Verslag van de vergadering van 7 juli 2026 (2025/2026 nr. 39)
Aanvang: 14.06 uur
Status: ongecorrigeerd
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-
-het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers) (36746).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Wij zijn toe aan de tweede termijn van de kant van de Kamer voor het wetsvoorstel over flexwerkers.
De beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan mevrouw Ramsodit namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. De minister heeft de kern van het wetsvoorstel helder geduid: inkomenszekerheid en roosterzekerheid versterken voor werkenden door het herstellen van de machtsbalans. We zijn tevreden met de toezegging van de minister dat monitoring en evaluatie zich ook specifiek richten op sectoren zonder cao, sectoren met laagbetaalde arbeid en sectoren met veel arbeidsmigranten. We onderschrijven het standpunt van de minister dat rondkomen van een nulurencontract niet iets is wat we moeten willen, ook niet in de zorg. Zoals de minister uitvoerig aangaf, blijft flexibele inzet in de zorg mogelijk.
De toezegging dat de minister binnen het Rijk in gesprek gaat met overheidsorganisaties en met medeoverheden over de toepassing van de wet, is een stap vooruit in het optreden van overheden als subsidieverstrekker, inlener, werkgever en aanbesteder bij de flexibele inzet van arbeid.
De minister komt in de tweede termijn, straks dus, terug op de noodzaak om onafhankelijke werkgeversorganisaties bij cao-onderhandelingen over een gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket als een soort verplichting te stellen. Als dit niet wettelijk verankerd is, is de onderhandeling over gelijke arbeidsvoorwaarden niet mogelijk. Er is dan een ongelijke machtsbalans. Wat onze fractie betreft gelden dan gelijke arbeidsvoorwaarden in plaats van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden. Graag de reactie van de minister. We horen graag welke stappen, welke maatregelen, de regering neemt, zolang de onafhankelijkheid nog niet bij wet geregeld is.
Ook over het type signalen die aanleiding kunnen zijn om bij AMvB arbeidsvoorwaarden aan te wijzen waar gelijke beloning geldt, ontvangen we graag nog een nadere toelichting, zoals toegezegd.
Tot slot. De minister heeft gesteld dat de wet ondersteuning vergt om die te doorgronden. Daarover zijn toezeggingen gedaan voor ondersteuning van werkgevers en werknemers bij de implementatie. Kan de minister toezeggen dat werknemers en werkgevers zullen worden ondersteund om te zorgen dat onderdelen van een gelijkwaardig arbeidspakket onderbouwd, transparant en controleerbaar zijn? Op dit moment zijn er signalen dat de elementen binnen het pakket van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden oncontroleerbaar, intransparant en onvoldoende zijn onderbouwd. Graag een reactie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Baumgarten van JA21 voor zijn tweede termijn.
De heer Baumgarten i (JA21):
Mevrouw de voorzitter. Bestuurlijk gebeurt hier naar het oordeel van de minister niks geks en ik kan de minister nog volgen ook, maar een auto kan ook heel kundig in de modder gereden worden. Hieruit spreekt geenszins een gebrek aan respect voor de minister; hieruit spreken mijn zorgen over de gevolgen van het wetsvoorstel. Mijn fractie blijft helaas zeer sceptisch over de uitwerking van het wetsvoorstel. Flexwerken wordt beknot, terwijl werkgevers en werknemers veel baat hebben bij deze flexibele inzet. In essentie is deze wet voor de semipublieke sector en ondernemers een zoveelste wet die het lastiger maakt om een gezond bedrijf of instelling te runnen. Sinds de Wet arbeidsmarkt in balans zijn oproepkrachten al beschermd met oproeptermijnen, loon bij late afzegging, het recht op een aanbod voor vaste uren en het rechtsvermoeden van arbeidsomvang. Als werkgevers die regels overtreden, moet de overheid handhaven; simpel. Maar dat is iets anders dan een contractvorm afschaffen waarvoor veel mensen bewust kiezen.
De minister presenteert dit wetsvoorstel als meer zekerheid voor werkenden. Mijn fractie vreest dat dit in de praktijk vooral leidt tot minder keuzevrijheid voor werkenden, hogere kosten voor ondernemers, meer regeldruk en minder arbeidsmarktdynamiek. In sectoren zoals de zorg betekent minder flexibiliteit niet automatisch meer vaste banen, maar mogelijk gewoon minder arbeidskrachten, wachtlijsten en uitgestelde zorg. Wat het handelingsperspectief van ondernemers extra beperkt, is dat vast vaak heel erg vast is, met alle risico's en kosten voor werkgevers van dien. Laten we niet onderschatten hoe belangrijk het voor de bv Nederland is om werkgevers en ondernemingen te helpen en te koesteren en hen niet op te zadelen met extra regeldruk die hen belemmert. Een gezonde semipublieke sector en een gezond bedrijfsleven zijn immers de beste garanties op werkgelegenheid.
Hoewel ik nadrukkelijk niet verwacht dat de appreciatie van mijn fractie voor dit wetsvoorstel opeens wijzigt, ben ik nog wel benieuwd naar het antwoord van de minister op de vraag hoe groot in kwantitatieve zin in relatie tot de gehele beroepsbevolking het probleem eigenlijk is dat met deze wet zou moeten worden opgelost.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Lagas van de BBB.
Mevrouw Lagas i (BBB):
Voorzitter, dank u wel. De fractie van de BBB heeft goed naar de antwoorden van de minister geluisterd, maar we zijn op een aantal punten nog wel bezorgd. De antwoorden op onze vragen over de arbeidsmarktpakketten en de ondersteuning van werkgevers vinden wij nog onbevredigend en onvoldoende. Daarvoor heb ik twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet meer zekerheid flexwerkers de rechtspositie van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie versterkt;
constaterende dat de SER heeft geconcludeerd dat een betere balans op de arbeidsmarkt ook vraagt om een aantrekkelijker en beter werkbaar kader voor werkgevers om werknemers in vaste dienst te nemen;
overwegende dat een duurzame verschuiving van flexibele naar vaste arbeid alleen kans van slagen heeft wanneer de toename aan lasten en risico's voor werkgevers in evenwicht is met de uitbreiding van de rechten van werknemers;
verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoe zij de balans bewaakt tussen de versterking van de rechtspositie van werknemers enerzijds en maatregelen die werkgevers ondersteunen en stimuleren om vaste arbeid aan te bieden anderzijds;
verzoekt de regering uiteen te zetten welke maatregelen uit het arbeidsmarktpakket die zijn gericht op het ondersteunen en stimuleren van werkgevers om werknemers in vaste dienst te nemen, reeds zijn uitgewerkt;
verzoekt de regering uiteen te zetten welke maatregelen uit het arbeidsmarktpakket die zijn gericht op het ondersteunen en stimuleren van werkgevers om werknemers in vaste dienst te nemen nog uitgewerkt gaan worden;
verzoekt de regering tot slot daarbij inzichtelijk te maken volgens welke concrete planning bovenstaande zal geschieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lagas.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter G (36746).
