E210010
Laatste revisie: 16-09-2021

E210010 - Commissiemededeling: EU-strategie voor de rechten van het kind



Met de mededeling 'EU-strategie voor de rechten van het kind’ krijgen kinderen en hun belangen een centrale plaats binnen het EU-beleid.

Tegelijk met de mededeling bracht de Europese Commissie een voorstel voor een aanbeveling tot instelling van een Europese kindergarantie uit.


Stand van zaken

Behandelfase Eerste Kamer: behandeling in commissie Eerste Kamer.

nationaal

Op 14 september 2021 besloot de commissie de bespreking van het antwoord van de Europese Commissie aan te houden en opnieuw te agenderen op 28 september 2021.

Europees

Tijdens de JBZ-Raad van 15-16 juli 2021 (32.317, MH) vond een discussie plaats over kindvriendelijke rechtsprocedures. De minister voor Rechtsbescherming gaf aan dat Nederland veel waarde hecht aan kindvriendelijke procedures. De EU-lidstaten willen zich richten op het uitwisselen van best practices , maar de flexibiliteit behouden om met nationaal beleid invulling te geven aan de kinderrechtenstrategie.


Kerngegevens

volledige titel

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: EU-strategie voor de rechten van het kind

document Europese Commissie

COM(2021)142PDF-document, d.d. 24 maart 2021

commissie Eerste Kamer


Behandeling Eerste Kamer

Op 14 september 2021 besloot de commissie de bespreking van het antwoord van de Europese Commissie aan te houden en opnieuw te agenderen op 28 september 2021.

Op 12 augustus 2021 stuurde de Europese Commissie een antwoord (EK, D) op de brief van 3 juni 2021.

Op 13 juli 2021 nam de commissie het antwoord van de staatssecretaris voor kennisgeving aan.

Op 7 juli 2021 stuurde de staatssecretaris van VWS een antwoord op de brief met vragen van 26 mei 2021. Op 8 juli 2021 werd het verslag schriftelijk overleg vastgesteld (EK, C).

Op 25 juni 2021 informeerde de staatssecretaris van VWS de Kamer per brief over de beantwoording van de brief van 26 mei 2021. Hij gaf aan dat de gestelde vragen niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord. De reactie wordt voor het zomerreces aan de Kamer verzonden.

Op 3 juni 2021 is de brief (EK, B) met vragen en opmerkingen van de SP-fractie verstuurd aan de Europese Commissie in het kader van de politieke dialoog.

Op 26 mei 2021 werd de brief aan de staatssecretaris van VWS verstuurd.

Op 18 mei 2021 leverden de leden van de Fractie-Nanninga (Van Pareren) en de leden van de fracties van PVV (Van Kesteren), SP (Gerkens; waarbij de leden van de GroenLinks-fractie zich aansluiten) en ChristenUnie (Verkerk) inbreng voor schriftelijk overleg met de regering.

Op 11 mei 2021 besloot de commissie om op 18 mei 2021 inbreng te leveren voor schriftelijk overleg. De inbreng van de fracties van PVV en SP was reeds ontvangen.

Op 13 april 2021 besloot de commissie het voorstel in behandeling te nemen. Na ontvangst van het BNC-fiche zal het onderwerp opnieuw geagendeerd worden. Enkele fracties gaven te kennen daarna inbreng te willen leveren voor schriftelijk overleg.


Behandeling Tweede Kamer

Op 5 juli 2021 stuurde de commissie J&V een brief aan de ministers van J&V en voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van J&V onder andere naar aanleiding van de geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad van 15-16 juli 2021. Op 7 juli 2021 zijn de vragen beantwoord en op 12 juli 2021 werd het verslag schriftelijk overleg (32.317, 702) vastgesteld. De commissie stelde onder meer vragen over de EU-kinderrechtenstrategie en vroeg naar de bijdrage van de Europese Commissie aan gespecialiseerde justitiële opleidingen en naar best practices in andere lidstaten wat betreft kindvriendelijke rechtsprocedures.

Op 1 juni 2021 stuurde de commissie VWS een brief met vragen aan de staatssecretaris van VWS naar aanleiding van het BNC-fiche over het voorstel. Op 6 juli 2021 stuurde de minister een antwoord. Op 7 juli 2021 werd het verslag schriftelijk overleg vastgesteld (22.112, 3151). Op 8 september 2021 nam de commissie nam het verslag schriftelijk overleg voor kennisgeving aan.

