;

overwegende dat het nog jaren duurt voordat dit budget daadwerkelijk wordt uitgegeven;

overwegende dat deze 9,5 miljard euro de komende jaren ook kan worden ingezet om te investeren in effectieve klimaatmaatregelen;

overwegende dat sommige klimaatmaatregelen, zoals het isoleren van woningen, ook bijdragen aan het tegengaan van energiearmoede;

verzoekt de regering de intensivering van 9,5 miljard euro voor kernenergie om te buigen naar klimaatmaatregelen die op korte termijn bijdragen aan klimaatmitigatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Visseren-Hamakers.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter E (36800-M).

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dan mijn tweede motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat door de benutting van het Klimaatfonds de afgelopen jaren sommige percelen zijn uitgeput en andere nog over voldoende budget beschikken;

overwegende dat hierdoor de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het Klimaatfonds de komende jaren onder druk komen te staan;

overwegende dat op korte termijn investeringen nodig zijn op het gebied van verschillende percelen om de klimaatdoelen te bewerkstelligen;

verzoekt de regering bijvoorbeeld in de voorbereidingen voor Prinsjesdag de verdeling van de middelen van het Klimaatfonds over de percelen te heroverwegen, om zodoende voldoende te kunnen investeren in effectieve klimaatmaatregelen zoals de isolatie van woningen, en de Kamers hierover voor het einde van 2026 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Visseren-Hamakers.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter F (36800-M).

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Om op de opmerking van de heer Panman te reageren: ik heb liever geen kerncentrale, ik heb liever geen kolencentrale. Wat de Partij voor de Dieren wil, is een duurzame economie die een brede welvaart bewerkstelligt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag tot slot het woord aan mevrouw Van Aelst-den Uijl van de fractie van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):

Dank, voorzitter. De SP is blij dat dit kabinet ziet dat er een klimaatprobleem is en dat dit kabinet ook ziet dat dit probleem onze inwoners en bedrijven direct of indirect heel erg veel geld kan gaan kosten. Wat we jammer vinden, is dat deze realisatie er tot nu toe niet toe leidt dat er voldoende middelen voor preventie en adaptatie beschikbaar komen, en ik denk dat wij dat allemaal weten. In plaats daarvan zal een veelvoud van het bedrag dat voor adaptatie of mitigatie beschikbaar zou moeten zijn, gestoken moeten worden in letterlijke en figuurlijke brandjes op het moment dat die zich aandienen. Voor al die brandjes komen kosten bij inwoners, bedrijven en deels bij de overheid terecht. Wanneer wij geld uitgeven aan preventie en mitigatie, krijgen wij daar ook echt daadwerkelijk iets voor terug, bijvoorbeeld de brede welvaart waar mevrouw Visseren zojuist over sprak of duurzamere huizen. Wanneer we dat geld daarentegen moeten steken in het blussen van brandjes en het oplossen van een crisis, krijgen we daar niets anders voor terug dan kosten. Dat is het lastige. Het is dus zonde dat die keuze in ieder geval tot nu toe niet op die manier is of wordt gemaakt.

Een aantal punten die wij misten in de beantwoording: een antwoord op de vraag hoe er integraal naar de kosten en baten van mitigatie en preventie wordt gekeken. De discussie die wij vanmiddag hadden met de bewindspersonen van IenW deed in niets vermoeden dat er op dit moment echt integraal gekeken wordt, niet naar de kosten van verschillende maatregelen zoals bijvoorbeeld meer investeren in openbaar vervoer, en ook niet naar de baten en waar die baten dan zouden kunnen landen. Wat wij ook missen in de antwoorden, is de impact op de laagste inkomens en de meest kwetsbare huishoudens. Daar zouden wij graag nog antwoord op krijgen.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Wenst een van de leden in de tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Minister, bent u in de gelegenheid om direct te antwoorden of heeft u vijf minuten nodig om uw antwoord voor te bereiden? Dat laatste is het geval. Dan schorsen wij even.

De vergadering wordt van 22.27 uur tot 22.32 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister van Klimaat en Groene Groei.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Van Veldhoven-van der Meer i:

Dank u wel, voorzitter. Dank voor de inbreng van de leden in tweede termijn.