Mevrouw Lagas (BBB):
Constaterende dat de Wet meer zekerheid flexwerkers voorziet in een …
De voorzitter:
Sorry, u heeft net de eerste motie voorgelezen.
Mevrouw Lagas (BBB):
Sorry, dit is al de tweede motie.
De voorzitter:
U begon al bij de tweede motie terwijl we nog met de eerste bezig waren. Gaat u verder met uw tweede motie.
Mevrouw Lagas (BBB):
Ondertussen is mijn tijd doorgegaan. Ik hoop wel dat ik …
De voorzitter:
Ja, bij moties doorlezen gaat de tijd door, maar we hebben de tijd, dus gaat u gewoon verder.
Mevrouw Lagas (BBB):
Oké. Dan zal ik ze ook rustig voorlezen. Ik zit namelijk naar die klok te kijken. Ik heb nog een motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet meer zekerheid flexwerkers voorziet in een verbod op nulurenovereenkomsten;
constaterende dat er een wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis aanstaande is, waardoor pgb-houders werkgever worden in de zin van het arbeidsrecht;
overwegende dat pgb-houders veelal geen professionele werkgevers zijn, maar burgers die zelf verantwoordelijk zijn voor het organiseren van passende zorg, waarbij de zorgvraag in de praktijk vaak onvoorspelbaar en fluctuerend is;
overwegende dat een aanzienlijke groep zorgmedewerkers bewust kiest voor nulurenovereenkomsten bij meerdere pgb-houders en op deze manier in staat is een aanzienlijk deel van hun zorgbehoefte te vervullen;
overwegende dat wanneer nulurenovereenkomsten niet meer mogelijk zijn dit kan leiden tot rechtsonzekerheid voor pgb-houders en zorgverleners en risico's kan opleveren voor de continuïteit van de zorg;
verzoekt de regering de bepalingen inzake het verbod op nulurenovereenkomsten niet op pgb-houders van toepassing te laten zijn, dan wel de inwerkingtreding daarvan voor pgb-houders aan te houden, totdat de Kamer zich heeft kunnen uitspreken over een uitvoerbare regeling voor het werkgeverschap van pgb-houders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lagas.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter H (36746).
Mevrouw Lagas (BBB):
Dan heb ik nog een laatste motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering met verschillende wetgevingstrajecten werkt aan een hervorming van de arbeidsmarkt, waaronder de Wet meer zekerheid flexwerkers, de voorgenomen wijziging met betrekking tot de Regeling dienstverlening aan huis en een nieuwe Zelfstandigenwet;
overwegende dat de samenloop van deze wetsvoorstellen voor werkgevers, werknemers, zelfstandigen, burgers die werkgever worden en uitvoeringsorganisaties kan leiden tot onbedoelde effecten, onduidelijkheden en knelpunten in de uitvoering;
overwegende dat dit in sectoren met een wisselende en moeilijk voorspelbare arbeidsvraag, zoals de zorg, gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid en continuïteit van dienstverlening;
overwegende dat een integrale beoordeling van de samenhang tussen deze wetgevingstrajecten kan bijdragen aan een zorgvuldige invoering en het voorkomen van onbedoelde neveneffecten;
verzoekt de regering de onderlinge samenhang en de gezamenlijke gevolgen van de verschillende wetsvoorstellen met betrekking tot de arbeidsmarkt, waaronder de Wet meer zekerheid flexwerkers, de voorgenomen wijziging van de Regeling dienstverlening aan huis en de nieuwe Zelfstandigenwet, integraal in kaart te brengen;
verzoekt de regering de Kamer vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen te informeren over de uitkomsten van deze analyse en de wijze waarop eventuele knelpunten in die uitvoering en samenloop zullen worden ondervangen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lagas.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter I (36746).
Mevrouw Lagas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Dat was het.
De voorzitter:
Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Bezaan van de PVV.
Mevrouw Bezaan i (PVV):
Voorzitter, dank voor het woord wederom. Ik dank de minister voor de beantwoording van de vragen van de Kamer en uiteraard in het bijzonder voor de beantwoording van de vragen van de PVV. Voor mijn fractie stond vandaag één vraag centraal: is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit wetsvoorstel daadwerkelijk zal leiden tot meer werk- en inkomenszekerheid? De beantwoording van de minister heeft een aantal punten verduidelijkt. Tegelijkertijd zal uiteindelijk de praktijk moeten uitwijzen of de beoogde effecten ook daadwerkelijk worden bereikt.
Ik mis één vraag — die heb ik gemist of de minister heeft die niet beantwoord — en dat was: acht de minister de toelichting op de samenhang met de bredere arbeidsproblematiek waar de Raad van State om vroeg met de schriftelijke beoordeling nu volledig?
Verder ben ik de minister erkentelijk voor de toezegging dat de Eerste Kamer over de resultaten van de monitoring zal worden geïnformeerd en dat ook de genoemde punten van de PVV zullen worden meegenomen. Die informatie is namelijk voor mijn fractie van groot belang om de werking van deze wet in de komende jaren te kunnen beoordelen. Wij zullen de uitvoering en de effecten van deze wet dan ook met belangstelling blijven volgen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Schalk, van de fractie van de SGP.