Op 12 mei 2021 stuurde de commissie OCW een brief met vragen aan de minister van OCW over onder andere de EU-strategie voor de rechten van het kind. De minister stuurde op 31 mei 2021 een antwoord (21.501-34, 363). De commissie vroeg hoe de Raadsconclusies met betrekking tot kansengelijkheid en inclusie in het onderwijs zich tot de EU-strategie voor de rechten van het kind verhouden. De minister geeft aan dat de EU-strategie voor de rechten van het kind meer terreinen omvat, zoals kindvriendelijke justitiële procedures en ontwikkelingssamenwerking.

Op 20 april 2021 besloot de commissie VWS het voorstel te betrekken bij het te zijner tijd te houden schriftelijk overleg over het nog te ontvangen BNC-fiche.


Standpunt Nederlandse regering

Op 30 april 2021 ontving de Kamer een BNC-fiche over de mededeling en de aanbeveling.

COM(2021)142

Het kabinet geeft aan dat een groot aantal EU-lidstaten zich positief heeft uitgelaten over het voorstel. Het Europees Parlement heeft nog geen formeel standpunt ingenomen, maar naar verwachting van het kabinet bestaat er brede steun voor dit voorstel.

Het kabinet beoordeelt de grondhouding ten aanzien van de bevoegdheid positief. Hierbij geeft het kabinet aan dat in artikel 3, derde lid van het Verdrag betreffende de Europese Unie is neergelegd dat de EU tot doel heeft de bescherming van de rechten van het kind te bevorderen. Dit komt ook terug in de artikelen 24 en 32 van het Handvest van de Grondrechten van de EU, waarbij in artikel 24 de rechten van het kind worden gegarandeerd en in artikel 32 het verbod van kinderarbeid en de bescherming van jongeren op werk is opgenomen. Het kabinet geeft aan dat de mededeling betrekking heeft op vele beleidsterreinen, zoals het sociaal beleid, de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport en de bescherming, verbetering van de menselijke gezondheid en ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp. Op het terrein van het sociaal beleid en de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht heeft de EU een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, sub b en sub j, VWEU). Op het terrein van onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport en de bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid is de EU bevoegd het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen (artikel 6, sub a en sub e, VWEU).

De grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit beoordeelt het kabinet ook als positief. De strategie heeft naar inziens van het kabinet tot doel het centraal stellen van kinderen bij het opstellen van relevant (EU-)beleid. Gelet op dit doel heeft het volgens het kabinet meerwaarde dat op EU-niveau actie op dit terrein wordt ondernomen, zodat een eventueel verschil in rechten tussen kinderen die in verschillende lidstaten verblijven, wordt geminimaliseerd.

De grondhouding ten aanzien van de proportionaliteit beoordeelt het kabinet ook als positief. Het kabinet is van mening dat de strategie geschikt is om bij te dragen aan de verwezenlijking en versterking van kinderrechten. Hiermee biedt de Commissie namelijk op passende wijze ondersteuning aan lidstaten om bij de uitvoering van EU-beleid kinderrechten na te leven en bevorderen. De Europese Kinderstrategie gaat daarbij naar mening van het kabinet niet verder dan noodzakelijk.

COM(2021)137

Volgens het kabinet kan de Raadsaanbeveling rekenen op brede steun van EU-lidstaten, alsmede van het Europees Parlement. Wel geeft het kabinet aan dat een aantal lidstaten hebben aangegeven dat de aanbeveling voldoende ruimte dient te laten voor bestaande nationale kaders. Daarnaast hebben enkele lidstaten aandacht gevraagd voor het respecteren van de bevoegdheidsverdeling.

Het kabinet geeft aan dat het voorstel is gebaseerd op artikel 292 VWEU, op basis waarvan de Raad aanbevelingen kan vaststellen op basis van een voorstel van de Commissie op gebieden waarvoor de EU bevoegd is, in samenhang met artikel 153, lid 1 sub j en artikel 153, lid 2 VWEU. Op grond van artikel 153, lid 1 sub j, VWEU kan de Unie het optreden van de lidstaten ondersteunen en aanvullen op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting. Artikel 153, lid 2 VWEU bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad te dien einde maatregelen kunnen aannemen die erop gericht zijn de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen. Het kabinet acht dit de juiste rechtsgrondslag.

De grondhouding ten aanzien van de subsidiariteit beoordeelt het kabinet als positief. De aanbeveling heeft volgens het kabinet tot doel sociale uitsluiting te voorkomen en te bestrijden door de toegang van kinderen in nood tot een reeks essentiële diensten te waarborgen. Kinderen die in armoede leven of kinderen uit kansarme milieus hebben volgens het kabinet meer kans op barrières bij de toegang tot voor- en vroegschoolse educatie en -zorg, inclusief onderwijs, gezondheidszorg, gezonde voeding en adequate huisvesting. Het kabinet ziet daarom de meerwaarde dat de EU er bij lidstaten op aandringt hun inspanningen ter bevordering van het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen te verbeteren.

