Verslag van de vergadering van 6 juli 2026 (2025/2026 nr. 38)
Aanvang: 18.45 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-
-de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 (CLXXVI).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van nummer CLXXVI. Ik heb dat namelijk net verkeerd gezegd. Het gaat om CLXXVI, Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026. We zijn toe aan het antwoord van de voorsteller van de regeling in de eerste termijn.
De beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Meenen.
De heer Van Meenen i (D66):
Voorzitter, hartelijk dank. Overal waar ik "ik" zeg, bedoel ik eigenlijk onze fracties, D66, maar natuurlijk ook PRO … Mag ik dat hier al zeggen? Nee. U weet wat ik bedoel. Het gaat natuurlijk om GroenLinks-PvdA, en ook de VVD. Het komt van ons samen eigenlijk. Mevrouw Fiers is diegene die dit allemaal bedacht had en ze vroeg aan mij of ik het dan toch maar wilde proberen.
De voorzitter:
U noemt zichzelf nu "de voorstellers", niet "de fracties". Je bent de voorsteller. U bent de voorstellers van de regeling.
De heer Van Meenen (D66):
"De voorstellers." Goed dat u het zegt, voorzitter. Ik wil om te beginnen mijn waardering uitspreken voor het feit dat mijn gewaardeerde collega's Van Hattem en Janssen zo zorgvuldig naar het voorstel hebben gekeken en dat collega Van Hattem zelfs de moeite heeft genomen om zijn voorstellen in een aantal amendementen te gieten. Wij denken wellicht anders — ik heb het dan met name over de heer Van Hattem — over het nut en de noodzaak van deze regeling. Dat is duidelijk. Maar dat is ook precies de kern van wat wij hier de hele dag aan het doen zijn. Wij denken verschillend over dingen en we proberen op een ordentelijke manier stappen vooruit te zetten, dus alleen maar waardering daarvoor.
Ik wil wel afstand nemen van het idee dat zou kunnen ontstaan, namelijk dat we hier bezig zijn om zo veel mogelijk geld uit te geven. Dat is niet zo. Vanaf het eerste moment dat ik in deze Kamer zit, zet ik mij in voor een goed werkgever kunnen zijn voor de mensen, vaak jonge mensen, die keihard voor ons allemaal werken. Ik wil hun zekerheid kunnen bieden. Dat willen de voorstellers dus ook. Per 1 januari 2024 is de regeling daarom dan ook gewijzigd met als doel de politiek-inhoudelijke ondersteuning van de fracties uit te breiden en te versterken, maar ook zeker om het goed werkgeverschap door fracties te bevorderen. Uit de eerdere evaluatie van de regeling bleek dat deze doelen op zichzelf zijn behaald, maar beter zouden kunnen worden geborgd als er doelmatiger en schokbestendiger kan worden begroot. Daarom is het onderhavige voorstel ingediend, waardoor het mogelijk wordt een egalisatiereserve op te bouwen. Voorwaarde daarvoor is wel dat fracties die daartoe besluiten een stichting oprichten. Op deze manier wordt er meer rechtszekerheid geboden aan de werknemers van de fracties.
Ik zei: ik zeg "ik", maar ik doe het niet alleen. Vandaag sta ik hier mee namens de fracties van de VVD en GroenLinks-PvdA, maar ik voel me ook gesterkt door het feit dat bijna alle fracties aan het eerste voorstel hun steun hebben verleend in het College van fractievoorzitters en ons de opdracht hebben gegeven dit voorstel verder uit te werken.
Voorzitter. Dan nu de beantwoording van de vragen. Veel van de vragen zijn onderdeel van een amendement geworden, dus ik pak ze waar mogelijk samen. Vooraf een opmerking. De wijziging van de regeling die vandaag wordt voorgesteld, mede namens de VVD en GroenLinks-PvdA, ziet enkel op het introduceren van de mogelijkheid een egalisatiereserve op te bouwen en aan te houden. Dat doen wij zodat fracties in de toekomst doelmatiger en bestendiger kunnen begroten. Dit is ook conform de opdracht van het College van fractievoorzitters om een voorstel te doen om de opbouw van een egalisatiereserve mogelijk te maken. Veel van de opmerkingen en vragen die vandaag gesteld zijn, gaan over onderdelen die al in de regeling stonden. Gelet op de opdracht van het Cvf hebben wij deze onderdelen bewust ongemoeid gelaten. Ik kan me heel goed vinden in de behoefte van de heer Van Hattem en de heer Janssen om de regeling op termijn ook in zijn geheel te evalueren. Mochten de leden een evaluatie voorstellen in het College van fractievoorzitters, dan zullen in ieder geval mijn fractie en die van mijn mede-indieners dat ongetwijfeld van harte ondersteunen.
Voorzitter. De heer Van Hattem vroeg waarom er een claim is op het geld van 2024 en 2025. Vanaf januari 2024 is de herziene regeling van kracht, waarmee het fractiebudget werd verstevigd. Dat is ook het moment waarop veel fracties mensen in dienst hebben genomen of waarop ze mensen die ze al in dienst hadden meer uren of een vast contract konden aanbieden. Daarom vinden we het terecht dat de mogelijkheid voor een reserve met terugwerkende op dat moment ingaat, want vanaf dat moment hebben wij die verantwoordelijkheid voor onze mensen nog meer op ons genomen. De verantwoording over 2025 is nog niet afgewikkeld en eventueel overgebleven budget is dus nog beschikbaar op de lopende begroting. Het bedrag waarvoor eventueel een claim bij de Najaarsnota gedaan zou moeten worden, is maximaal €400.000, en dat is alleen als alle fracties het maximale bedrag zouden claimen. Maar een fractie hoeft dat bedrag natuurlijk niet aan te vragen, zeg ik ook in de richting van de heer Van Hattem. Fracties die daar wel voor kiezen, moeten in hun jaarverslag daarover uiteraard wel verantwoording afleggen.
De heer Janssen vroeg: welke definities worden gehanteerd voor personele en materiële kosten? Dat zijn de definities die in de regeling staan. Daar valt ook inhuur van derden onder. Wij kunnen ons voorstellen dat niet alle expertise bij fractiemedewerkers of fractieleden zit en dat het soms wenselijk is om op een bepaald specifiek onderwerp iemand met expertise in te huren.
De heer Janssen i (SP):
Het punt was nou juist dat ik in de regeling heb gezocht. In de begrippenlijst die aan het begin staat, wordt "materiële kosten" niet gedefinieerd en "personele kosten" ook niet. Vandaar mijn vraag welke definitie we toepassen. De heer Van Meenen zegt "dat staat in de regeling", maar ik vind de definitie niet terug in de regeling zelf. Ik kan daar overheen gelezen hebben, maar dan laat ik me graag bijpraten.
De heer Van Meenen (D66):
Nou ja, ik zeg letterlijk: dit zijn de definities die in de regeling staan voor personele en materiële kosten en wat ons betreft valt daar ook de inhuur van derden onder. Dat heb ik zojuist toegelicht.
De heer Janssen (SP):
Ja, wat u betreft, maar het gaat erom wat er ook na u nog onder verstaan wordt, als u of de anderen geen onderdeel van de Kamer meer zijn. Ik zeg dit om misverstanden te voorkomen als er gedoe komt over de regeling, over waaraan geld is uitgegeven et cetera. Ik kom nog terug met een vervolgvraag, denk ik, over artikel 4, lid 3, maar de vraag is deze. Er zijn begrippenkaders waarin die definities helder worden gegeven. Daarom vroeg ik ook naar het systeem dat ik u heb uitgelegd. Een definitie van wat onder materiële kosten moet worden verstaan in het licht van deze regeling heb ik nergens aangetroffen.
De heer Van Meenen (D66):
Nee. Wij hebben die definities ook niet aangepast, dat is helemaal geen onderdeel van onze opdracht geweest. Mijn stelling zou zijn dat we die betrekken bij de totale evaluatie die er zou komen. Als je dat wilt, kun je dan een helderder definitie geven. Nu kan ik alleen maar zeggen wat wij als indieners vinden over de vraag die de heer Janssen stelde, namelijk: hoort het er wat u betreft onder? Ja, wat ons betreft hoort het eronder.
De heer Janssen (SP):
Dat was een vervolg, omdat ik verwees naar de overheidsregeling in het algemeen, waarbij inhuur is inbegrepen. U zegt: wat ons betreft ook. Dan wil ik de heer Van Meenen toch vragen om voor het vervolg nog even precies te kijken naar de vraag die ik gesteld heb, want in deze regeling worden geen definities gegeven voor wat moet worden verstaan onder materiële kosten en wat onder personele kosten valt. Ergens moet dat aansluiten bij wat bij de Rijksoverheid misschien of bij wat in de begroting of elders wordt gehanteerd voor deze begrippen, want we moeten wel grond onder de voeten hebben bij discussies; we moeten weten wat er dan precies onder valt.
