E070173
Laatste revisie: 04-04-2013

E070173 - Voorstel voor een richtlijn betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van bepaalde overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied



Het voorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen ter verbetering van het functioneren van de Interne Markt voor defensieproducten en -diensten. Deze maatregelen worden beschreven in de mededeling Strategie voor een competitieve Europese Defensie Industrie (zie dossier E070171), die de Commissie heeft uitgebracht tegelijkertijd met onderhavig voorstel en een voorstel voor een richtlijn betreffende intra-EU transfers van defensieproducten gericht op het vergemakkelijken van het intra-EU handelsverkeer en vermindering van administratieve lasten.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: implementatietraject gestart.

Nationaal

Richtlijn 2009/81/EG diende voor 21 augustus 2011 geïmplementeerd te zijn. 

Europees

Richtlijn 2009/81/EGPDF-document  is gepubliceerd in Pb EU L 216 van 20 augustus 2009.


Kerngegevens

document Europese Commissie

COM(2007)766PDF-document, d.d. 5 december 2007

rechtsgrondslag

EG-Verdrag artikel 47 lid 2, artikel 55 en 95

commissies Eerste Kamer

beleidsterrein

verwante dossiers


Implementatie

Richtlijn 2009/81/EGPDF-document werd op 13 juli 2009 ondertekend door de Raad en het Europees Parlement en is gepubliceerd in Pb EU L216. De richtlijn diende voor 21 augustus 2011 geïmplementeerd te zijn. Hiertoe is op 22 januari 2013 de Aanbestedingswet op het gebied van defensie en veiligheid aangenomen door de Eerste Kamer aangenomen (zie Kamerstukken in de serie 32.768). 


Behandeling Tijdelijke Commissie Subsidiariteitstoets

Onderhavige mededeling maakt deel uit van de lijst van 24 voorstellen, die door de Tijdelijke Commissie Subsidiariteitstoets aan een toetsing worden onderworpen.Op 17 januari 2008 heeft de TCS het initiatief, voorzien van een doorverwijzing, onder de aandacht gebracht van de vakcommissies van Eerste en Tweede Kamer ter eigenstandige behandeling.

Oproep

Het parlement, i.c. de Tijdelijke Commissie Subsidiariteitstoets (TCS), nodigt iedereen uit commentaar te leveren op nieuwe Europese voorstellen. Kan het beter in Nederland geregeld worden? Willen we wel een Europese aanpak, maar gaat het voorstel te ver voor Nederland? Wat zijn de consequenties? Indien u binnen zes weken na publicatie van het voorstel door de Europese Commissie uw oordeel kenbaar maakt, dan kan uw reactie worden betrokken bij het advies van de TCS aan beide Kamers. Gebruik daarvoor de reactieknop in het linker menu (een bestandje kunt u mailen naar europapoort@eerstekamer.nl).

Ook in een later stadium kan een meer inhoudelijke reactie ter kennisname van de vakcommissies worden gebracht en worden meegenomen in de dialoog tussen regering en parlement over het verloop van de onderhandelingen in Brussel. Uw reactie kan - tenzij men aangeeft daar bezwaar tegen te hebben - als 'commentaar derden' in de relevante dossiers worden geplaatst.


Behandeling Eerste Kamer

Tijdens een gezamenlijke vergadering op 26 februari 2008 besloten de commissies voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) en Economische Zaken (EZ) op 11 maart a.s. inbreng te leveren voor schriftelijke vragen aan de regering.

De CDA-fractie besloot op 11 maart 2008 dat zij de regering nog enkele vragen wil voorleggen ten aanzien van het Defensiepakket met daarbij het verzoek deze te beantwoorden voor het beleidsdebat van BDO op 1 april 2008 . Deze vragen werden op 13 maart 2008 verstuurd en bij brief op 4 april 2008 beantwoord door de minister. Deze antwoorden werden op 15 april 2008 voor kennisgeving aangenomen.


Behandeling Tweede Kamer

Op 7 december 2007 heeft de staf van de commissie Europese Zaken van de Tweede Kamer een stafnotitie opgesteld ten behoeve van de behandeling van onderhavig voorstel.