De grondhouding ten aanzien van de proportionaliteit beoordeelt het kabinet ook als positief. Het gaat volgens het kabinet om een juridische niet-bindende handeling. Het voorstel is daarom volgens het kabinet geschikt om lidstaten te ondersteunen bij het nemen van maatregelen ten aanzien van de bevordering van de toegang van kinderen in nood tot een reeks essentiële diensten, en kan naar inziens van het kabinet een aanvulling vormen op de nationale aanpak van sociale uitsluiting van kinderen. Ook biedt het voorstel volgens het kabinet ruimte voor een gedifferentieerde aanpak die de nationale, regionale of lokale situaties van de lidstaten weerspiegelt. Daarmee gaat het voorstel volgens het kabinet niet verder dan noodzakelijk.


Samenvatting voorstel Europese Commissie

Met de mededeling 'EU-strategie voor de rechten van het kind’ (COM(2021)142PDF-document) krijgen kinderen en hun belangen een centrale plaats binnen het EU-beleid. De strategie is erop gericht alle bestaande en nieuwe EU-wetgevings-, beleids- en financieringsinstrumenten die raken aan kinderrechten in één alomvattend kader samen te brengen. De Kinderrechtenstrategie bevat acties op zes thematische gebieden en is verankerd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en de drie facultatieve protocollen daarbij, en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Het gaat om de volgende zes thema’s:

  • 1. 
    Deelname aan het politieke en democratische leven (kindvriendelijke versies van o.a. het EU-Handvest van de grondrechten en deelname aan Conferentie over de toekomst van Europa);
  • 2. 
    Sociaaleconomische inclusie, gezondheid en onderwijs (invoering van een Europese kindergarantie die ervoor moet zorgen dat kinderarmoede en sociale uitsluiting wordt bestreden);
  • 3. 
    Bestrijden van geweld tegen kinderen en waarborgen van kinderbescherming (voorstellen tot wetgeving om gendergerelateerd en huiselijk geweld aan te pakken);
  • 4. 
    Kindvriendelijke rechtsprocedures (o.a. bijdragen aan gespecialiseerde justitiële opleidingen en een voorstel voor wetgeving dat de wederzijdse erkenning van ouderschap tussen lidstaten ondersteunt);
  • 5. 
    Digitale en informatiemaatschappij (ondersteuning van digitale basisvaardigheden en aanpak van schadelijk onlinegedrag);
  • 6. 
    Internationale dimensie (zoals het tegengaan van kinderarbeid en meer geld voor onderwijs).

Ten behoeve van het tweede thema heeft de Commissie, tegelijk met de mededeling voor de Kinderrechtenstrategie, een voorstel voor een aanbeveling tot instelling van een Europese kindergarantie (COM(2021)137PDF-document) uitgebracht. In het kader van de Europese kindergarantie worden de lidstaten onder meer verzocht om kinderen in nood gratis en doeltreffende toegang te bieden tot gezondheidszorg, onderwijs en schoolactiviteiten en ten minste één gezonde maaltijd per schooldag.


Behandeling Raad

Tijdens de JBZ-Raad van 15-16 juli 2021 (32.317, MH) vond een discussie plaats over kindvriendelijke rechtsprocedures. De minister voor Rechtsbescherming gaf aan dat Nederland veel waarde hecht aan kindvriendelijke procedures. De EU-lidstaten willen zich richten op het uitwisselen van best practices , maar de flexibiliteit behouden om met nationaal beleid invulling te geven aan de kinderrechtenstrategie.

Tijdens de JBZ-Raad van 7-8 juni 2021 (32.317, MF) gaf de Europese Commissie een presentatie over het voorstel.

In de databank EUR-Lex wordt de laatste stand van zaken in de Europese behandeling van het voorstel weergegeven.


Behandeling Europees Parlement

De commissie voor justitie en binnenlandse zaken (LIBE) behandelt het voorstel. De commissies voor buitenlandse zaken (AFET), ontwikkelingssamenwerking (DEVE), werkgelegenheid en sociale zaken (EMPL), milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (ENVI), cultuur en onderwijs (CULT), juridische zaken (JURI) en de commissie voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM) zijn ingesteld als adviescommissies.

In de databank OEIL van het Europees Parlement wordt de laatste stand van zaken in de behandeling van het voorstel weergegeven.


Standpunten andere lidstaten (IPEX)

Op 21 juli 2021 nam de Tsjechische Senaat een resolutiePDF-document aan over het voorstel voor een aanbeveling inzake de Europese kindergarantie (COM(2021)137). De Senaat steunt de het voorstel en roept de Tsjechische regering op maatregelen op nationaal niveau te nemen om kinderen in nood te helpen. De resolutie is verzonden aan de Europese Commissie.


Alle bronnen