De heer Van Meenen (D66):
Dat begrijp ik volledig, maar dat is niet waarom ik hier nu sta. Ik sta hier om een egalisatiereserve mogelijk te maken. Dat was de opdracht van het College van fractievoorzitters. Ik heb niet op mij genomen om de hele regeling verder te evalueren en te verbeteren. De vraag die de heer Janssen stelt, is een vraag van groot belang; dat begrijp ik heel goed. Ik kan nu alleen maar een antwoord geven dat in de ogen van de indieners zo zou zijn. We hadden ook al die andere artikelen die we niet gewijzigd hebben, waaronder dit, kunnen aanpassen, maar dat hebben we niet gedaan. Maar het is een heel helder punt. Voor nu kan ik alleen maar zeggen hoe wij ernaar kijken. Wat wij hier met elkaar bespreken en afspreken, is daarmee impliciet eigenlijk ook al onderdeel van de regeling geworden. Maar ik hoop dat de heer Janssen goed begrijpt waarvoor ik sta. Wat mij betreft gaat het debat over de artikelen die wij gewijzigd hebben, en niet over allerlei andere artikelen waarvan u al lezende tot de conclusie bent gekomen dat ze scherper en helderder zouden moeten. Dit is gewoon een artikel dat er al was en het is er nog steeds.
De heer Janssen (SP):
Ja, het artikel was er al en dat is er nog steeds, maar als het gaat over rechtmatige uitgaven en wat wel of niet uitgegeven mag worden of eventueel in een egalisatiereserve mag komen — laat ik het zo zeggen — dan raakt het daar wel aan. Ik ben hier dus nog niet van overtuigd, maar ik zal hier in de tweede termijn zelf nog even op terugkomen.
De heer Van Meenen (D66):
Uitstekend.
De heer Janssen vroeg ook hoe de personele ondersteuning de hoofdbestemming van de financiële bijdrage blijft nu deze uitgebreid wordt. Dat is in eerste instantie natuurlijk aan de fracties zelf, maar het doel van de uitbreiding van deze budgetten was juist om mensen in dienst te kunnen nemen en hun betere voorwaarden te kunnen bieden. Dat blijft natuurlijk onverkort staan. De vorige bijdrage was niet toereikend om mensen in dienst te nemen en voldoende te betalen. De wijziging van 2024 draagt eraan bij dat de fracties ook kunnen voldoen aan hun arbeidsrechtelijke verplichtingen. De zaken waaraan de bijdrage besteed mag worden, zijn beperkt. Artikel 4 van de regeling geeft hiervoor inderdaad een limitatieve opsomming. Die opsomming is overigens niet nieuw. Die staat ook in de huidige regeling en kan indien gewenst betrokken worden bij de eerdergenoemde evaluatie. Ten slotte wordt er publieke verantwoording afgelegd over de uitgaven. Als deze wijziging wordt aangenomen, moet elke fractie een accountantsverklaring kunnen overleggen. Dat is dus het idee. We maken het nog beter voor de mensen, omdat we weer meer schokbestendig willen kunnen reageren op ontwikkelingen die er zijn. Maar nogmaals, ook dit artikel hebben wij niet gewijzigd. Dat kan, maar wat ons betreft dan als onderdeel van een grote evaluatie en niet als onderdeel van een invoering van een egalisatiereserve die verder geen betrekking heeft op dit artikel.
De heer Janssen (SP):
Ik vroeg dat omdat als er een egalisatiereserve gaat ontstaan, het mogelijk is om die te besteden bij gebrek aan noodzaak van nadere personele ondersteuning. De heer Van Meenen heeft het steeds over goed werkgeverschap. Daarom mijn vraag. Als dat bedrag eenmaal gewoon ergens in een reserve staat en daar jaar op jaar op jaar blijft staan, of dat nou €30.000, €75.000 of €100.000 is, dan moet wat de SP betreft duidelijk blijven dat dat bedoeld is voor extra personele ondersteuning, zodat we straks niet €100.000, €75.000 of €30.000 hebben voor allerlei andere materiële zaken maar zodat het doel van deze regeling nog steeds is om extra ondersteuning mogelijk te maken, wat initieel niet alleen bij deze regeling maar ook bij de vorige regeling het doel was. Dat moet wel ergens duidelijk blijven. Als de heer Van Meenen zegt dat fracties daar zelf over gaan, vind ik dat dat toch een beetje weggaat van wat we met elkaar besloten hebben, namelijk dat we dit geld willen gebruiken voor extra financiële ondersteuning voor extra personele ondersteuning, juist om fracties beter hun werk te kunnen laten doen.
De heer Van Meenen (D66):
De zorgen die de heer Janssen heeft, deel ik natuurlijk volledig. Het is daarvoor bedoeld, maar het is niet exclusief: het mag niet alleen maar daaraan uitgegeven worden. Het mag ook aan andere kosten uitgegeven worden, bijvoorbeeld materiële kosten ten behoeve van het personeel. Het kan ook aan scholing uitgegeven worden et cetera. Dat gaan we niet verbieden in deze regeling, ook niet bij de uitbreiding, maar het is uiteindelijk aan de fractie. Dat bedoel ik niet makkelijk. Elke fractie moet met deze regeling uiteindelijk een accountantsverklaring krijgen en moet zelf openbaar aantonen waaraan het geld is uitgegeven. Dan wens ik de fractie die dat niet in hoofdzaak aan personeel uitgeeft heel veel succes in het publieke debat dat dan over de jaarrekening zou kunnen gaan plaatsvinden. Daar zit voor mij dus de veiligheidsklep dat het bij de bedoeling blijft.
De heer Janssen (SP):
Dan komen we op het punt terecht dat materiële kosten in de regeling maar ook in de egalisatiereserve niet op enigerlei wijze gekoppeld zijn aan personeel. Er staat alleen "materiële zaken". Die kunnen ook losstaan van personeel. Daar zit de zorg van de SP. Die relatie met waarom wij ooit met deze regeling en deze extra bijdrage begonnen zijn en met waarom het, ook bij een egalisatiereserve, voor dat doel beschikbaar moet zijn, moet wel blijven, zodat we het hele bedrag straks niet aan allerlei materiële zaken gaan besteden die niks met personeel te maken hebben en die niet in de limitatieve lijst staan. Daar kan ik immers van alles bij verzinnen waar je het ook aan kan uitgeven en wat onder materiële zaken valt, maar wat niet op de limitatieve lijst staat.
De heer Van Meenen (D66):
Ik kan het daar alleen maar mee eens zijn. Maar nogmaals, wij hebben niet beoogd dit onderdeel te wijzigen. Er komt nu meer geld. De heer Janssen zegt dus terecht dat het risico op eventueel misbruik toeneemt. Tegelijkertijd zeg ik: ja, maar er komt ook een verplichting voor allemaal op een jaarrekening …
De heer Janssen (SP):
Nee. Voorzitter, ik maak hier even bezwaar tegen. Ik heb het woord "misbruik" niet genoemd. Ik wijs er de hele tijd op dat juist door het ontbreken van heldere definities er een gebruik kan ontstaan dat tot misverstanden binnenshuis, buitenshuis of waar dan ook kan leiden. Misschien met de beste bedoelingen, misschien ook zonder beste bedoelingen, dat kan allemaal. Maar ik heb het woord "misbruik" niet gebruikt, dus daar neem ik even afstand van.
De heer Van Meenen (D66):
Nee …
De heer Janssen (SP):
Het gaat mij erom dat het duidelijk moet zijn waar het aan besteed gaat worden. De zorg van de SP is dat door de open definities, juist ook voor die egalisatiereserve die nu mogelijk gemaakt wordt, in combinatie met artikel 4 — laat ik het zo zeggen — het doel uit beeld raakt, namelijk dat het is bedoeld voor extra personele ondersteuning. Dus niet slechts dat er "een" bedrag staat als egalisatiereserve dat ook, los van aan personeel, aan allerlei materiële zaken kan worden uitgegeven die los staan van de limitatieve opsomming. Want er zijn echt andere dingen te bedenken waar je het ook aan kan uitgeven, die helemaal niks met personeel te maken hebben.
De voorzitter:
Helder. De heer Van Hattem …
De heer Van Meenen (D66):
En dat noem ik dan "misbruik", als dat gebeurt, voorzitter. En dat zijn dan mijn woorden. Dat is het formeel niet, dat begrijp ik, maar dat is het wel. Dat leg ik u dus niet in de mond; dat zeg ik zelf, hè. Als dat gebeurt, als dat uitgegeven wordt aan allerlei dingen die ook zouden kunnen maar waarvoor het allemaal niet bedoeld is, tja, dan noem ik dat zelf "misbruik". Dat zijn mijn woorden dan, en daarvan hoeft u helemaal niet uw woorden te maken.
De heer Janssen (SP):
Even voor de helderheid: alles wat in deze regeling niet verboden is, is toegestaan, want u heeft een limitatieve opsomming gegeven. In artikel 4 staat een limitatieve opsomming van waar het niet aan uitgegeven moet worden. Al het andere is toegestaan. En dan kan het uw persoonlijke opvatting zijn dat u vindt dat dat dan misbruik is, maar als het niet verboden is in de regeling, is het toegestaan. Dat is het punt. Dan hoeft het dus helemaal geen misbruik te zijn, want dan staat de regeling het toe. Dat is mijn punt.