De heer Schalk i (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de razendsnelle manier van beantwoorden. Die herken ik van een paar jaar geleden, toen hij hier in een andere rol was. Het is wat mij betreft glashelder dat misbruik van flexwerkers gewoon afkeurenswaardig is. Doorgeschoten flex aanpakken is dus prima, maar doorgeschoten afschalen moeten we eigenlijk ook weer niet hebben en dat gebeurt nu wel, vooral met het verbod op nulurencontracten. Ik heb daar in eerste termijn voldoende over gezegd, ook in de interrupties. Ik denk dat dat onverstandig is. Het maakt het in cruciale sectoren moeilijk om vooral zorg en onderwijs blijvend te kunnen bieden. Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet meer zekerheid flexwerkers nulurencontracten afschaft en bandbreedtecontracten introduceert;
overwegende dat het bieden van meer zekerheid aan flexwerkers een legitiem doel is, maar dat op de huidige krappe arbeidsmarkt bij werkgevers en werknemers een reële behoefte bestaat aan vrijwillige flexibiliteit;
constaterende dat cruciale sectoren, zoals zorg en onderwijs, met aanzienlijke personeelstekorten kampen, waarbij een aanzienlijke groep werknemers vrijwillig en bewust kiest voor een nulurencontract om in noodgevallen in te vallen;
verzoekt de regering het onderdeel van de Wet meer zekerheid flexwerkers dat ziet op de afschaffing van nulurencontracten niet in werking te laten treden voordat in overleg met de betrokken sectoren werkbare oplossingen zijn uitgewerkt en geïmplementeerd voor de geconstateerde knelpunten, bijvoorbeeld door een uitzondering van het verbod op nulurencontracten voor de betrokken sectoren op basis van aantoonbare vrijwilligheid van werknemers,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schalk, Bezaan, Lagas en Van den Oetelaar.
Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.
Zij krijgt letter J (36746).
De heer Schalk (SGP):
Dit punt, ten slotte, is voor mijn fractie wel cruciaal. Dat heeft u wel gemerkt in het debat. Daarom verzoek ik u om de stemming over mijn motie te doen voordat we gaan stemmen over het betreffende wetsvoorstel.
Ik dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geeft ik graag het woord aan mevrouw Van Aelst-den Uijl. Zij spreekt namens de fractie van de SP.
Mevrouw Van Aelst-den Uijl i (SP):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de minister voor de toezeggingen rondom monitoring en evaluatie. We zijn gerustgesteld dat de minister de groeiende ongelijkheid door flex ziet en erkent. We werden het echter niet volledig eens. Dat mag niet verrassen. Flex blijft voor een aantal groepen op een aantal plekken de norm. Dat is jammer. Zoals gezegd had deze wet voor ons echt veel verder mogen gaan, maar het is in ieder geval een stap in de goede richting.
Voorzitter. Wij hebben tijdens deze wetsbehandeling een aantal vooral rechtse partijen horen benadrukken hoe zwaar de regels zijn voor bedrijven die vooral leunen op flexwerk. In eerdere debatten over bijvoorbeeld het minimumloon en over toeslagen wisselden we echter al met elkaar dat de grootste afnemers van werknemers met dat minimumloon, werknemers met enorm veel toeslagen en onzekerheid, vooral grote en zeer winstgevende bedrijven zijn. Daardoor zijn deze toeslagen vaak een subsidie voor deze grote en zeer winstgevende bedrijven. Ook bij deze wet geldt dat de prijs voor de doorgeslagen flexibiliteit betaald wordt door de kwetsbaarste mensen in onze samenleving, en door ons als collectief in de vorm van uitkeringen, toeslagen, lagere arbeidsproductiviteit en sociale problemen. Daarnaast betalen we de prijs doordat mensen bijvoorbeeld later kinderen krijgen als ze flexibele contracten hebben. Daar zeg ik dan toch maar eventjes bij dat er behoorlijk wat partijen lijken te zijn die zich druk maken over de baarmoederactiviteiten van vrouwen van een zekere leeftijd. Die partijen zouden zich dan toch ook druk moeten maken over deze flexwet? Bij flexibele arbeid krijgen vrouwen immers geen kinderen, minder in ieder geval. Daarnaast kunnen mensen pas later of nooit een eigen huis kopen. Uiteindelijk is het dus in het collectieve belang om flexibiliteit aan te pakken en veel meer zekerheid te geven.
Voorzitter. Ik zal mijn fractie adviseren om voor deze wet te stemmen. Wij kijken uit naar uitbreiding, verdieping en verbetering van de positie van flexwerkers.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Petersen. Hij spreekt namens de VVD.
De heer Petersen i (VVD):
Voorzitter, hartelijk dank. In de eerste plaats wil ik in deze termijn de minister bedanken voor de constructieve opstelling die hij naar de Kamer heeft getoond en de manier waarop hij met passie dit voorstel heeft verdedigd. Ook wil ik dank uitspreken voor de ondersteuning die hem in staat heeft gesteld om dat te doen. We hebben in de loop van het hele proces erg concrete antwoorden gekregen. Dat waren niet altijd antwoorden waar mijn fractie blij mee was, maar wel helder genoeg om in ieder geval het debat op een goede manier te voeren. Daarvoor wil ik dankzeggen.
Daarnaast heeft de VVD-fractie een aantal toezeggingen gevraagd aan de minister. We zijn blij dat de minister al die toezeggingen ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dat verandert de wet weliswaar niet, maar het helpt de partijen wel bij de invoering daarvan en om er uiteindelijk mee uit de voeten te kunnen. Dat is iets wat voor onze fractie natuurlijk wel enorm belangrijk is en waar we in dit huis ook goed naar moeten kijken.
Voor de duidelijkheid benadruk ik opnieuw dat we deze wet nadrukkelijk zien als een onderdeel van een breder pakket. Geïsoleerd gezien is dit niet een wet waar we heel erg van in de lucht springen van enthousiasme. Ik zal mijn fractie adviseren om voor de wet te stemmen, maar wel een beetje tegen heug en meug. Het is goed dat de minister gecommitteerd is aan de snelle behandeling van alle andere wetsvoorstellen die zijn genoemd. De minister heeft mijn fractie er in ieder geval van overtuigd dat dat commitment serieus is. We zijn blij dat die andere wetsvoorstellen inmiddels bij de Tweede Kamer liggen. We hopen dat die er daar ook snel doorheen kunnen, zodat we die ook hier kunnen oppakken en het pakket ook echt een pakket is waar de arbeidsmarkt echt iets aan heeft.
Ik heb nog een laatste opmerking; die moet mij toch van het hart. Ik ben opnieuw geschrokken, zou ik willen zeggen, van hoe sommige partijen in dit huis ondernemers wegzetten als gewetenloze uitbuiters. Ik vind dat dat op geen enkele manier recht doet aan de ondernemers zoals ik die ken. We moeten ook niet vergeten dat deze mensen vaak met ondernemersrisico, waarbij huis en haard in de waagschaal worden gesteld, wel bijdragen aan het verdienvermogen van Nederland, waarmee we uiteindelijk de sociale voorzieningen waar we allemaal zo trots op zijn en die Nederland zo'n mooi land maken, in stand kunnen houden. Ik vind dat daarover in dit huis met meer respect mag worden gesproken. Wie de schoen past, trekke hem aan. Ik hoop dat we in de toekomst respectvoller over belangrijke spelers in de Nederlandse samenleving kunnen spreken.