De commissie voor Economische Zaken heeft op 5 februari 2008 besloten het Defensiepakket te betrekken bij een algemeen overleg over de raad concurrentievermogen dat op 13 februari 2008 plaatsvond. De Commissie Defensie heeft het Defensiepakket op 14 februari 2008 voor kennisgeving aangenomen.


Standpunt Nederlandse regering

De Nederlandse regering beoordeelt in fiche 1 de proportionaliteit en subsidiariteit van deze richtlijn positief. De Gemeenschap is bevoegd om op basis van de artikelen 47 lid 2, 55 en 95 EG-Verdrag maatregelen te nemen om de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van lidstaten op het gebied van overheidsopdrachten te coördineren in overeenstemming met de vrije verkeersbepalingen. De richtlijn heeft betrekking op de totstandkoming van de interne markt en niet op het afschaffen of beperken van de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van defensie en veiligheid. De Gemeenschap heeft namelijk geen bevoegdheden op het gebied van defensie en nationale veiligheid. De tekst van de richtlijn is volgens de regering niet in strijd met het recht van lidstaten om hun nationale veiligheidsbelangen te beschermen.

Het doel van een beter functionerende interne markt voor dergelijke opdrachten kan ook volgens Nederland alleen worden bereikt door maatregelen op Europees niveau. Nederland steunt de keuze voor het instrument richtlijn. Deze sluit aan bij het instrument waarmee tot nu toe alle Europese aanbestedingsregelgeving is geïntroduceerd en laat de implementatie, monitoring, normstelling en handhaving deels over aan de lidstaten. Nederland steunt ook de keuze voor een aparte richtlijn voor opdrachten op defensiegebied in tegenstelling tot aanpassing van de Aanbestedingsrichtlijn. Dit komt de helderheid en toepasbaarheid van de aanbestedingsregels ten goede. De noodzaak om ook opdrachten op het gebied van veiligheid onder deze richtlijn te brengen is daarentegen minder helder. Ook is minder helder hoe de richtlijn zich verhoudt tot artikel 14 van de Aanbestedingsrichtlijn. Verder hecht Nederland er waarde aan dat de richtlijn op bepaalde punten beter aansluit bij de specifieke kenmerken van opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied.

Nederland steunt de initiatieven van de Commissie om openheid en transparantie op de Europese markt op het gebied van veiligheid en defensie te realiseren. Zowel de overheid als opdrachtgever, als de Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde industrie, zijn gebaat bij een open en transparante markt. Wel hecht Nederland eraan dat deze richtlijn in voldoende mate aansluit bij de specifieke kenmerken van opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied en de gelijke toegang voor alle lidstaten tot de Europese defensie- en veiligheidsmarkt bevordert. Wat betreft de specifieke kenmerken van opdrachten op het gebied van defensie en veiligheid komt het voorstel van de Commissie volgens Nederland deels hier aan tegemoet. Voor Nederland zijn vooral de navolgende punten van belang.