De heer Van Meenen (D66):
Nou ja, ik denk dat we het eens zijn, alleen vat ik het nog zwaarder op als dat zou gebeuren dan de heer Janssen doet. Maar laten we wel zijn: het punt van de indieners is dat wij een regeling willen — laat ik dat expliciet zeggen — die het personeel ten goede komt; daar is het allemaal voor bedoeld. En dat hebben we hier nu ook nog eens een keer met elkaar vastgesteld. Dus laten we ons daaraan houden en laten we in de evaluatie bekijken of bepaalde definities scherper moeten. Wij hebben dat nu niet als onze opdracht opgevat.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik val de heer Janssen toch bij dat het wel belangrijk is om dat ook scherp in de regeling zelf op te nemen; anders hoeft er niet per se sprake te zijn van misbruik en wordt iets niet onrechtmatig besteed, maar kan dat wel worden opgerekt. Op dit moment loopt er een actuele situatie bij de provincie Zeeland, waar een Statenlid ook bedacht heeft dat hij met zijn fractievergoeding elke keer naar de duurste restaurants uit eten kan gaan. Dat bleek dan ook gewoon volgens de regels te kunnen, maar ethisch is het niet verantwoord. Ik denk dat het wel goed is om duidelijk te maken dat het, als je een personele uitgave wil doen, ook daarvoor bedoeld is.
En dan hoor ik toch graag van de heer Van Meenen, als voorsteller van deze regeling, dit. Als we het over personele uitgaven hebben en hij zegt dat de huidige regeling onvoldoende was om personeel in dienst te kunnen nemen, wanneer is het dan wel voldoende om personeel in dienst te nemen? Wij zijn een deeltijdparlement. Moeten we hier personeel fulltime in dienst hebben? Moet ieder Kamerlid een eigen persoonlijke assistent hebben? Moeten de salarissen van een bepaalde hoogte zijn? Wat is voor de heer Van Meenen en de andere voorstellers het criterium voor "voldoende" om personeel in dienst te kunnen nemen?
De heer Van Meenen (D66):
Dat is natuurlijk niet met een schaartje te knippen; dat begrijpt de heer Van Hattem ook wel, denk ik. Of hoop ik in ieder geval. Wat wij beoogd hebben, is niet een uitbreiding van het budget. We hebben beoogd een egalisatiereserve mogelijk te maken die de regeling schokbestendiger maakt. Het is nu eenmaal zo dat wij in een omgeving zitten waar van alles kan gebeuren met zetelaantallen, verkiezingen et cetera. Een van de aanleidingen was dat we er dan graag voor willen zorgen dat er dan fatsoenlijk omgegaan kan worden met personeel in het geval dat een fractie ophoudt te bestaan of minder zetels heeft. Daar is al een zeker vangnet voor, maar het kan bijvoorbeeld ook tussendoor gebeuren dat iemand langdurig ziek is of een personeelslid moet worden vervangen. Dat is nu, met de huidige regeling, heel moeilijk op te vangen. Wij hebben geen salaris, hè. Het is allemaal aan de fractie zelf hoe dat bedrag besteed wordt. En het is nou ook niet zo dat je daar zo ontzettend veel personeel voor kunt aannemen. Dat is dus onvergelijkbaar met wat hier gebeurt. Ik heb in het vorige debat, over de eerste wijziging van de regeling, ook een internationale vergelijking mogen doen op verzoek van Volt. Dan zie je dat wat wij hier doen buitengewoon bescheiden is. Maar het dient wel de kwaliteit van ons werk en het zorgt ervoor dat wij heel goede mensen in dienst kunnen nemen. Hopelijk is de heer Van Hattem dat wel met ons eens, namelijk dat wij hier gewoon heel goede mensen hebben. Die krijg je alleen als je hun ook heel goede arbeidsvoorwaarden geeft.
De heer Van Hattem (PVV):
Het punt blijft een beetje ... Ik bedoel, ik sta hier niet om het ten gronde af te kraken. Sterker nog, ik vind het op zich prima als er iets van een egalisatiereserve is, maar je moet wel kijken naar de aard en de omvang van zo'n regeling. Wat ik hier naar voren breng, zie ik vooral als een stukje opbouwende kritiek, namelijk door een regeling voor te leggen die naar mijn idee beter uitvoerbaar en beter uitlegbaar is, vandaar ook de amendementen die ik daarop ingediend heb. Wat betreft de egalisatiereserve zijn de argumenten van de heer Van Meenen op zich terecht, maar om dan te zeggen dat we een egalisatiereserve van 100% aan moeten houden, terwijl dat elders in den lande helemaal niet zo gebruikelijk is … Hij zegt dat we heel goede arbeidsvoorwaarden moeten kunnen creëren, maar in de regeling wordt niet uitgesproken dat fracties vervolgens meerdere mensen in dienst gaan nemen. Als er dan iemand wegvalt, wordt het geld niet als buffer gebruikt, maar wordt het gebruikt om toch het personeelsbestand te maximeren. Hoe kijkt de heer Van Meenen daartegen aan, dus dat je een beetje hetzelfde effect gaat krijgen, door mensen in dienst te nemen waardoor de uiteindelijke buffer die bedoeld is, toch niet tot stand komt?
De heer Van Meenen (D66):
In alle organisaties waarin ik gewerkt heb, waar mensen werkten van wie het werk van belang was, wat ze daar ook deden, probeerden we als er iemand langdurig wegviel, iemand anders daarvoor in de plaats te krijgen. Dat was gewoon een vervangingsregeling, zou je kunnen zeggen. Deze regeling maakt het bijvoorbeeld mogelijk om dat te doen. Wij willen een professional die om wat voor reden dan ook uitvalt, kunnen vervangen of in ieder geval ten dele kunnen vervangen. Het is ook niet zo dat het 100% is. Het is 75% van één jaarbedrag, die in totaal aan egalisatiereserve kan worden opgebouwd. Dat is nog niet eens één fte en dat dan in vier jaar tijd. Je moet daar dus heel zorgvuldig mee omgaan. Dat moet je altijd al doen en je moet je afvragen of het nu nodig is. Het is niet ineens zo dat we alles en iedereen salarisverhoging kunnen geven, helemaal niet. Daar gaat deze regeling niet over. Het gaat er alleen maar om dat je schokken kan opvangen tijdens de periode, maar ook over die periode heen. Daarvoor heb je die stichting dan weer nodig.
Overigens heb ik er alleen maar waardering voor dat u voorstellen doet om de regeling beter te maken. Dat heb ik ook gezegd. In de eerste schriftelijke ronde heeft u al een paar dingen opgemerkt die ook in de nota van wijziging terecht zijn gekomen. Ik waardeer dus wat u doet. Wel wijs ik erop dat het nu gaat over de regeling als geheel. Een aantal van uw bijdragen gingen daar ook over, maar daarvoor sta ik hier niet. Ik sta hier niet om de héle regeling zoals we die al hadden nog eens een keer te verdedigen. Die regeling zal ongetwijfeld beter kunnen, maar ik sta hier omdat ik een opdracht van vrijwel het voltallige College van fractievoorzitters heb gekregen om die egalisatiereserve mogelijk te maken. Over die wijzigingen wil ik graag nu het debat voeren. Ik hoop dat we in de toekomst, bijvoorbeeld tegen de tijd dat we een nieuwe Kamer krijgen, het debat kunnen voeren over de gehele regeling. Er zullen dan ongetwijfeld dingen beter kunnen. De heer Janssen heeft daar ook al op gewezen.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik heb het niet per se over de hele regeling. Ik heb het over de elementen die nu wel gewijzigd gaan worden vanwege de egalisatiereserve en elementen die toch in een iets ander perspectief komen te staan vanwege de regeling voor de egalisatiereserve. Wat mij betreft is er wel sprake van een belangrijke samenhang tussen deze zaken. Dat wil ik hier toch wel benadrukt hebben. Ik wil de heer Van Meenen toch vragen: als wij deze regeling zo opstellen, waarom is er dan bijvoorbeeld geen bepaling in opgenomen waarmee fracties verplicht worden om zelf een reserve aan te houden, bijvoorbeeld om personeel op te kunnen vangen wanneer iemand ziek is, tijdelijk uitvalt et cetera? In plaats daarvan zeggen we nu dat we het budget helemaal vrijgeven. Dat schept de mogelijkheid dat er wel degelijk kan worden gezegd "we gaan de salarissen verhogen" — maximeren, zou ik in dit geval willen zeggen — "of extra personeel in dienst nemen", waardoor die buffer de facto weer verdwijnt en hetzelfde probleem opnieuw kan ontstaan.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, dat had gekund. Dat had bij de eerste wijziging gekund, want je zou kunnen zeggen dat de middelen er toen waren om dat te doen. Maar als je toen had gezegd "bouw voor een deel ook maar een reserve op", waren die middelen wel onmiddellijk ten koste gegaan van de mensen waarvoor we het op dat moment deden. Dat waren de mensen die al in dienst waren en de mensen die we graag in dienst wilden hebben. We wilden onze kwaliteit en ons werkgeverschap versterken. We wilden, op dat moment in ieder geval, niet ook nog eens een reserve aanleggen. In de loop der tijd is duidelijk geworden dat het klemt. Bij een aantal fracties, ook hele kleine, klemt het dat er elke keer aan het eind van het kalenderjaar afgerekend moet worden en dat je niks over hebt voor het volgende jaar. Om dat tegemoet te komen, heeft vrijwel het volledige College van fractievoorzitters gezegd: laten we daarnaar kijken en dat op een goede manier doen. Dat doen we hier. Ik kom zo overigens nog terug op uw amendementen.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Tot slot, voorzitter. Het punt is nu juist dat je er ook zo naar kunt kijken dat wanneer je als fractie een beperkt budget hebt, je ervoor kunt kiezen om de salarissen niet te hoog te maken. Zo zorg je ervoor dat het aantal personeelsleden niet het volledige budget opsoupeert. Een stukje voorzienigheid binnen de begroting kan toch ook wel vanuit de fractie worden gemaakt? Dat is misschien verstandiger. Anders gaan fracties het ten maximale benutten en moeten we eigenlijk een weg zoeken om die klap weer op te vangen.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, maar laten we wel even helemaal precies blijven. Wat wij hier niet gedaan hebben — dat staat dit budget ook helemaal niet toe — is heel hoge salarissen uitdelen. In mijn fractie zit iemand fulltime in schaal 12 en iemand parttime in schaal 10. Dat is het. Dat zijn bedragen waar je bij het ministerie niet eens mee aan hoeft te komen. Wij zijn in kwaliteit natuurlijk in zekere zin in concurrentie met anderen. Als we goede mensen willen hebben, dan moeten we ze ook behoorlijk betalen. Er zijn binnen de overheid echt wel vergelijkbare banen waar duidelijk meer voor betaald wordt. De grote aantrekkelijkheid van hier werken is natuurlijk ook dat ze dagelijks met mensen zoals u en ik mogen omgaan. Dat is ook wat waard. Dat is eigenlijk niet in geld uit te drukken.