Daarmee sluit ik mijn bijdrage af en wens ik iedereen vanaf deze plaats alvast een aangenaam reces, hoewel we daar pas over een paar uur aan kunnen beginnen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Bakker-Klein van het CDA.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
Voorzitter. Ook namens de CDA-fractie veel dank aan de minister voor de heldere en deskundige beantwoording van onze vragen. Ik dank hem ook voor het bevlogen betoog waaruit blijkt dat ook de minister vindt dat duurzame arbeidsrelaties weer de norm moeten worden. Wij vinden het ook belangrijk dat werkgevers en werknemers weer in elkaar investeren. Ik sluit me ook graag aan bij de woorden die net gesproken zijn door de heer Petersen. Natuurlijk zijn er altijd mensen die onder de regels uit willen komen, maar over het algemeen ken ik heel veel werkgevers, maar ook werknemers, die in elkaar willen investeren.
Voorzitter. Het recente unanieme advies van de Stichting van de Arbeid is voor onze fractie ook een belangrijk signaal. Wij hechten veel waarde aan de afstemming in de polder. Die heeft ook plaatsgevonden naar de hele behandeling van dit wetsvoorstel toe.
Voorzitter. De minister heeft ons overtuigd van het belang van deze wet. We hebben wel nog steeds zorgen over de gevolgen daarvan voor de zorgsector, maar de minister heeft ook wel andere argumenten ingebracht waar we ook gevoelig voor zijn. Hij heeft een toezegging gedaan om de eventuele gevolgen die we met z'n allen niet willen voor de zorgsector goed te monitoren. Wij vinden die toezegging vertrouwenwekkend. We gaan er ook van uit dat de minister daar serieus werk van maakt en dat de komende drie jaar ook blijft doen, want dat heeft hij ook toegezegd. Ik ga mijn fractie dus adviseren om voor dit wetsvoorstel te stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van den Oetelaar van Forum voor Democratie.
De heer Van den Oetelaar i (FVD):
Dank u, voorzitter. Ook dank aan de minister voor zijn beantwoording. Wat mij opviel aan de antwoorden van de minister, is dat wij deze wet invoeren na een berisping vanuit de EU. Werkgevers en werknemers vragen hier niet om. Dat blijkt al uit het aantal mails dat wij hierover hebben gekregen. Dat aantal was namelijk nihil. We kregen enkel mails van wat tegenstanders. Er staan geen mensen buiten en er zitten ook geen boze flexwerkers op de publieke tribune, terwijl ze toch een vrij flexibel contract hebben. Werknemers zijn hier dus helemaal niet mee bezig en werkgevers moeten dit maar weer ondergaan.
In de eerste termijn heb ik al gewezen op de grote praktische problemen die deze wet veroorzaakt voor ondernemers: onvoorspelbare roosters, hogere kosten, administratieve rompslomp en minder wendbaarheid, juist op het moment dat we die hard nodig hebben. De minister verwijst naar een monitoring. Prima, maar dan moet het wel een serieuze monitoring zijn. Daarom heb ik de volgende vragen.
Worden in de arbeidsmarktmonitor en de latere evaluaties ook expliciet de operationele problemen voor werkgevers meegenomen? Denk dan aan extra administratieve lasten, stijgende personeelskosten, moeilijkheden bij roostering, omzetverlies door inflexibiliteit en het risico op minder aanname van personeel in projectmatige sectoren en seizoens- en kraptesectoren. Worden er harde economische indicatoren gebruikt, zoals ontwikkeling van omzet, winstgevendheid, faillissementscijfers of personeelsbezetting per sector, of blijft het bij abstracte arbeidsmarktcijfers? Is de minister bereid de toezegging te doen dat de monitor en de evaluaties uitdrukkelijk aandacht besteden aan de wendbaarheid en bedrijfseconomische gevolgen voor het mkb en de zzp-opdrachtgevers, en dat de Eerste Kamer hierover jaarlijks een aparte paragraaf ontvangt?
Voorzitter. Als deze wet echt evenwichtig moet zijn, dan kan de monitoring niet alleen kijken naar de zekerheid van flexwerkers, maar moet ook keihard in beeld worden gebracht wat dit doet met de ondernemers die banen moeten creëren, anders wordt het weer een eenzijdig experiment met de Nederlandse economie. Forum voor Democratie ziet een nulurencontract juist als een oplossing en niet als een probleem. Dit geldt voor werknemer en werkgever. Wij zullen daarom ook tegen deze wet stemmen.
Dank u wel.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
Even voor de totale behandeling. U zegt: werkgevers en werknemers vragen hier niet om. In de stukken en in de recente oproep die we hebben gekregen, hebben wij gezien dat zowel de vakbonden als VNO-NCW hierom gevraagd hebben.
De heer Van den Oetelaar (FVD):
Ja.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Kan het dan zijn dat u dat gemist hebt?
De heer Van den Oetelaar (FVD):
Nee, dat heb ik zeker niet gemist. Alleen sta ik hier niet voor de vakbonden en de organisaties. Ik sta hier voor ondernemers, Nederlanders en FVD-stemmers.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Maar die ondernemers in Nederland worden vertegenwoordigd door onder andere VNO-NCW en de werknemers worden toch door de vakbonden vertegenwoordigd?
De heer Van den Oetelaar (FVD):
Het is zeker waar dat een gedeelte daarvan door hen vertegenwoordigd wordt, maar dat zijn niet de FVD-ondernemers en de FVD-werknemers.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Bakker.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Dan hoor ik nu een nuancering. U zegt: de FVD-achterban voelt zich niet vertegenwoordigd, maar de vakbonden, VNO-NCW en de werknemers die daardoor zijn vertegenwoordigd, hebben hier wel om gevraagd. Het gaat dus alleen om de mensen die in uw achterban zitten en hier niet om hebben gevraagd.