Meneer Crone, ik dacht dat we héél dicht bij elkaar waren. U lijkt de motie toch nog nét niet zo te formuleren, maar ik ga nog een poging doen. Het eerste verzoek dat u doet in de motie met letter D verwoordt, waar we het over hadden, de wens om waar mogelijk te versnellen. Ik heb het gehad over die botsproef. Daar wil ik graag mee aan de gang.

Maar dan het tweede verzoek. In onze uitwisseling kwamen we, dacht ik, uiteindelijk uit op het feit dat we een instrument willen dat effectief is. Ik denk dat dat altijd de kern moet zijn, dat we niet op middel sturen, maar op instrument. Op dit moment hebben wij een instrument in voorbereiding. Als je zegt "ik ga een motie aannemen om naar een ander instrument te gaan", dan gaat dat juist tot vertraging leiden. U zei: het is belangrijk dat we ook zorgen dat er de juiste experts zijn die op een goede manier kunnen beoordelen of het werkt. Ik zou u eigenlijk willen vragen of u het verzoek kunt aanpassen. Ik denk dan aan het volgende dictum: "verzoekt het kabinet om nog dit jaar te komen met een financieel instrument …" We gaan namelijk dit jaar met die regeling in consultatie; in de loop van 2027 zal dat zijn ingericht, en dan is dat dus beschikbaar. En daarbij: "… en ervoor te zorgen dat er in het expertpanel dat uiteindelijk bepaalt of projecten ook toegang krijgen tot dat instrument, voldoende kennis van de warmtetransitie aanwezig is". Uiteindelijk gaat het hier namelijk om het doel, en volgens mij niet om het middel. Als u dat zo zou willen aanpassen, dan komen we tot een plek waar ik dit oordeel Kamer zou kunnen geven. Maar ja, dan moet eerst die aanpassing plaatsvinden.

De heer Crone i (GroenLinks-PvdA):

De bedoeling van het gemeen overleg is om eruit te komen. Ik heb de woorden "flexibel waarborgfonds" gebruikt omdat het flexibel moet zijn, maar ook onder die waarborgen zet ik een streep. Die zekerheid zoekt men. We kunnen ook afspreken dat ik de motie aanhoud. Dan breng ik 'm niet in stemming, hoef ik 'm niet aan te passen, en dan zien we wel even. Dat geeft extra druk op de ketel, want dan kan ik 'm ieder moment in stemming brengen als het te lang duurt! Maar daar ga ik helemaal niet van uit. Ik stel dus voor om de motie aan te houden.

De voorzitter:

Ja. Als u de motie aanhoudt, scheelt ons dat een derde termijn. Volgens mij hebben we hier een oplossing.

Op verzoek van de heer Crone stel ik voor zijn motie (36800-M, letter D) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dan hebben we in ieder geval gewisseld wat we gewisseld hebben. De heer Crone weet in welke geest ik wil proberen om die warmtetransitie goed van de grond te krijgen. Dank u wel, voorzitter. Dit lijkt me werkbaar. Dank verder aan de heer Crone voor zijn betrokkenheid bij deze transitie, die naast de elektrificatie een ongelofelijk belangrijke transitie is in de gebouwde omgeving. Ik kom straks ook nog terug op een aantal vragen die hierover zijn gesteld.

De heer Panman had zorgen over landbouw en over de snelheid waarmee het gaat. Hij benadrukte terecht dat het ene staal het andere niet is. Hij had het over de landbouw en de onkruidrobot op zonne-energie. Ik kan me juist voorstellen dat er voor dit soort moderniseringsvragen in de land- en tuinbouw, waarvan er overigens vele zijn, juist wel middelen zijn. Ik denk dat de primaire doelstelling van een robot die onkruid kan verwijderen niet is om de energie die wordt gebruikt te veranderen, maar om op een goede, kosteneffectieve wijze naar een moderne en concurrerende landbouw te gaan. Voor dat soort dingen zijn natuurlijk ook middelen op de begroting van Landbouw beschikbaar.