De heer Van Hattem (PVV):
Klein persoonlijk feitje. Ik heb niet gezegd dat we hier torenhoge salarissen uitbetalen. Ik heb alleen gezegd dat het gemaximeerd wordt binnen het budget. Dat is toch wat anders.
De heer Van Meenen (D66):
Het budget maximeert het ook.
De heer Janssen (SP):
Even vanuit een kleine fractie dan maar. Ik zie in alle eerlijkheid dat kleine fracties staan te springen om extra ondersteuning, omdat we juist met weinig Kamerleden heel veel zelf moeten doen en met heel weinig ondersteuning toch aan alle debatten mee willen doen. Ziet de heer Van Meenen met zijn collega's het risico dat juist bij kleine fracties, als zij inzetten op voldoende ondersteuning om goede kwaliteit te kunnen leveren bij debatten, helemaal niet toekomen aan het opbouwen van egalisatiereserve? Zij hebben die ondersteuning namelijk vele malen harder nodig dan een grote fractie, die met meer Kamerleden veel meer kan verdelen en van nature al meer medewerkers heeft en daar meer budget voor heeft. Kleine fracties komen dus helemaal niet toe aan het opbouwen van zo'n egalisatiereserve als zij het geld gewoon gebruiken waar het voor is, namelijk voor het inzetten van ondersteuning.
De heer Van Meenen (D66):
Ik begrijp wat de heer Janssen zegt, maar ik wil er wel iets op terugzeggen. Juist dankzij de grote fracties — dan noem ik met name BBB, VVD, maar ook GroenLinks-Partij van de Arbeid — is er een model gekozen dat die solidariteit heel erg heeft. Relatief krijgen kleine fracties natuurlijk veel meer per zetel dan de grotere fracties. Of dat voldoende is om al dan niet een egalisatiereserve op te bouwen durf ik niet te zeggen. U heeft in de eerste termijn gesproken over een omgekeerd evenredige egalisatiereserve. Dat begrijp ik heel goed, maar dat vind ik een onderwerp dat we in de totale evaluatie een keer mee moeten nemen. Ik ben ook een soort moderne Robin Hood, dus ik vind het allemaal helemaal goed. Maar daar hebben we nu niet voor gekozen. Dat was ook niet de opdracht die ik onder anderen van u heb meegekregen.
De heer Janssen (SP):
Voor de geschiedschrijving wil ik het volgende zeggen, waar ik in de eerste termijn ook al aan heb gerefereerd. Het eerste voorstel was om naar fractiegrootte de hoogte van de extra financiële ondersteuning te bepalen. We zijn er uiteindelijk op uitgekomen om het dan maar egalitair te doen, iedereen hetzelfde. Het beroep op solidariteit is er in tweede instantie gekomen. Dat bedoel ik niet flauw, maar dat was wel de gang van zaken. Bij de evaluatie refereerde ik aan de vraag waar je de meeste waar voor je euro krijgt. Wat is het effect van een extra ondersteuning van €100.000 bij kleine fracties en wat is het effect bij een fractie van zestien, vijftien, twaalf, tien, waar al een bepaald budget is om ondersteuning te leveren en meer Kamerleden om de werklast onder te verdelen? Misschien komt de heer Van Meenen zo nog op die vraag.
De heer Van Meenen (D66):
Dat voorstel om te egaliseren en te nivelleren — dat wil ik voor de geschiedschrijving toch ook nog wel even gezegd hebben — kwam van mevrouw Klip, in samenspraak met mevrouw Lagas. De grootste fracties hebben toen gepleit voor een solidair systeem. Ik weet ook dat het oorspronkelijke voorstel anders was, maar dit is het geworden met een hele grote meerderheid in deze Kamer. Daar doen we het nu mee. Bij een volgende evaluatie kunnen we naar uw voorstel kijken, zou ik zeggen. Ik vind het allemaal prima. Maar dat was niet de vraag die mij hier door het College van fractievoorzitters is gesteld.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter. Dan kom ik bij de amendementen. Het amendement met letter H wil ik ontraden. Ik begrijp de vraag van de heer Van Hattem waarom we niet voor alle fracties een stichting verplicht stellen. Ik zou er zelf geen bezwaar tegen hebben, maar ik kan me ook goed voorstellen dat wij kleine fracties en eenmansfracties dan met disproportioneel grote administratieve lasten opzadelen. Ik stel de heer Van Hattem voor ook dit onderwerp bij de evaluatie te betrekken. De fracties die ervoor kiezen de egalisatiereserve op te bouwen, moeten wel een stichting oprichten. Op die manier is duidelijk wie er verantwoordelijk en aansprakelijk is voor die reserve, ook als de reserve over verschillende zittingsperiodes heen blijft bestaan. Uiteraard moeten ook kleine en eenmansfracties een stichting oprichten als zij zo'n reserve willen aanhouden.
Voorzitter. De heer Van Hattem heeft ook nog iets gezegd over de rol van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters, dat immers in de regeling de partij is die toeziet op de statuten. Ik wil hierbij opmerken dat het CVO bestaat uit Eerste Kamerleden die wij uit ons eigen midden hebben gekozen. Wij vinden het wenselijk dat het CVO toezicht houdt op de besteding van publieke middelen, belastinggeld immers, via een privaatrechtelijke persoon.
Voorzitter. Het amendement met letter I moet ik ook ontraden. Artikel 3 is onderdeel van de bestaande regeling. Fracties die ervoor kiezen geen gebruik te maken van de jaarlijkse bijdrage kunnen die terugstorten. Van hen wordt wel een verantwoording verwacht, omdat bankoverschrijvingen altijd kosten met zich meebrengen. Het zal dan gaan over een korte, overzichtelijke accountantsverklaring. Fracties kunnen er ook voor kiezen om de jaarlijkse bijdrage te weigeren. Die weigering moet dan wel schriftelijk worden gedaan en zal, evenals de accountantsverklaring, openbaar gemaakt worden zodat voor iedereen zichtbaar is of een bijdrage al dan niet is geaccepteerd of gebruikt. Daarmee heb ik, denk ik, ook de vraag van de heer Janssen beantwoord. Zoals gezegd is deze bepaling onderdeel van de bestaande regeling. Ik stel voor dat dit onderdeel wordt betrokken bij de evaluatie.
De heer Janssen (SP):
Mijn vraag was iets concreter, namelijk: waarom zou je, zoals ik de heer Van Meenen net hoor zeggen, bij terugstorten — het gaat niet om weigeren, maar om terugstorten: je ziet dat je geld overhoudt en dat je het niet nodig hebt — een accountsverklaring nodig hebben? Voor uitgaven lijkt me dat heel relevant, maar het lijkt me buitengewoon ingewikkeld dat je een accountantsverklaring moet overleggen als je geld terugstort, omdat je het niet hebt gebruikt. Dat kan toch gewoon zonder opgaaf van reden?
De heer Van Meenen (D66):
Ik had diezelfde vraag. Wij hebben die vraag tussentijds voorgelegd aan deskundigen hier in huis. Die zeggen dat je toch altijd enige kosten gaat maken en die moeten verantwoord worden. Verder kom ik ook niet. Er hoort dus een zeer beperkte verklaring bij die terugstorting. Ik kan daarover verder niet met u in discussie gaan. Dit is wat mij is verteld door degenen die hier toezien op de ordentelijke gang van zaken bij dit soort zaken. Een korte, overzichtelijke accountantsverklaring is dan een vereiste. Ik denk dat het belangrijk is dat je ook als fractie aantoonbaar maakt dat je dat dan zo gedaan hebt en het geld niet gebruikt hebt. En dat doe je middels een accountantsverklaring. De eventuele kosten daarvoor — dat staat ook in de regeling — kunnen gedeclareerd worden. Die gaan niet ten laste van het budget.