De heer Van den Oetelaar (FVD):
Ik geloof best wel dat die organisaties hierom vragen, maar het komt vanuit de EU, dus de minister of zijn voorganger is vervolgens in gesprek gegaan met de organisaties en zo is dit tot stand gekomen. Dit komt niet van onderop. Dat is mijn analyse.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan mevrouw Karaaslan van D66.
Mevrouw Karaaslan-Kilic i (D66):
Voorzitter. Als hekkensluiter van dit debat dank ik de minister voor zijn uitgebreide beantwoording en ook voor de helderheid over waar hij wel en niet in wil meebewegen met de verzoeken vanuit deze Kamer. Mijn fractie is positief over deze wet en zal ook voorstemmen, omdat wij vinden dat het een stap in de goede richting is. Deze wet brengt meer balans tussen zekerheid en vrijheid, biedt werknemers meer garantie om te bouwen aan hun leven en ontwikkeling en geeft met de verschillende contractvormen voldoende ruimte aan werkgevers. Wij vinden deze wet ook positief omdat hij zorgt voor minder excessen op de arbeidsmarkt, zoals draaideurconstructies, en omdat hij zorgt voor meer gelijkheid tussen vaste en tijdelijke werknemers door ontwikkel- en groeimogelijkheden te stimuleren. Wij danken de minister voor zijn toezegging over de monitoring, zodat de aandachtspunten die in deze Kamer zijn benoemd, kunnen terugkomen in de monitoring.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Wenst een van de leden in de tweede termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik voor tien minuten.
De vergadering wordt van 14.34 uur tot 14.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor zijn beantwoording in tweede termijn.
Minister Vijlbrief i:
Voorzitter, dank u wel. Ik heb een aantal vragen gekregen. Die zal ik eerst beantwoorden. Daarna zal ik een appreciatie van de moties geven.
Ik kreeg een vraag van mevrouw Ramsodit over het waarborgen van de onafhankelijkheid. Er loopt nu — dat weet mevrouw Ramsodit misschien — een aanvraag bij ons om de ABU-cao, dus de onderhandelde cao, algemeen verbindend te verklaren. Daar kan ik niks over zeggen, want die procedure loopt nog. Ik heb aangegeven dat voor de wat langere termijn de datum van 1 januari 2028 belangrijk is, omdat we dan een onafhankelijkheidsvereiste in de Wet op de cao willen opnemen. Mevrouw Ramsodit heeft wel gelijk dat er in de periode tot 1 januari 2028 dus geen onafhankelijkheidsvereiste in de wet zit. We hebben daarvoor eigenlijk maar één stok achter de deur, namelijk dat we, als we dat willen en als daar aanleiding voor is, bij structurele onderbetaling, via een algemene maatregel van bestuur kunnen verbieden dat er afwijking van de gelijkebetalingsnorm is. Dat is een belangrijke stok achter de deur. Ik denk dat we het daarmee moeten doen op dit moment, want veel meer hebben we niet. We hebben nog het avv-instrument, zoals ik al zei, maar daar moet ik gaande het proces even niets over zeggen. Het instrument van het algemeen verbindend verklaren kunnen we natuurlijk ook gebruiken als we denken dat het niet op de juiste manier tot stand is gekomen. Dat is dat.
Het tweede punt is dat van de gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden, over het type signalen dat aanleiding kan zijn om bij AMvB arbeidsvoorwaarden aan te wijzen. We hadden het net over die stok achter de deur. Die signalen kunnen komen van vakbonden als er sprake is van structurele onderbetaling, maar dat kan ook uit de monitor blijken. Daarmee gaan we dus aansluiten bij de Wtta-monitor op het uitzendwezen. Daar kunnen we breder signalen in meenemen. Daarbij kan ook de nieuwe uitleenautoriteit een rol spelen. Het antwoord is dus dat we naar mijn inzicht voldoende instrumenten hebben voor signalen om in te grijpen als het nodig is.
Tenslotte vroeg mevrouw Ramsodit: kan de minister toezeggen dat werknemers worden ondersteund om te zorgen dat die onderdelen van zo'n gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket ook onderbouwd, transparant en controleerbaar zijn? Daar zullen wij op inzetten met een goede campagne, om te zorgen dat iedereen de juridisch toegankelijke ondersteuning voor uitzendkrachten kent. Denk aan de WIN-punten en de regelrechter. Dat zijn twee pilots die op dat terrein lopen.
Dan stelde de heer Baumgarten, voordat hij de microfoon stukmaakte, in die microfoon de vraag: om hoeveel mensen gaat het eigenlijk? Dat vond ik zelf een interessante vraag. Het aantal mensen in draaideurconstructies voor uitzendcontracten schatten wij in op 800.000. 100.000 à 150.000 daarvan kunnen in dat soort draaideurconstructies zitten, zeg ik met enige voorzichtigheid. Bij gewone reguliere tijdelijke contracten betreft het, denken we, tussen de 7% en 20%. Dat zou om ongeveer 100.000 mensen kunnen gaan. Het meest interessant zijn degenen die op nulurencontracten draaien. Ook daar kan ik wat cijfers over geven. 75% van de mensen die nu al op een nulurencontract zitten, kunnen dat straks ook nog. Driekwart van de mensen doet dit namelijk als bijbaan; dat vermoedde ik al. Dat zijn dus scholieren, studenten of ouderen, AOW'ers. Maar 25% doet dit als primaire inkomensbron. Daarbij vermoeden we — dat weten we niet — dat een kwart dat niet helemaal zou doen zoals ze willen. Daarin zou dus onvrijwilligheid kunnen zitten, maar daar durf ik eigenlijk geen uitspraken over te doen.
Het is belangrijk om te zeggen dat van die oproepkrachten — dat plaatste de motie van de heer Schalk een beetje in een bepaald daglicht, over die nulurencontracten — 75% onder die uitzondering gaat vallen. Tegelijkertijd kun je zeggen: het gaat dan dus om een kleine groep waarbij je het bestrijdt. Maar dat klopt wel weer voor degenen die zeggen: je wil niet een hele groep pakken; je wil vooral misbruik bestrijden. Dat is dus een relatief kleine groep.
De heer Baumgarten i (JA21):
Ik zal met respect met het voetpedaal omgaan, mevrouw de voorzitter. Ik ben even aan het meeschrijven en meerekenen. Ik toets het gewoon even bij de minister, als u het goedvindt. Draaideurgedupeerden, noem ik het maar, als het mag, zijn er circa 150.000, heb ik even meegeschreven, give or take.
Minister Vijlbrief:
100.000 tot 150.000, ja.
