Kabinetscrisis 1999



17 en 18 mei 1999, debat Eerste Kamer, pdc

In de nacht van 17 op 18 mei 1999 verwierp de Eerste Kamer het wetsvoorstel tot herziening van de Grondwet met betrekking tot de invoering van het correctief referendum (26.156). Het voorstel kreeg net niet de vereiste tweederde meerderheid.

Tot de tegenstemmers behoorden behalve de oppositiefracties van CDA, SGP, GPV, RPF en het lid Batenburg, ook de VVD'er Hans Wiegel. Hij had, samen met drie anderen (Heijne Makkreel, Van Graafeiland en Van Eekelen), ernstige bezwaren tegen het wetsvoorstel, maar hield dit verzet als enige tot het einde toe vol. Wiegel zag in invoering van het correctief referendum een aantasting van het stelsel van parlementaire democratie.

Het wetsvoorstel werd verdedigd door minister Peper. Aan het slot van het debat deed premier Kok namens het kabinet een beroep op de kamerleden om het voorstel te aanvaarden. Hij sprak daarbij echter niet het onaanvaardbaar uit.

De verwerping van het wetsvoorstel was voor de D66-bewindslieden reden om hun ontslag in te dienen. De overige ministers stelden daarop hun portefeuilles ter beschikking. Na een bemiddeling door de vice-president van de Raad van State, Tjeenk Willink, kwamen de bewindslieden op 3 juni terug op hun ontslagaanvrage c.q. het ter beschikking stellen van de portefeuilles.

bron: Handelingen EK 1998/99 nr. 30