De heer Janssen (SP):
Ik snap het niet. Ik snap niet hoe, als je aan het einde van het jaar geld dat je niet hebt gebruikt, terugstort, een bankoverschrijving dusdanige kosten met zich meebrengt en een dusdanige verantwoordingsplicht met zich mee kan brengen. Je krijgt €100.000, je gebruikt €20.000 niet en zegt dat je dat wilt terugstorten. Dan doe je een bankoverschrijving — dat kost niks, want valt binnen je bankpakket — en dan staat het weer op de rekening van degene die het aan je heeft overgemaakt. Het deel dat je gebruikt hebt, verantwoord je keurig met een accountantsverklaring. Volgens mij is dat hoe het werkt.
De heer Van Meenen (D66):
Ik wil graag nog een poging doen om het in tweede termijn duidelijker te krijgen. Veel duidelijker kan ik het in ieder geval niet maken. U zult het mij niet euvel duiden dat ik het aan de experts gevraagd heb. Daar reken ik mezelf niet toe.
Het amendement met letter J wil ik graag ontraden. Dit amendement betreft wederom de bestaande regeling. Om die reden ontraad ik het. We passen zoals gezegd geen punten uit de bestaande regeling aan, want dan gaan we verder dan de opdracht van het CvS. Ik stel aan het lid Van Hattem voor om ook dit punt te betrekken bij de evaluatie.
Voorzitter. Ook het amendement met letter K moet ik ontraden, omdat het ook weer over de bestaande regeling gaat. Op grond van artikel 3 ontvangen de fracties jaarlijks een bijdrage. Die bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per zetel. Daarin is niets gewijzigd. Wanneer een fractie ervoor kiest om een egalisatiereserve op te bouwen, moet de fractie een stichting oprichten. Dan is die stichting verantwoordelijk voor de uitgaven. Overigens merk ik op dat driekwart van de fracties al zo'n stichting heeft.
Wat betreft de maximaal toegestane omvang van de egalisatiereserve is bewust gekozen voor 75%. Meneer Van Hattem heeft ook in de schriftelijke voorbereiding van dit bedrag gevraagd naar die 75%, en deze vergeleken met hoe het is geregeld bij een aantal gemeenten. Dat is een hele lijst, van Tynaarlo tot Tilburg. Het gaat natuurlijk ook om het absolute bedrag. In dit geval is het basisbedrag gebaseerd op de loonkosten voor één medewerker en geeft de 75% de mogelijkheid om iemand door te betalen bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. 30% is daarvoor ontoereikend. Ik realiseer me heel goed dat er niet één sluitende weg is die zegt dat het 75% moet zijn. Het had ook 70% of 80% kunnen zijn. Dit is de beste oplossing die wij voor ons zagen.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik hoor de heer Van Meenen als voorsteller toch wel heel vaak zeggen dat iets uit de bestaande regeling komt. Maar hier gaat het om een punt dat vanwege de egalisatiereserve op deze manier wordt opgetuigd. Ik vraag me dan toch af hoe hij erbij komt dat dit louter over de bestaande regeling gaat. Dit gaat toch echt om de egalisatiereserve.
De heer Van Meenen (D66):
U bedoelt de 75%, toch?
De heer Van Hattem (PVV):
En de omgang met de stichting en zo. Dat is allemaal vanwege de egalisatiereserve. Hoe komt u er dan bij dat dit alleen maar over de bestaande regeling gaat?
De heer Van Meenen (D66):
Dan moet ik het amendement er even bij pakken. Dat gaat even duren. Ogenblikje.
Eens even kijken. Uw hoofdpunt is hier dat u wilt dat de middelen niet aan een stichting worden toegekend, maar aan een fractie. In deze regeling worden ze wel degelijk ook aan een fractie toegekend. Daarom begon ik ook met: "Op grond van artikel 3 ontvangen de fracties jaarlijks een bijdrage." Het beheer van dat geld wordt overgedragen aan de stichting. Het bestuur van die stichting bestaat bij voorkeur uit fractieleden. Dat is waarom wij vinden dat het niet wijzigt, in die zin dat het niet aan de fracties zou worden overgeheveld. Het tweede lid van uw amendement gaat over de 30%. Daar heb ik op gereageerd. Die is inderdaad het gevolg van de egalisatiereserve. Die gaat daarover. Dat punt ontraad ik dus om een andere reden: 30% is echt te weinig voor hetgeen waarvoor deze egalisatiereserve onder andere bedoeld is.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan toch een vraag over het eerste punt. Ik hoor de heer Van Meenen zeggen dat het geld overgaat naar de stichting. Mij gaat het erom dat de verantwoordelijkheid voor de besteding van fractiemiddelen hoort te liggen bij degenen die in een fractie zitten. Deze regeling geeft in ieder geval de mogelijkheid aan eenmansfracties om mensen die buiten de fractie vallen in een stichting te benoemen. Het is dus wel van belang dat je de verantwoordelijkheid om het geld te besteden waarvoor het bedoeld is, laat liggen bij de fracties. Bij gemeenten en provincies ben je als fractie ook altijd verantwoordelijk voor het geld.
Mijn tweede punt. De heer Van Meenen zegt dat het gaat om een bestaande regeling. Maar als ik in de memorie van toelichting de toelichting bij artikel 6 erbij pak, zie ik dat die toelichting begint met de woorden "Met dit nieuwe artikel". Dan vraag ik me af: hoezo, een bestaande regeling? In de toelichting wordt immers gesproken over een nieuw artikel.
De heer Van Meenen (D66):
Het is in de geest van het oude artikel. Het moest natuurlijk wel aangepast worden, omdat het ook over de egalisatiesreserve zou moeten gaan.
U moet me nog even helpen met uw eerste punt. Excuus daarvoor.
De heer Van Hattem (PVV):
Laat ik het zo zeggen. Je kunt het een beetje vergelijken met de uiteindelijk belanghebbende. Dat is uiteindelijk altijd wel degene die in een fractie zit en niet degene die in een stichting zit.
De heer Van Meenen (D66):
Ik denk dat je de stichtingsvorm op heel veel plekken tegenkomt, ook bij gemeenten en provincies en overigens ook in de Tweede Kamer en ook hier. Een van de redenen om dat te doen is de volgende. In de modelstatuten moet je heel duidelijk maken wat het doel is. Het doel is die fractie, het personeel van die fractie, et cetera. Het kan niet een stichting zijn die gewoon willekeurig een hoeveelheid geld krijgt en eens gaat kijken wat ze daarmee gaat doen. Nee, de stichting moet echt wel dat doel dienen.
Een van de voordelen van de stichting is dat de continuïteit kan bestaan over een verkiezingsjaar heen, waarbij de fractie kan wijzigen, maar waarbij de fractie ook niet meer zou kunnen bestaan. Dan moet er nog wel een partij zijn die de belangen van de werknemers kan verdedigen. Het tweede voordeel is dat daarmee de hoofdelijke aansprakelijkheid niet meer geldt. Die vervalt dan, of die komt te liggen bij het fractiebestuur als collectief, tenzij er sprake is van onwettig gedrag et cetera. In het laatste geval kan uiteindelijk iedereen weer aansprakelijk worden. De stichting is dus ook bedoeld als bescherming tegen degenen die deze verantwoordelijkheid op zich nemen.
Maar nogmaals, het is geen verplichting. Als wordt afgezien van de egalisatiereserve, hoeft er ook geen stichting te zijn.
De heer Van Hattem (PVV):
Die hoofdelijke aansprakelijkheid wordt er volgens mij juist af gehaald in de voorgestelde regeling ten aanzien van de fracties. Dat vind ik nou net het punt. Die zou je juist bij de fractie of het fractiebestuur moeten laten liggen, want die zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor hoe de fractie omgaat met geld. Het is een fractieondersteuning. Het is niet iets van een stichtingsondersteuning. Het gaat echt om de fractie zelf. Een stichting kan daarbij een instrument, een middel zijn dat daarbij behulpzaam is. Maar de aansprakelijkheid zou volgens de statuten gewoon gericht moeten zijn op fractieleden.
De heer Van Meenen (D66):
Ik heb de heer Van Hattem zojuist de redenering gegeven die wij gehanteerd hebben. Dat is een andere redenering, die tot een andere conclusie leidt. Ik denk dat we dat moeten constateren. We zijn het niet met elkaar eens. Wij hebben andere motieven om hiervoor te kiezen. Die zijn goed gestoeld, kan ik zeggen, maar die van u ongetwijfeld ook. En laten we wel zijn: het zit dicht bij elkaar. Het gaat in het algemeen over dezelfde mensen, maar wel in een andere rechtspersoon. Dat kan ook een bescherming bieden — daar gaat dit allemaal om — juist voor het personeel.
De voorzitter:
Tot slot de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Tot slot. Het punt is nou juist dat het gaat om de dezelfde mensen en om hoe de mensen beschermd worden. Dat zal in beginsel allemaal aan de orde zijn. Maar zulk soort regelingen worden pas spannend als het een keer goed misgaat. Daarom moet je de zaken goed ingekleed hebben. Als de aansprakelijkheid bij een externe rechtspersoon komt te liggen, loop je dus het risico dat je heel lastige situaties krijgt. Juist daarom denk ik dat het heel zuiver is om te zeggen: als iemand in de fractie zit, is hij ook aansprakelijk voor het fractiebudget. We hebben tegenwoordig UBO-regelingen et cetera in het land, waarbij het juist heel belangrijk is dat de uiteindelijk belanghebbende duidelijk in beeld is. Wat mij betreft is de uiteindelijk belanghebbende in deze Kamer een lid van een fractie, en niet iemand bij een andere rechtspersoon.