De heer Baumgarten (JA21):
Oké. Ongeveer 25% is een nulurencontracter. Van hoeveel?
Minister Vijlbrief:
Er zijn ongeveer 226.000 reguliere oproepkrachten. Van 174.000 — dat is die 75% — is het geen primaire inkomensbron. Dat zijn dus mensen die scholier, student of oudere zijn.
De heer Baumgarten (JA21):
Dan kom ik dus, bij elkaar opgeteld, op 200.000 medewerkers voor wie deze wet wellicht een oplossing poogt te bieden? Of reken ik dan verkeerd, vraag ik aan de minister.
Minister Vijlbrief:
U bent één groepje nog vergeten — dat is niet onaanzienlijk — namelijk de draaideurconstructies voor uitzendcontracten. Dat zijn 100.000 à 150.000 mensen. Daarvan vallen ongeveer — wat zei ik? — 50.000 mensen onder de oproepkrachten. Maar u vergeet de mensen die in draaideurconstructies zitten met reguliere tijdelijke contracten. Dat zijn er ook ongeveer 100.000.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Baumgarten.
Minister Vijlbrief:
Uw som klopt dus, maar …
De heer Baumgarten (JA21):
Dat zijn er dan 300.000. Dat brengt me dan, even hoogover opgeteld, bij de vraag aan de minister wat dan de ambitie is. Hoeveel procent, of in absolute aantallen, moet het afnemen, wil deze wet als succesvol worden bestempeld, vraag via de voorzitter aan de minister.
Minister Vijlbrief:
Daar heb ik eerder van gezegd: dat ga ik hier niet zeggen. Ik bedoel: dat is een soort raar, kwantitatief doel. Het is duidelijk dat de wet deze drie categorieën wil bestrijden. Op zich komen we helemaal tot de kern van de wet. In principe wil je dat het helemaal niet meer gebeurt, maar ik denk dat dat een beetje hypothetisch is. U heeft nu wel een idee van de aantallen waar het om gaat.
De voorzitter:
Er is wat tijd, dus ik ben nu wat soepeler. U mag dit punt even afmaken.
De heer Baumgarten (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dat brengt mij bij een eerdere uitspraak die de minister deed in het debat over het monitoren van KPI's. Dan ben ik als bèta wel benieuwd hoe u die KPI's gaat monitoren en hoe u vervolgens het succes van deze wet evalueert.
Minister Vijlbrief:
We weten op basis van deze getallen ongeveer wat de doelgroepen zijn waarnaar je wilt kijken. Laten we het erop houden dat je een substantiële vermindering van dit soort contracten wilt. De heer Baumgarten probeert mij nu even op een dinsdagmiddag ertoe uit te lokken dat ik mijzelf ophang aan een getal, maar dat ga ik niet doen. Laat ik het zo doen. We hebben met elkaar afgesproken dat we veel schriftelijke contacten zullen hebben aan de hand van de monitoring en de evaluatie. In een van de eerste rapportages kom ik terug op wat het doel is van het kabinet. Zullen we het zo doen?
De heer Baumgarten (JA21):
Dank u wel. Ik beschouw het maar even als een toezegging. U pakt het na de zomer op in een schriftelijke rapportage aan deze Kamer.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Ik wil even teruggrijpen op het antwoord van de minister over de onafhankelijkheid van werknemersorganisaties. U heeft gemeld dat we een stok achter de deur hebben. Uitgangspunt van de wet is gelijke beloning. We kunnen daarvan afwijken bij een cao. Dit vereist dat de onderhandeling onafhankelijk is. Daar zit op dit moment een behoorlijk gat. Ik hoor u eigenlijk zeggen: we hebben een stok achter de deur. U noemde de mogelijkheid van een avv. Wat zou u met die avv mogelijk kunnen doen in deze situatie, die nog best lang gaat duren?
Minister Vijlbrief:
Ik heb gezegd dat er een stok achter de deur is. Als er indicaties zijn dat er onderbetaald wordt, kun je met deze wet in de hand altijd overgaan van gelijkwaardig naar gelijk, maar dat weet mevrouw Ramsodit. Er zijn eisen aan de algemeenverbindendverklaring. Als je niet algemeen verbindend verklaart, betekent dat dat niet bij de werkgeversorganisatie aangesloten partijen mogen doen wat ze willen. Ze hoeven zich niet aan de cao te houden. Dat is een situatie die ik overigens zeer ongewenst vind, want dat betekent dat je concurrentie gaat krijgen op arbeidsvoorwaarden tussen die partijen. Het is dus een vrij stevig middel dat je hebt. Maar we gaan niet voor niets dat onafhankelijkheidsvereiste in de Wet op de cao stoppen, zeg ik nog een keer tegen mevrouw Ramsodit. Wij zien dus ook zelf het probleem.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
We zien het probleem, alleen wil ik u voor het oppakken van het probleem nog even uitdagen. Misschien kunnen we een bruggetje maken naar de stok achter de deur die de minister heeft genoemd. Het ging over het artikel over het bij AMvB aanwijzen van arbeidsvoorwaarden met betrekking tot gelijke beloning. Op welke manier zouden er signalen kunnen worden opgepakt die gaan over de onafhankelijkheid van werkgeversorganisaties in de tussenperiode, voordat er een wet is?
Minister Vijlbrief:
Dit is een hele moeilijke vraag. Volgens mij werkt het als volgt. De angst van mevrouw Ramsodit is dat mensen gaan onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden in de uitzendbranche die niet de gelijkwaardigheid goed borgen, omdat ze niet onafhankelijk zijn. Als die gelijkwaardigheid niet goed geborgd is, kun je dat bijvoorbeeld zien aan het feit dat er niet goed betaald wordt. Dat zou een indicator kunnen zijn. Je zult het moeten meten aan het resultaat. Daarom zeg ik: een stok achter de deur is dat je uiteindelijk altijd kunt ingrijpen als er tekenen zijn van onderbetaling. Zo werkt het systeem.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Ramsodit.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
De vraag die ik zou hebben aan de minister, is: kun je in de elementen waaruit een gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket is opgebouwd indicaties zien of er sprake is van een ongelijke situatie bij de onderhandeling?
Minister Vijlbrief:
Ik denk dat dat zo is. Ik begrijp waar u naartoe wil. Je kunt je voorstellen dat je het kunt zien aan de arbeidsvoorwaarden als er ongelijkwaardige verhoudingen zijn geweest of als iemand niet goed voor de werknemers is opgekomen. Daar is die test zo meteen bij de algemeenverbindendverklaring van de huidige cao-aanvraag goed voor. Dat is het enige wat ik daarop kan zeggen.