  • 1. 
    De complexiteit van de verwerving van militair materieel vereist flexibele procedures. Nederland steunt de Commissie in het voorstel om aanbestedende diensten in alle gevallen toe te staan om de onderhandelingsprocedure met voorafgaande publicatie van de opdracht toe te passen. Dit is een procedure waarbij de aanbestedende dienst overleg pleegt met de door hem uitgekozen ondernemers en door onderhandelingen met één of meer van hen de voorwaarden van de opdracht vaststelt. Onder de Aanbestedingsrichtlijn kan deze procedure slechts in uitzonderingsgevallen worden toegepast.
  • 2. 
    De Commissie heeft een uitzondering op de publicatieplicht opgenomen voor lokale verwervingen in het operatiegebied. Doordat deze richtlijn alleen betrekking heeft op opdrachten voor militair materieel en opdrachten waar gevoelige informatie mee is gemoeid is deze uitzondering naar de mening van Nederland te beperkt. Nederland verleent opdrachten waar mogelijk door middel van aanbesteding of andere procedures, waarbij internationaal concurrentie wordt gesteld, onder andere om de kosten zoveel mogelijk te beheersen. Om operationele redenen moet soms echter gebruik worden gemaakt van aanbieders van diensten en leveringen in het uitzendgebied, bijvoorbeeld voor extra transportcapaciteit of grind voor de bouw van een basis. In dergelijke gevallen moet Nederland zich voor de verwerving van niet specifiek militair materieel ook op deze uitzondering kunnen beroepen.
  • 3. 
    De Commissie heeft een bijzondere bepaling opgenomen voor opdrachten in geval van een dringende behoefte, veroorzaakt door een crisis of gewapend conflict. Dergelijke opdrachten hoeven niet vooraf te worden gepubliceerd. Ook deze uitzondering zou naar mening van Nederland zich moeten uitstrekken tot opdrachten voor niet specifiek militair materieel. Nederland streeft altijd naar een normaal verwervingsproces in aansluiting op het normale planningsproces, onder andere om de kosten zoveel mogelijk te beheersen. Ook hier geldt echter dat operationele behoeften soms een snellere procedure vereisen.
  • 4. 
    In het voorstel is de maximale duur van raamovereenkomsten en de periode waarin aanbestedende diensten bij de oorspronkelijke opdrachtnemer aanvullende opdrachten kunnen plaatsen verruimd van 4 naar 5 jaar. Militair materieel kent doorgaans een lange gebruiksduur. Om zeker te stellen dat dergelijk materieel gedurende de gebruiksduur in stand kan worden gehouden, moet het volgens Nederland mogelijk blijven ook raamovereenkomsten te sluiten met een langere duur.
  • 4. 
    De Commissie heeft speciale bepalingen opgenomen voor leveringszekerheid en informatieveiligheid. Nederland onderzoekt nog in hoeverre deze bepalingen in de richtlijn voldoende tegemoetkomen aan de specifieke kenmerken van overheidopdrachten op het gebied van defensie en veiligheid.
  • 5. 
    De defensiemarkt is bij uitstek een mondiale markt. De richtlijn laat zich echter niet uit over de verwerving van militair materieel buiten Europa. Voor Nederland is behoud van vrijheid om ook buiten Europa militair materieel aan te schaffen een essentiële randvoorwaarde: géén gedwongen Europese winkelnering.

Verder dient de reikwijdte van de richtlijn volgens Nederland nadere toelichting. Aanvankelijk voorzag de Commissie dat alleen opdrachten voor specifiek militair materieel onder de richtlijn zou vallen. Dit is vervolgens uitgebreid naar opdrachten waarbij gevoelige informatie ('sensitive information') betrokken is en die dienen ter bescherming tegen terrorisme en georganiseerde misdaad, voor grensbewaking en voor crisisbeheersingsoperaties. Deze uitbreiding is logisch in het licht van de toenemende vervlechting van interne en externe veiligheid. Het toepassingsbereik van deze richtlijn voor wat betreft opdrachten op het gebied van veiligheid ten opzichte van de Aanbestedingsrichtlijn wordt echter daardoor minder duidelijk. Opdrachten op defensiegebied zijn duidelijk afgebakend door middel van een limitatieve lijst met specifiek militaire producten. Voor opdrachten op het gebied van veiligheid wordt geen lijst gehanteerd, maar een algemene omschrijving. Daarnaast moet duidelijk worden gemaakt hoe deze richtlijn zich verhoudt ten opzichte van een beroep op de uitzondering in artikel 14 van de Aanbestedingsrichtlijn (geheimverklaarde opdrachten en opdrachten die bijzondere veiligheidsmaatregelen vereisen). Met name moet duidelijk worden gemaakt in hoeverre het begrip gevoelige informatie ook ziet op de informatie die betrokken is bij opdrachten die daarom geheim zijn verklaard.