De heer Van Meenen (D66):
Goed, u stelt dat voor. Wij stellen iets anders voor. Ik betrek daar ook nog bij dat die verantwoording bij eenmansfracties dan wel heel smal wordt. Dan kan het helpen om mensen van buitenaf onderdeel te maken van het stichtingsbestuur, zodat die verantwoordelijkheid gezamenlijk gedragen kan worden.
Overal is iets voor te zeggen. Wij maken deze keuze, dus daarom ontraad ik uw amendement.
Voorzitter. Het amendement met letter L moet ik ook ontraden. In de huidige regeling staat al een overgangsregeling voor fracties die minder zetels krijgen en fracties die ophouden te bestaan. Deze overgangsregeling passen we nu ook toe op de reserve, als die wordt opgebouwd. In die termijnen zijn geen wijzigingen aangebracht, dus ik wil de heer Van Hattem opnieuw uitnodigen om zijn punt bij een toekomstige evaluatie te betrekken.
Voorzitter, ten slotte. Ik wil de mensen bedanken die mij en de mede-indieners hebben ondersteund bij het uitwerken van dit voorstel. Dat is de Griffie. Veel mensen hebben hieraan meegewerkt, maar ik wil in het bijzonder Anneke de Graag, Georgette van Steensel en Marjan Vogelpoel danken. Ik wil uiteraard ook mijn mede-indieners en collega's bedanken: Tanja Klip en Paul Rosenmöller. Dat geldt ook voor Mary Fiers, die dit allemaal in gang heeft gezet en mij dit klusje heeft toebedacht, waarvoor mijn dank. Ik wil natuurlijk ook de fractiemedewerkers bedanken, de mensen waarvoor we het uiteindelijk allemaal doen: Ferdy van Tilborg, Michiel Philippart en — dit zeg ik met pijn in mijn hart, want dit is haar een-na-laatste werkdag hier — de onvolprezen Anna Heredia.
Ik dank u zeer, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan zijn we nu toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef toch eerst het woord aan de heer Janssen.
De heer Janssen i (SP):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb de heer Van Meenen heel veel horen spreken over werkgeverschap, personeelsondersteuning et cetera, et cetera, et cetera. Het probleem is alleen dat het met name rond de materiële kosten en nu ook rond de egalisatiereserve niet zo in de regeling staat. Aan de ene kant is er het principe "we laten vrij waaraan u het besteedt, maar het is de bedoeling om het aan personele ondersteuning uit te geven", alleen staat er nergens dat dat ook zou moeten gebeuren. Ik snap dat er een bepaalde mate van vrijheid is. Nu de materiële kosten nergens gekoppeld zijn in artikel 4 en dus ook niet wat betreft de egalisatiereserve waarnaar in artikel 4, lid 2 wordt verwezen, vind ik dat een tekortkoming bij de bedragen waar het nu om gaat en de reserve die opgebouwd kan worden. Dit kan terugkomen in een volgende evaluatie, maar ik wil dit hier toch nog een keer uitgesproken hebben. De heer Van Meenen maakte de hele tijd de koppeling dat de materiële kosten ten gunste moeten komen van de personele ondersteuning, van het personeel, alleen staat nergens dat dat zo is. Dat is mijn bedenking hierbij. Ik denk dat een verbeterpunt voor de toekomst is dat dat wel zo zou zijn.
Het ontbreken van definities in de regeling vind ik toch nog steeds een probleem. Ik heb gevraagd of de definities die gehanteerd worden in de rijksbegrotingsvoorschriften hierop van toepassing zijn. Dan hebben we in ieder geval enig houvast. Het is wel duidelijk wat er verstaan moet worden onder "personele lasten". Mevrouw Fiers liet mij dat ook nog even zien in bijlage 3, waar dat opgesomd staat. Ik weet niet of dat limitatief is, want misschien staat daar ook nog een open vakje onder. Dit zeg ik in ieder geval wat betreft de materiële kosten.
Terugstorten. Heb ik van de heer Van Meenen goed begrepen dat er één keer per jaar eventueel teruggestort kan worden, namelijk op het moment dat er verantwoording wordt afgelegd? Is het dan zo dat de accountantsverklaring over de verantwoording van de uitgaven tevens dient als verklaring voor het eventuele terugstorten? Dat is dan alleen met een simpele uitleg als "ik heb zoveel gekregen, ik heb zoveel gebruikt en zoveel heb ik teruggestort". Dat vereist dan geen aparte accountantsverklaring.
Voorzitter. Dat waren mijn vragen. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem i (PVV):
Dank, voorzitter. Ik zou mezelf geen grote boekhoudkundige kennis willen toedichten, maar als ik in de gewisselde stukken vaak "kostenbesteding" en "uitgaven" dwars door elkaar gebruikt zie worden, als synoniemen, dan denk ik toch dat er enige scherpte op boekhoudkundig vlak mist. Dan moet ik de heer Janssen groot gelijk geven wat betreft het punt van de definities. Dat is toch iets wat gewoon duidelijk moet zijn. Als we toch allemaal accountants moeten inhuren voor ieder wissewasje, dan moeten die accountants wel ergens op kunnen controleren. Dan moet toch duidelijk zijn wat rechtmatig is en wat niet. Dat ontbreekt toch wel echt in de regeling. Anders krijgen we hier straks opnieuw discussies over en dat zouden we juist voor moeten zijn.
Voorzitter. Ik zou hier nog een aantal punten willen aanhalen. De heer Van Meenen heeft nog niet alle vragen beantwoord die ik in de eerste termijn had gesteld. Zo had ik ook iets gevraagd op het punt van formuleringen en bepalingen over het instellen van een stichting. Door de voorstellers is opgeschreven dat "onverwijld na hun ontstaan een stichting moet worden opgericht". Mijn vraag was hoe zich dat verhoudt tot een bestaande fractie. Als je dat zo opschrijft, wringt dat met de gedachte van bestaande fracties. Daar heb ik nog graag een reactie op.
Een ander punt waarop de heer Van Meenen niet is ingegaan, is de verplichte keuring. Volgens de voorstellers is van verplichte keuring geen sprake, terwijl er wel letterlijk staat dat de statuten "gekeurd" moeten worden door het CVO. Hoe verhoudt zich dat met elkaar? Daar heb ik ook graag duidelijkheid over.
Over het CVO gesproken: ik blijf het toch een rare redenering vinden van de heer Van Meenen als hij zegt "het CVO is ook door Kamerleden gekozen". Ja, maar het is níét het orgaan dat de regeling heeft vastgesteld. Als de voorstellers nadrukkelijk opschrijven "het orgaan dat de regeling vaststelt, moet daar uiteindelijk ook de toetsing op doen", dan moet je daar ook zuiver in zijn en niet zeggen dat een ander orgaan daarvoor aan het werk wordt gezet. Uiteindelijk — we noemden het CVO hier in het verleden "de huishoudelijke commissie"— gaat het CVO eigenlijk over de Kamerorganisatie als geheel. Juist een orgaan als het CvF — het College van fractievoorzitters, in het verleden het College van Senioren — gaat over hoe wij ons als fracties verhouden en hoe wij hier omgaan met onze werkwijze en middelen. Ik zou die twee dingen dus toch wel uit elkaar willen houden, anders krijg je straks dat het CVO het manusje-van-alles wordt dat van alles kan gaan bepalen. We hebben het ook al gezien met de regeling voor omgangsvormen, waarbij het allerlei rollen krijgt toegedicht. Ik zou hier toch enige terughoudendheid willen vragen.
Dan zijn er nog enkele zaken die de heer Van Meenen aanhaalt, zoals goed werkgeverschap en je alleen richten op het opbouwen van de egalisatiereserve. Het is allemaal leuk en aardig, maar als we deze regeling bekijken, dan biedt die uiteindelijk wel weer meer ruimte. Misschien heb ik het in de eerste termijn al gezegd: extra geld. Maar met extra geld bedoelde ik, zeg ik er als toelichting nog even bij, vooral het feit dat er nog geld wordt overgeheveld uit 2024. Dit maakt de regeling wel weer ruimer om zaken in gang te kunnen zetten.
Dan kom ik terug op het punt: hoe zit het met onze rolvastheid, onze neiging om als Eerste Kamer tweedekamertje te gaan spelen? Hoe kunnen we dat voorkomen? Want als we elke keer ruimere regelingen mogelijk maken, misschien niet alleen puur financieel maar ook qua ruimte van inzet, dan gaan we onze rolvastheid verliezen en dan gaan we ons hier steeds gewichtiger maken dan we zouden moeten zijn.
Dan hoorde ik de heer Van Meenen zeggen: de verantwoording van 2025 is nog niet afgehandeld en er zou eventueel maximaal vier ton uit de Najaarsnota moeten komen. Ik las in de stukken dat het eerst ging om €613.000. Hoe verhoudt zich dat met elkaar?
Het hele punt blijft dat je een sneeuwbaleffect krijgt. Als alle fracties meer personeel en ondersteuning gaan inzetten, dan worden er meer werkzaamheden gecreëerd, dan worden er meer vragen gesteld en meer debatten aangevraagd. Andere fracties, die daar misschien niet direct behoefte aan hebben, worden dan wel geconfronteerd met deze extra werkzaamheden en zullen daardoor dan ook extra personele inzet nodig hebben. Ik zou helaas niet kunnen uitsluiten dat wij op een gegeven moment ook een beroep moeten doen op deze middelen, maar het is niet van ganser harte, want we willen hier juist zo terughoudend mogelijk in zijn.