De heer Schalk i (SGP):
De minister hintte net al op mijn opmerking in de motie en dergelijke. Het viel me echter op dat er ineens een aantal cijfers kwamen: percentages van mensen die gewoon bij zo'n nulurencontract blijven omdat ze studeren of wat dan ook, of oudere zijn. Zijn er ook cijfers beschikbaar over mensen, dus werkgever en werknemer samen, die vrijwillig kiezen voor de route van het nulurencontract?
Minister Vijlbrief:
De enige cijfers die ik daar uit mijn hoofd over ken, zijn de cijfers die volgens mij in de brief van ActiZ worden genoemd. Daarin worden grote getallen genoemd als het gaat om mensen die zeggen dat ze dat vrijwillig doen. Het probleem met dit soort enquêtes is altijd — dat hoef ik de heer Schalk niet uit te leggen — dat het vrij lastig is om te weten waar mensen nou precies antwoord op geven. Als je dus aan mensen vraagt of ze dat gedwongen doen, is het antwoord waarschijnlijk nee. Maar als je ze vraagt of ze liever een andere vorm van dat contract zouden willen, is het antwoord misschien wel ja. Dit zijn dus de cijfers die ik ken, maar ik denk eigenlijk dat het wijs is, gegeven het feit dat ik die … Het kwam overigens niet uit de lucht vallen; ik gaf die cijfers vanwege een expliciet verzoek van de heer van JA21. Ik ben even zijn naam kwijt. "Baumgarten", hoor ik. Ja, het is echt verschrikkelijk; zo moe ben ik. Ik ben best bereid om die cijfers nog even op papier te zetten, als dat fijn is voor de Eerste Kamer, zodat u die heeft. Dan kan ik ook nog verwijzen naar die ActiZ-brief. Maar het is niet alsof deze zaken net uitgevonden zijn.
Mevrouw Lagas i (BBB):
Ik heb nog even een aanvullende vraag. Ik ben ook wel geïnteresseerd in de cijfers die net langskwamen. U zei, meen ik, dat 75% van de mensen die zo'n nulurencontract hebben, al een baan heeft. Het is mij niet meer helemaal duidelijk: ging dat om 100.000? Heb ik dat goed begrepen, of waren het er meer?
Minister Vijlbrief:
Nee, dat klopt niet; daarom moet ik even een brief gaan sturen. Ook voor u is het middag. Ik heb gezegd: 226.000 reguliere oproepkrachten. Dat zijn dus mensen die dit soort contracten hebben. Voor driekwart daarvan, dus voor 174.000 mensen, is de oproepbaan geen primaire inkomensbron. Dat zijn dus scholieren, studenten, of AOW'ers.
Mevrouw Lagas (BBB):
Of het zijn mensen die al een baan hebben. Ik kijk weer even naar mevrouw Bakker, die dat in haar bijdrage een aantal keren expliciet heeft vermeld. Als er heel veel mensen zijn die gewoon een baan hebben en daarnaast nog zo'n nulurencontract hebben voor zorg en onderwijs, dan is dat op dat aantal namelijk best veel. Daarbij lopen we het risico dat we die verliezen aan de arbeidsmarkt, om de redenen die u zelf aangeeft. Ik vind dat dus wel zorgelijk, eerlijk gezegd.
Minister Vijlbrief:
Nee, nu gaat het echt verkeerd. Nu gaan er cijfers worden geïnterpreteerd. Ik zeg gewoon wat het is. Ik zal het netjes opschrijven in een brief. Dat mevrouw Lagas het zorgelijk vindt, is prima, maar dit zijn oproepbanen zonder primaire inkomsten. Dan gaat het waarschijnlijk toch vooral om mensen die andere inkomstenbronnen hebben. Dat je dit daar nog naast doet, kan. Maar oproepkrachten komen enorm veel voor in de horeca. Dat weet u ook. Dat zijn vooral scholieren en studenten. Als ik naar de sector ga kijken, klopt dat ook wel, denk ik. Ja, "horeca: 15%". Ik ga dit dus netjes voor u opschrijven in de brief. Maar u gaat nu cijfers interpreteren die ik niet verder kan interpreteren. U trekt een conclusie die u hier niet uit kunt trekken. Het enige wat ik zeg, is: 25% heeft die oproepbaan als primaire inkomensbron, en 75% niet. Van die 75% is waarschijnlijk een heel groot deel scholier, student en AOW'er.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Lagas.
Mevrouw Lagas (BBB):
Ik interpreteerde helemaal niks; ik stelde een vraag. Ik constateerde dat zo veel mensen al een baan hebben en daarnaast een nulurencontract hebben. Daarom ben ik benieuwd. Het mag zeker in een brief. Ik bevestig daarmee nog even de zorg die mevrouw Bakker uitsprak over de mensen die die nulurencontracten hebben naast hun vaste baan, maar die dan juist werkzaam zijn in onderwijs en zorg. Daar ging mijn vraag alleen maar over. Dat u daar niet de exacte cijfers van heeft, neem ik u niet kwalijk. Maar het onderstreept wel de zorgen die wij gewoon hebben.
De heer Baumgarten (JA21):
Ik zal het kort houden. Ik maak me toch wat zorgen over het bestuurlijke proces, omdat wij nu pas een discussie krijgen over de cijfers. Ook bekruipt mij het gevoel dat we de omgekeerde discussie aan het voeren zijn: er wordt een wet aan deze Kamer voorgelegd nadat die door de Tweede Kamer is aangenomen, waarvan we eigenlijk moeten constateren — althans, dat constateer ik en dat toets ik nu even bij de minister — dat we niet weten welk effect de wet beoogt in kwantitatieve zin. Is de aanname van ondergetekende correct, vraag ik via u aan de minister, voorzitter.
Minister Vijlbrief:
Nee, die is niet correct. Als de heer Baumgarten dat wil, wil ik hem wel de harde versie geven. Hij wil blijkbaar graag horen wat het kwantitatieve doel is. De bedoeling van deze wet is het terugdringen tot nul van het aantal nulurencontracten en draaideurconstructies, en van de onderbetaling in de uitzendarbeid. Dat is het doel van deze wet. Dat is glashelder en heeft niets te maken met de uitgangspunten wat betreft de cijfers. U vroeg om de cijfers. Ik heb u geholpen met cijfers zodat u gevoel krijgt bij de aantallen waar het om gaat. Maar nee, de kwantitatieve doelen zijn glashelder.