De heer Panman i (BBB):

Dat was slechts ter illustratie. Waar het mij om gaat en waar het de BBB-fractie om gaat, is dat er duidelijkheid en zekerheid komt. Zoals u ook aangaf, geeft het fonds de zekerheid naar de toekomst toe dat er middelen zijn ter ondersteuning. Nu geeft u tevens aan: ja, maar voor de landbouw hebben wij dus die zekerheid niet, want dan moet je bij de departementale begroting zijn. Dus daarmee valt er ook een sector tussen wal en schip. Het is voor de BBB-fractie onduidelijk als u aan de ene kant zegt: voor andere sectoren dan de landbouw willen wij graag de zekerheid geven dat de middelen in de toekomst beschikbaar zijn; daarom hebben wij een fonds. Als fractie hebben wij daar onze vraagtekens bij, in de zin van hoe transparant en parlementair controleerbaar dat is. Die zorgen heb ik met u gedeeld in de eerste termijn. Het is het een of het ander. Ik heb het gevoel dat er selectief geshopt wordt in de zin dat er voor andere sectoren duidelijkheid is, een fonds naar de toekomst toe, en dat de bedragen geoormerkt zijn. Voor de agrarische sector, met uitzondering van de tuinbouw, wordt gezegd: nee, gaat u maar naar het ministerie. Dat is eventjes wat het vervelende gevoel geeft van: waar zitten we nu?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Als destijds besloten was om de landbouw wel onderdeel te maken van dat fonds en er daarvoor ook middelen ter beschikking waren gesteld, dan waren ze op dat moment niet op een andere begroting terechtgekomen. Maar daar is destijds niet toe besloten. Ik heb ook aangegeven dat het Klimaat- en energiefonds niet de enige pot met middelen is waaruit onderdelen van de transitie worden gefinancierd. Bij alle begrotingen, zowel bij VRO, IenW alsook bij KGG, zijn er dus naast het Klimaatfonds andere instrumenten waarmee, zowel met normering als soms met middelen of met subsidiemiddelen, wel degelijk transities worden ondersteund. In het Klimaatfonds is het destijds niet voorzien. Daarom kan ik er nu ook geen middelen voor beschikbaar maken, anders dan hetgeen ik u al heb aangegeven.

De voorzitter:

Het is een beetje een herhaling van zetten en …

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Het was niet voorzien en daarom zit het er niet in.

De voorzitter:

… ik wil eigenlijk de tweede termijn niet gebruiken voor een herhaling van zetten. Minister, u vervolgt uw beantwoording.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dank u wel, voorzitter. Dan zal ik voor de helderheid eerst even gaan naar de twee overige moties en kom ik daarna terug bij de overige vragen. De motie op stuk nr. … Wij zijn moties met nummers gewend, maar hier zijn het letters. De motie met letter E, van mevrouw Visseren-Hamakers, verzoekt de regering de intensivering voor kernenergie om te buigen naar klimaatmaatregelen die op de korte termijn bijdragen. Ik ontraad de motie, want de volledige, nog beschikbare middelen zijn nodig voor de realisatie van de hoeveelheid kernenergie die voorzien is. De huidige inzichten laten zien dat dit al heel krap is. Kernenergie draagt ook in de toekomst bij aan de onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen zonder CO2-uitstoot. Ik weet dat niet elke fractie daar dezelfde voorkeur in heeft, maar dat is wel onderdeel van hoe wij naar klimaatneutraliteit toegaan.

Dan de vraag om de middelen te heroverwegen voor de verschillende percelen. Ik denk dat dit uiteindelijk een motie met min of meer dezelfde strekking is. Ook hierbij zeg ik: de middelen zijn nodig, dus wij zijn niet voornemens om nu de middelen voor de verschillende percelen te heroverwegen. Ik ontraad dus ook de motie met letter F.

Dan zijn er nog een aantal vragen. Is het weleens voorgekomen dat er geschoven is? Ik gaf al aan: ja, dat is weleens voorgekomen. Maar daar wordt voorzichtig mee omgegaan, omdat voor alle opgaves middelen nodig zijn om het systeem te ontwikkelen. Daarom wordt aan het PBL gevraagd om te reflecteren op waar investeringen nodig zijn, dus om eigenlijk een soort onafhankelijk oordeel te hebben over de verdeling van de middelen over onder andere de elektriciteitsproductie, maar ook de investeringskosten in de gebouwde omgeving, de industrie, het bedrijfsleven, energie-infra en vroege fase opschaling. Daarnaast worden maatregelen ook individueel beoordeeld op de criteria zoals opgenomen in de tijdelijke wet van het fonds. Daarin staan onder andere doelmatigheid, doeltreffendheid, CO2-reductie en bijdrage aan klimaatneutraliteit 2050 centraal.