Dan kom ik nog even bij de amendementen. Het stelt me diep teleur dat de heer Van Meenen, namens de voorstellers, alle amendementen heeft ontraden. Nogmaals, ze zijn bedoeld als opbouwende kritiek voor de regeling. Ik heb over mijn amendement met letter H niet duidelijk wat in de kern het probleem is om dit niet te kunnen doen.
Bij het amendement met letter I wordt dan weer gesproken over die bestaande regeling. Dit is vanuit deze situatie eigenlijk gewoon weer een nieuwe regeling. Het terechte punt dat de heer Janssen heeft gemaakt over de accountantsverklaring wil ik hier nogmaals aanstippen.
Bij het amendement met letter J wordt ook weer gezegd "het is een bestaande regeling". Ik vind het een wel erg makkelijke manier om van de inhoud weg te blijven. Ik had toch nog graag een iets meer inhoudelijke reactie op dit punt van de voorstellers, in het bijzonder van de heer Van Meenen. Ik krijg op dit punt dus graag een wat meer inhoudelijke reactie van de voorstellers, en in het bijzonder van de heer Van Meenen.
We hebben het net al over het amendement met letter K gehad. Daar geldt wat ons betreft hetzelfde voor, want dat amendement zou vanwege de bestaande regeling zeker niet ontraden moeten worden.
Voor het amendement met letter L geldt eigenlijk ook weer hetzelfde. De heer Van Meenen zegt: het is eigenlijk een uitwerking, een toepassing van een bestaande regeling op de egalisatiereserve. Maar het blijft daarmee op zichzelf wel een nieuwe regeling. Die korte bocht, die afgesneden bocht zou ik in dit geval toch willen pareren. Ik vraag daarom er in tweede termijn iets inhoudelijker op in te gaan, wil de heer Van Meenen en de voorstellers ons ook meekrijgen in het voorstel dat ze hebben gedaan.
Ik sta er al met al niet afwijzend tegenover, maar dan moet er wel een duidelijk verhaal komen en moeten er duidelijke antwoorden op tafel liggen. Verder moet er een duidelijk begrippenkader komen om op te kunnen toetsen, want wij moeten als fracties voor onszelf zekerheid hebben over waar we straks mee te maken krijgen. Het kan namelijk niet zo zijn dat er straks een discussie plaatsvindt, die we uiteindelijk met de accountant moeten gaan voeren over de vraag of iets wel of niet binnen de regels past.
Tot zover, voorzitter, in tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van Meenen, bent u in staat om direct te antwoorden? Ik zie u vijf minuten gebaren en daarom schors ik de vergadering voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 19.41 uur tot 19.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef de heer Van Meenen het woord voor zijn tweede termijn.
De heer Van Meenen i (D66):
Voorzitter, ik dank u zeer. Ik begin met de vragen van de heer Janssen. Hij heeft gevraagd om een verheldering van het onderscheid tussen personele en materiële kosten en hij zei verder dat die materiële kosten vooral ten gunste van de personele ondersteuning zouden moeten zijn. Ik ben dat natuurlijk met hem eens. Ik stel hier echter wel opnieuw dat wij dat in de regeling niet hebben aangepast. Ik kan daarom nu alleen maar zeggen wat de voorstellers vinden.
Het is verder ook niet aan mij om de regeling hier ter plekke te wijzigen. Als we dat willen, moeten we dat gewoon in een evaluatie doen, waar we met z'n allen bij zijn. Dus nogmaals, u heeft ongetwijfeld gelijk. Dat zegt de heer Van Hattem ook. Hij merkte er alleen nog wel bij op dat de boekhoudkundige scherpte af en toe ontbrak en dat de definities beter kunnen. Dat zal ongetwijfeld waar zijn, maar ons is alleen niet gevraagd om dat allemaal aan te passen.
De heer Janssen i (SP):
Ik merkte dat op, omdat de heer Van Meenen een aantal keer zei: "Nee, die materiële kosten zijn natuurlijk ondersteuning van de personele ondersteuning." Daarover heb ik opgemerkt dat dat nergens staat. Wij stellen nu dus met elkaar vast dat de koppeling met de materiële kosten, zijnde een onderdeel van de ondersteuning van de personele ondersteuning, in de regeling nergens gemaakt wordt. Die was er niet en die is er nu ook niet. Maar dat betekent wel dat alle verwijzingen naar "dat dat natuurlijk zo is" niet juist zijn. Het kan wel de bedoeling zijn, maar we moeten dus ook met elkaar vaststellen dat dat nu nergens staat.
De heer Van Meenen (D66):
U heeft gelijk.
De heer Janssen (SP):
Dank.
De heer Van Meenen (D66):
Zo zei u ook dat de definities überhaupt beter moeten. Daar geldt hetzelfde voor.
Ten slotte vroeg de heer Janssen zich af hoe het nou precies zit met dat terugstorten en de accountantsverklaring. Zoals wij het hier beschreven hebben, is het de bedoeling dat je één keer per jaar kunt afrekenen. Op dat moment stort je het terug, samen met een accountantsverklaring. Of je niets hebt gebruikt van dat bedrag of slechts een deel, je rekent één keer per jaar af. Punt!
De heer Janssen (SP):
Betekent dat dat waar wij nu onze verantwoording opsturen naar de interne controller in de Eerste Kamer, dit in de toekomst zal moeten met een accountantsverklaring, met alle kosten van dien?
De heer Van Meenen (D66):
Ja, maar die kosten komen ten laste van de Kamer. Dat staat ook in de regeling. U heeft dus geen extra kosten aan de accountant.
De heer Janssen (SP):
Nee, die extra kosten komen ten koste van de belastingbetaler.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, zo is het. Van alles wat wij hier doen.
De heer Janssen (SP):
Ja, zo is het. Maar dan is mijn vraag de volgende. Wij sturen op dit moment onze verantwoording op naar de interne controller en als daar vragen over zijn, dan beantwoorden we die en dan kijken we of dat allemaal rond loopt. Maar daarvoor komt nu een verplichte accountantsverklaring in de plaats? Heeft dat dan alleen te maken met de egalisatiereserve of geldt het in zijn algemeenheid? Moet dan iedere fractie die nu geen accountantsverklaring hoeft op te stellen, straks wel zo'n verklaring laten opstellen, en loopt dat dan niet meer via de interne controller hier?
De heer Van Meenen (D66):
In deze regeling staat dat alle fracties, ongeacht of ze gebruikmaken van de egalisatiereserve, een accountantsverklaring inleveren. Ja. Gelijke monniken, gelijke kappen. Publieke verantwoording voor alle fracties.
Voorzitter. Dan kom ik bij de heer Van Hattem.
De voorzitter:
Maar eerst komt de heer Van Hattem aan de interruptiemicrofoon.
De heer Van Hattem i (PVV):
Jazeker, voorzitter. Want nu heb ik de heer Van Meenen als voorsteller de hele tijd de verdedigingslijn horen verkondigen: we hebben geen nieuwe dingen toegepast, behalve waartoe wij opdracht hebben gekregen, namelijk om die egalisatiereserve te regelen. Nu vind ik heel dat verhaal van die accountantsverklaring, die coûte que coûte voor alle fracties gaat gelden, toch wel verstrekkender dan alleen maar dat stukje van de egalisatiereserve, zeg ik maar even tussen aanhalingstekens. U zegt aan de ene kant "ik wil helemaal niet over de regeling als geheel gaan", maar nu komt u toch met een dusdanig ingrijpend punt dat de regeling wel degelijk in een ander daglicht zet, met een andere werkwijze en een andere manier van kosten maken. Iedereen moet die accountant gaan betalen. De accountants in dit land zullen er blij mee zijn. Dan vraag ik mij wel af hoe zich dat tot elkaar verhoudt en tot de eerder ingestoken lijn van de heer Van Meenen.
De heer Van Meenen (D66):
Wij hebben heel sterk gevaren op de regeling zoals die in de Tweede Kamer is gemaakt. Daar is heel veel expertise bij betrokken. Dat is hier ook nog een keer gebeurd en de conclusie was dat we dit op dit moment zouden moeten doen. Dat hebben we dus gedaan. Daar kom ik niet vanavond mee, dat staat er al in zolang u naar deze regeling kijkt. Dus ja, ik kan er niets anders van maken. Ik vind het ook zelf een goede zaak, en de indieners eveneens, dat er geen fracties meer zijn die geen accountantsverklaring hebben.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan zegt de heer Van Meenen als voorsteller "het staat al zolang in de regeling", maar het staat alleen in de voorgestelde regeling. Dat is wat anders.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, zo is het.
De heer Van Hattem (PVV):
En daar hebben wij in onze schriftelijke vragen van gezegd: wat de Tweede Kamer doet, gaat over substantieel andere bedragen, om een heel andere orde van grootte. Dan zouden accountantsverklaringen inderdaad eerder aan de orde zijn. Nu wordt er, ook al gebruik je er niets van en stort je het volledig terug, toch zo'n accountantsverklaring geëist. Als de heer Van Meenen dan zo stellig zegt "gelijke monniken, gelijke kappen", dan is dat toch een principebesluit, en wel een principebesluit dat verder strekt dan de opdracht die het Cvf in beginsel heeft gegeven. Dan hoor ik toch graag hoe zich dat verhoudt tot die opdracht van het Cvf.