Mevrouw Bakker-Klein i (CDA):
In mijn bijdrage heb ik het SEO-rapport — ik weet niet zeker of je het zo goed spelt — aangehaald. Dat gaat over 226.000 mensen. Daarbij zijn de scholieren en mensen met AOW niet meegerekend. Dat zei de minister net, maar dat is niet het geval. Van die groep, van die 226.000, zijn er dus 52.000 mensen voor wie dit een primaire inkomstenbron is. Voor 174.000 mensen is het niet hun primaire inkomstenbron. Dat even over de cijfers. We hebben gesteld: voor die 52.000 mensen staat sowieso buiten kijf dat we deze wet nodig hebben. Voor die overige 174.000 mensen heeft de minister volgens mij toegezegd om met de sector in gesprek te gaan om te kijken hoe daar een goede vorm voor kan worden gevonden.
Minister Vijlbrief:
Zo is het.
Mevrouw Bakker-Klein (CDA):
Dat is hoe ik het nu heb begrepen.
Minister Vijlbrief:
Zo is het.
Ik vervolg even met de antwoorden op de vragen. Er was nog een vraag van D66 over de ketenbepaling: welke cao-mogelijkheden zijn er voor afwijking van de ketenbepaling? De ketenbepaling kan bij een cao buiten toepassing worden verklaard voor functies waarvoor tijdelijke contracten bestendig gebruikt zijn en waarvoor het, vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering, noodzakelijk is om die uitsluitend op tijdelijke basis te verrichten. Ik ga ze even noemen. Het zijn er een heleboel: onder andere de op dit moment zeer aantrekkelijke functie van trainer/coach in het voetbal, de functie van bondstrainer, artistieke functies, de functies van remplaçant in orkesten, presentator in dienst van RTL Nederland, invalkracht, ijshockeyspeler en civiel expert bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Die functies vallen er dus buiten. Dan het tweede waar de ketenbepaling dus niet voor geldt: via een cao. Bij een cao kunnen arbeidsovereenkomsten ook worden uitgesloten wanneer het gaat om educatie, dus promovendi. Bij een collectieve arbeidsovereenkomst kan de tussenpoos worden verkort tot ten hoogste drie maanden voor functies die gedurende een periode van ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden uitgeoefend. Dan moet u denken aan de spreekwoordelijke seizoenskrachten in de strandtent, aspergestekers en dat soort dingen.
U vroeg nog iets over podium en geen cao. Het klopt dat je voor de uitzondering een cao nodig hebt. Als er geen cao in zo'n sector wordt gemaakt, zijn wij bereid om daarbij te helpen om te zorgen dat dat wel kan gebeuren.
Dan ben ik bij de een-na-laatste vraag gekomen, namelijk die van mevrouw Bezaan. Zij vroeg naar de Raad van State en het effect van de wet. Het beoogde effect van de wet is dat flexwerkers meer inkomenszekerheid en roosterzekerheid krijgen. Het afschaffen zou ertoe moeten leiden dat er meer wordt gewerkt op gewone contracten. Dat betekent dat mensen die nu op die oproepcontracten of op al die andere voorbeelden zitten, meer inkomenszekerheid en meer roosterzekerheid krijgen. We nemen natuurlijk maatregelen om die waterbedeffecten te voorkomen. Dat zei ik al in het eerste deel van het debat. Dat doen we door ook een aantal andere maatregelen te nemen, bijvoorbeeld in de zzp-sfeer.
Ten slotte vroeg de heer Van den Oetelaar of operationele problemen van werkgevers in de monitor worden meegenomen. De wendbaarheid en bedrijfseconomische effecten worden meegenomen in de evaluatie. Het antwoord is dus ja.
Dat brengt mij bij de moties. Ik heb drie moties van mevrouw Lagas. Die kan ik alle drie oordeel Kamer geven. Het zijn alle drie moties waarin wordt gevraagd om nader duidelijk te maken en een nadere toelichting te geven. Daar geef ik eigenlijk altijd oordeel Kamer aan, omdat ik dat bij mijn taak vind horen. Ik zou over de motie met letter H nog wel willen zeggen dat die pgb-motie eigenlijk overbodig is, maar ik kan 'm oordeel Kamer geven, want ik vind het prima als die wordt aangenomen. Maar we gaan de pgb-sector al uitzonderen tot 2030. Dat weet mevrouw Lagas. Dan moet ze dus even toelichten of ze nog iets wil zeggen waardoor mijn oordeel gaat veranderen.
Mevrouw Lagas (BBB):
Ik daagde u in mijn bijdrage uit om er een toezegging op te doen, en dat deed u niet. Als u dus toezegt dat het echt geregeld wordt voor 2030, is de motie wat mij betreft overbodig en zal ik 'm intrekken.
Minister Vijlbrief:
Ja, dat kan ik toezeggen.
De voorzitter:
Aangezien de motie-Lagas (36746, letter H) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.
Minister Vijlbrief:
De motie met letter I krijgt wat mij betreft oordeel Kamer.
De motie met letter J moet ik ontraden, maar dat zal de heer Schalk en zijn mede-indieners niet verbazen. Met die motie trekt de heer Schalk een van de drie kamers van het hart van het voorstel uit het voorstel. Dat doet hij weliswaar tijdelijk, maar hij haalt toch tijdelijk die kamer weg, en daar ben ik niet voor. Ik moet die motie dus ontraden. Ik verwijs even naar het debat; we hebben het er uitgebreid over gehad.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, minister.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik kom tot afhandeling van het wetsvoorstel. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel? Dat is het geval. Het gaat over de Wet meer zekerheid flexwerkers. Dan stel ik voor dat we daar zo dadelijk aan het einde van de vergadering bij de eindstemming over gaan stemmen. Kan de Kamer zich daarin vinden? Ja. Dan stel ik voor dat we ook nog over de ingediende moties stemmen. Aldus besloten.
Dan schors ik de vergadering voor een kleine twee uur tot 17.00 uur, zodat de griffie de stemmingslijst kan opstellen en de commissies nog kunnen vergaderen. De eindstemmingen in verband met het zomerreces starten dus om 17.00 uur.
De vergadering wordt van 15.06 uur tot 17.11 uur geschorst.