Wordt er bij de evaluatie van het KEF ook gekeken naar de neveneffecten? Dat is een vraag van de heer Panman. Volgens de Regeling periodiek evaluatieonderzoek wordt al het beleid al verplicht periodiek geëvalueerd. Dat geldt ook voor de vele maatregelen die uit het KEF worden gefinancierd. Deze maatregelen bieden inzicht in hoeverre het beoogde instrument doeltreffend en doelmatig is en wat de neveneffecten zijn. Het is bij de evaluatie van het Klimaat- en energiefonds niet mogelijk om alle individuele maatregelen nogmaals te evalueren.

De Partij voor de Dieren vroeg nog hoe de investeringen bijdragen aan de Europese samenwerking. Ik heb in de eerste termijn daar al iets over gezegd, namelijk dat hiervoor aandacht is bij het uitvragen en beoordelen van voorstellen in het Klimaatfonds. Ik kan toezeggen in het meerjarenprogramma voor het fonds inzichtelijk te maken welke middelen uit het fonds hieraan bijdragen, zodat het transparant is.

Dan de heer Kemperman en de hockeystick. Er zijn Tweede Kamervragen over gesteld en die heeft het kabinet op 10 april 2025 beantwoord. Hierin is ook expliciet ingegaan op de kritiek van McIntyre en McKitrick. Als u wil — ik heb het printje hier — kan ik het u meegeven. Het komt uw kant op.

Dan was er nog een vraag van de SP over de impact op de laagste inkomens en de meest kwetsbare huishoudens. TNO beoordeelt maatregelen op sociaal-economische effecten, onder andere ook verdelingseffecten. Daarnaast zijn lasteneffecten breder dan alleen klimaatbeleid, daarom wordt er in augustus ook gekeken naar het totale lastenbeeld. Daar zitten ook de energie- en klimaatlasten dus bij in.

Kernenergie: zijn we afhankelijk van Rusland? Het kabinet steunt het afbouwen van de afhankelijkheid van Russisch uranium. Nederland is op dit moment niet van Rusland afhankelijk voor het verrijken van uranium, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruiken van uranium om daarmee het radioactief afval te minimaliseren. We kunnen vanwege de complexiteit nog geen volledige inschatting maken wanneer de totale afhankelijkheid doorbroken kan worden.

Ik heb nog een laatste vraag te beantwoorden, voorzitter.

De voorzitter:

Heel kort dan, mevrouw Visseren-Hamakers, maar we gaan het niet over uranium hebben.

Mevrouw Visseren-Hamakers i (Fractie-Visseren-Hamakers):

Volgens mij gaan de leden van de Kamer over de inhoud van hun vragen, voorzitter. We zijn op dit moment dus nog steeds afhankelijk van Rusland voor het verrijken van uranium. Heb ik dat goed gehoord van de minister?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Nee, Nederland is op dit moment niet van Rusland afhankelijk voor het verrijken van uranium.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

En het tweede gedeelte van uw antwoord?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

We kennen nog wel een indirecte afhankelijkheid voor het hergebruik van uranium om daarmee het radioactief afval te minimaliseren. Dus als je meer afval zou accepteren, zou je die afhankelijkheid van Rusland niet hebben.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Dus we zijn nog wel afhankelijk van Rusland voor het hergebruik van uranium?

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dat is alleen als je het radioactief afval wil minimaliseren.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Ja dus.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Ja, voor het minimaliseren van het afval. Ja.

Mevrouw Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers):

Oké.

Minister Van Veldhoven-van der Meer:

Dan is er nog de vraag hoe er wordt gekeken naar de andere beleidsopgave, preventie. In de adaptatiestrategie kijkt de minister van IenW naar de gevolgen van klimaatverandering. Uiteraard probeert het kabinet zo veel mogelijk rekening te houden met een integrale blik, bijvoorbeeld voor klimaatadaptatie maar ook voor gevolgen voor gezondheid en natuur. Onder andere in het Klimaatplan wordt ingegaan op de samenhang met andere transities. Daar zou je dat dus terug moeten kunnen vinden.

Voorzitter, ik kijk het nog even na, maar ik hoop dat ik hiermee de vragen van uw leden heb kunnen beantwoorden.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over wetsvoorstel 36800-M? Dat is het geval. Dan gaan wij daar morgen bij de eindstemming over stemmen. Ik stel voor dat we dan ook over de ingediende moties stemmen.

Ik schors de vergadering tot dinsdag 7 juli, 9.00 uur. Ik wens u allen wel thuis.