De heer Van Meenen (D66):
In de zoektocht naar hoe we die opdracht op de beste manier zouden kunnen invullen, is er uitgebreid gekeken naar de regeling zoals die in de Tweede Kamer geldt. Er is heel veel expertise ingewonnen en daaruit is dit naar voren gekomen. Mocht het zo zijn dat bijvoorbeeld de fractie van de PVV zegt "wij hoeven dat geld allemaal niet", dan zal de accountantsverklaring ook buitengewoon simpel blijven, namelijk: we hebben het niet gewild en we hebben het niet ontvangen. Dus als u het niet ontvangt — dat kan namelijk ook nog; u kunt het ook niet ontvangen — dan niet. Ja, dat kan wel.
De heer Van Hattem (PVV):
Volgens mij staat in de stukken dat het een automatisme is dat het gestort wordt naar de fracties, zodat weigering niet eens aan de orde kan zijn. Daar hebben wij ook vragen over gesteld en volgens mij is dat ook met een van de amendementen verweven. Maar als de heer Van Meenen als voorsteller zegt "we hebben heel veel expertise ingehuurd", dan vraag ik mij af of die expertise soms kwam van accountants die er een heel mooi verdienmodel in zagen om die accountantsverklaring verplicht te gaan stellen.
De heer Van Meenen (D66):
Ja, goeie vraag, maar het is niet zo. Er is geen accountant aan te pas gekomen. Het heeft ook niks gekost.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan vraag ik toch welke expertise hier dan concreet voor ingezet is. Waar moeten we dan aan denken? Ik kijk toch even naar de vraag die ik net stelde over dat automatisme. Daar heb ik heel specifiek naar gevraagd. Daar is eigenlijk over gezegd: iedere fractie krijgt gewoon dat bedrag overgemaakt; u hebt geen keus. Nu zegt de heer Van Meenen ineens: nee, dat is niet aan de orde; je kunt er ook van afzien. Is het nou het een of het ander? Want ik hoor het hier eigenlijk alle kanten op schieten.
De heer Van Meenen (D66):
Nou, het is het ene, en dat ene is: u kunt het ook weigeren. Dat heb ik nog aan de interne controller — wat de precieze functie is, weet ik niet — gevraagd. Dat kan gewoon. Dat zal geaccepteerd worden. Daar mag u dus van uitgaan.
Voorzitter. Dan dat onverwijld versus bestaande stichtingen. Dat staat er inderdaad een beetje ongelukkig, maar de bedoeling is als volgt. De partijen die al een stichting hebben, kunnen gewoon hun stichting houden. Maar als je nog geen stichting hebt en je wilt een egalisatiereserve opbouwen, dan moet je wel een stichting opbouwen. Zo is die passage bedoeld. Ik begrijp het misverstand en het lijkt me goed om dat de volgende keer helderder op te nemen.
Dan de verplichte keuring, zoals de heer Van Hattem het noemt, door het CVO. Daarover kun je van mening verschillen. Ik moet zeggen dat ik er zelf nogal tegen opzie, en ik denk anderen ook, als onze statuten, ook de uwe, van welke fractie dan ook, door twintig collega's eens even rustig bekeken worden. Ik denk dat dat een niet heel optimale en een zéér arbeidsintensieve manier is, en dat we dat beter kunnen overlaten — dat denken in ieder geval de indieners — aan een door onszelf gekozen, eerbiedwaardig gezelschap, dat daarbij ook in staat is om deskundigheid in te winnen. Dat is allemaal bedoeld om deze middelen op een rechtmatige, zorgvuldige en toekomstbestendige manier in te zetten. Daar kan de heer Van Hattem het toch, neem ik aan, alleen maar mee eens zijn.
De voorzitter:
De heer Van Hattem. Ik wijs u erop dat we richting 20.00 uur gaan, dus ik hoop dat het kort kan.
De heer Van Hattem (PVV):
Ja, voorzitter, we willen inderdaad allemaal het achtuurjournaal kunnen zien. Het punt is: ik vind het toch wel raar dat de heer Van Meenen nu zegt "het CVO als eerbiedwaardig college". Dat bestaat uit drie personen. Om dan te gaan zeggen dat het veel beter gaat door dat uitgebreide werk bij een college van drie neer te leggen, terwijl je ook kunt kiezen voor onderlinge controle, juist onder de fracties zelf, door de fractievoorzitters zelf aan de lat te laten staan … Die kunnen desnoods ook nog deskundigheid inhuren. Het Cvf heeft gewoon de mogelijkheid om dat te doen. Dan vraag ik me wel af waarom er dan van het CVO, bestaande uit drie personen, meer expertise zou uitgaan dan bij de introspectie die er vanuit het Cvf kan plaatsvinden.
De heer Van Meenen (D66):
Laten we gewoon constateren dat we hierover van mening verschillen. Ik ben uitgeput in mijn argumenten. Ik kan heel veel vertellen over waarom ik het geen goed idee vind dat het College van fractievoorzitters, dat ongeveer elke week van samenstelling wijzigt, dit zou moeten gaan doen. Het CVO heeft alle middelen om dit op een goede manier te doen. Dat zijn de mensen die door onszelf op die posities zijn neergezet. Dat is mijn overtuiging. Meneer Van Hattem vindt iets anders. Agree to disagree, zou ik zeggen.
De voorzitter:
Ja. Tot slot, de heer Van Hattem.
De heer Van Hattem (PVV):
Ja, tot slot. Ik vind het altijd prettig om te horen dat de argumenten van de heer Van Meenen zijn uitgeput — die steek ik in mijn binnenzak — maar het punt is wel dat de voorstellers zelf hebben opgeschreven dat het orgaan dat het voorstelt, er zelf toezicht op moet organiseren. Wat zijn die woorden dan nog waard? Want het CVO heeft dit niet ingesteld. Dan is het toch gewoon in de rede van wat hier is neergelegd dat dat gewoon door het Cvf wordt gedaan?
De heer Van Meenen (D66):
Sterker nog, als je die redenering echt ad ultimo — als dat de goede naamval is; daar zit ik even over te aarzelen — doorvoert, dan zou je zeggen dat de Kamer straks in zijn geheel deze regeling gaat vaststellen en dat de Kamer dus ook de statuten van elk van de stichtingen zou moeten vaststellen. Wij hebben gekozen voor een hele praktische benadering, het orgaan dat we zelf gekozen hebben.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Van Meenen (D66):
Voorzitter, als u het goedvindt, ga ik nog even door. Er is gesproken over "Tweede Kamertje spelen" en dat deze nieuwe regeling van die egalisatiereserve ertoe zou gaan leiden dat wij nu meer Tweede Kamertje gaan spelen. Nou, ik wou dat het zo was, want dan zouden we misschien een paar euro minder kunnen doen en dan gaan we weer wat minder Tweede Kamertje spelen. Ik ben ook tegen Tweede Kamertje spelen. Ik heb dat vaak genoeg gespeeld. Daarop ben ik wel uitgespeeld. Maar ik zal me af en toe ook weleens vergissen, zoals we allemaal weleens even toch te veel naar het NOS-journaal hebben gekeken en denken: o, dat kunnen wij hier ook. Maar ik geloof niet dat dit nu het tippingpoint is, waardoor we hier meer Tweede Kamertje gaan spelen. Maar we zijn er met z'n allen bij. Laten we elkaar erop aanspreken.
Dan het verschil tussen die vier ton en de €613.000. Die €613.000 gaat over 2024 en 2025. Die €400.000 gaat over 2024. Dat is het bedrag dat alsnog toegevoegd gaat worden. Het andere bedrag, die €213.000, zit gewoon in het totaal van 2025. Dat hoeft niet apart "verkregen te worden" — laat ik het zo maar zeggen — dus vandaar die €400.000.
Ik vind het heel vervelend dat ik uw amendementen allemaal heb moeten ontraden. Ik zou graag deze hele avond nog willen vullen met waarom ik dat wil, maar ik ga het niet doen als u het niet heel erg vindt. U heeft mij gevraagd om daar nog uitgebreider op in te gaan. Ja, ik ontraad ze. Maar ik heb er wel bij gezegd, en dat is ook de reden om ze te ontraden, dat ik nu, met mijn mede-indieners, helemaal niet in de positie ben om de regeling hier even ter plekke uit te breiden of te wijzigen. Er zitten heel verstandige dingen in en u wierp interessante vragen op, maar laten we die alsjeblieft betrekken bij een grote evaluatie van de regeling als geheel. Dat is mijn antwoord op uw vraag naar de amendementen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik kom tot afhandeling van het debat over de Regeling financiële ondersteuning fracties Eerste Kamer 2026 (CLXXVI). Dat is nummer 176 in allemaal Romeinse letters. Allereerst dank ik de voorsteller, en de voorstellers, van de regeling; ik dank de heer van Meenen voor zijn reactie in de eerste en tweede termijn. Ik dank ook de medewerkers die aan de ondersteuning hebben bijgedragen. Ik stel voor om morgenmiddag bij de eindstemming eerst te stemmen over de amendementen en daarna over de regeling in zijn geheel. Kan de Kamer zich daarin vinden? Ja, dat is het geval.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.