Wat betreft de markttoegang is Nederland niet overtuigd dat alle verstorende effecten op de marktwerking met deze richtlijn kunnen worden weggenomen. Hiervoor is vereist dat consensus wordt bereikt over een aantal politiek gevoelige onderwerpen, zoals leveringszekerheid, open concurrentie in de leveringsketen en compensatie. Nederland hanteert het compensatie-instrument vanwege het ontbreken van een 'gelijk speelveld' op de internationale defensiemarkt.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Het voorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen ter verbetering van het functioneren van de Interne Markt voor defensieproducten en -diensten. Deze maatregelen worden beschreven in de mededeling Strategie voor een competitieve Europese Defensie Industrie (E070171), die de Commissie heeft uitgebracht tegelijkertijd met onderhavig voorstel en een voorstel voor een richtlijn betreffende intra-EU transfers van defensieproducten gericht op het vergemakkelijken van het intra-EU handelsverkeer en vermindering van administratieve lasten.

Het voorstel betreft een nieuwe richtlijn over het gunnen van overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied. De richtlijn is van toepassing op overheidsopdrachten voor de aanschaf van wapens, munitie en oorlogsmaterieel en opdrachten waarbij gevoelige informatie (' sensitive information ') betrokken is en die dienen ter bescherming tegen terrorisme en georganiseerde misdaad, voor grensbewaking en voor crisisbeheersingsoperaties. De opdrachten waar deze richtlijn op van toepassing is, vallen thans onder de aanbestedingsrichtlijn (2004/18/EG). Bij het gunnen van dergelijke opdrachten wordt in de meeste gevallen echter een beroep gedaan op de uitzonderingen van art. 10 en 14 van de Aanbestedingsrichtlijn. Op grond hiervan zijn uitgezonderd opdrachten voor militaire producten die vallen onder artikel 296 EG-Verdrag en geheime opdrachten en opdrachten die bijzondere veiligheidsmaatregelen vereisen. Om te komen tot meer marktwerking, streeft de Commissie met deze richtlijn naar een beperking van het beroep van lidstaten op deze uitzonderingen, maar beoogt tegelijkertijd de nationale veiligheidsbelangen van de lidstaten te respecteren. De mogelijkheden om een beroep te doen op de bovengenoemde uitzonderingen blijven dan ook behouden. Om het beroep op de uitzonderingen te beperken, bevat deze richtlijn procedurevoorschriften welke zijn toegesneden op de specifieke kenmerken van dergelijke opdrachten zoals de noodzaak van flexibele procedures, leveringszekerheid (' security of supply ') en vertrouwelijkheid van informatie (' security of information ').

  • [en]PDF-document werkdocument
    Europese Commissie - SEC(2007)1598
    5 december 2007
  • [en]PDF-document werkdocument
    Europese Commissie - SEC(2007)1599
    5 december 2007
  • PDF-document commissievoorstel
    Europese Commissie - COM(2007)766
    5 december 2007

Behandeling Raad

Tijdens de Raad voor Concurrentievermogen op 25 februari 2008 werd het Defensiepakket gepresenteerd en de Eurocommissaris voor Industrie -McCreevy- liet weten optimistisch te zijn omdat de lidstaten in principe dit pakket ondersteunen.

Tijdens de Raad Concurrentievermogen van 29-30 mei 2008 werden raadsconclusies over dit pakket aangenomen.

Op 7 juli 2009 werd onderhavig voorstel in eerste lezing goedgekeurd door de Raad.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft op 14 januari 2009 een wetgevingsresolutie aangenomen ten aanzien van onderhavig voorstel.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

In de databank IPEX wordt de behandeling van het voorstel in de diverse (kandidaat) lidstaatparlementen weergegeven.


Reacties Derden

De Nederlands defensie-industrie heeft in reactie op het Groenboek overheidsopdrachten op defensiegebied bij monde van de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensieopdrachten (NIID) eveneens aangegeven een grotere transparantie van de Europese defensiemarkt voor te staan. Het NIID verwacht, mede in het licht van de geringe omvang van de Nederlandse defensie-industrie, te kunnen profiteren van meer Europese aankopen van defensiematerieel. Wel bestaan er bij de industrie nog vragen over de gevolgen van de voorziene vermindering van het gebruik van het compensatiesysteem. Voor meer achtergronden bij de Nederlandse defensiegerelateerde industrie en technologie binnen de internationale en Europese context wordt verwezen naar de Defensie Industrie Strategie uit augustus 2007.


Alle bronnen

Sociale media menu


Volg via