Toetsing uitvoerbaarheid wetgeving te eenzijdig



15 mei 2007

De toetsing van ministeries om de uitvoering van voorgenomen wetgeving beter te laten aansluiten bij de behoeften van de burger is te eenzijdig. De toetsing is vooral gericht op het inventariseren van mogelijke afbreukrisico's en invoeringskosten voor de overheid, maar juist niet op het beantwoorden van de vraag of een voorgenomen wet wel leidt tot de maatschappelijk gewenste effecten. Tot die conclusie komt de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Hoge Colleges van Staat van de Eerste Kamer in haar rapport 'Naar een zichtbaar effectieve wisselwerking tussen beleid en uitvoering'PDF-document. Vandaag is het rapport in de Eerste Kamer gepresenteerd en aangeboden aan de minister Ter Horst van Binnenlandse Zaken.

De Eerste Kamercommissie doet in haar rapport tien aanbevelingen aan de regering die moeten leiden tot een betere wisselwerking tussen beleid en uitvoering. Zo vindt zij het van essentieel belang dat uitvoeringsinstanties in een zo vroeg mogelijk stadium moeten worden betrokken bij het beleids- en wetgevingsproces. Verder is de door de ministeries gehanteerde definitie van uitvoerbaarheid te beperkt. Die moet niet alleen gericht zijn op de juridische en technische gevolgen van een wetsvoorstel, maar juist en vooral op wat nodig is om de gewenste effecten voor de samenleving en individuele burgers te bereiken.

Consistent, realistisch en actueel

Ook wil de Eerste Kamer dat vooraf duidelijk is of voorgenomen beleid of een wetsvoorstel consistent, realistisch, juist en actueel is en of er voldoende draagvlak is bij uitvoeringsinstanties en de doelgroep. Hoewel de regering in haar memorie van toelichting op wetsvoorstellen wel aangeeft wie zij vooraf heeft geraadpleegd en wanneer, wil de senaat juist weten wat het commentaar van de direct betrokkenen was. De regering moet regelmatiger worden aangesproken op meerjarige wetgevingsprogramma's, de samenhang ertussen en de langetermijnvisie.

Pilots

De Eerste Kamer zou ook graag zien dat de regering meer gebruik maakt van pilots die het mogelijk maken om de kwaliteit van beleid en wetgeving op bescheiden schaal te testen. Wetten zouden bovendien voorzien moeten worden van een horizonbepaling om wetgeving te beëindigen als zij niet meer past in de uitvoeringspraktijk. Verder moeten beleidsmakers de Europese ontwikkelingen beter volgen en de politiek en de uitvoeringsinstanties daarbij betrekken. Tot slot beveelt de Eerste Kamercommissie de regering aan om nader onderzoek te doen naar de gevolgen van het feit dat wetten verschillende functies hebben.

Moties

Het rapport is een vervolg op het rapport 'Tussen beleid en uitvoering' uit 2004 van de Algemene Rekenkamer. Die constateerde destijds dat het de regering en het parlement ontbreekt aan informatie over hoe een wetsvoorstel in de voorbereidingsfase precies tot stand komt en welke gevolgen een voorgenomen wet heeft voor uitvoeringsinstanties en burgers. Dat gaf de Eerste Kamer aanleiding een eigen onderzoek te starten en een debat hierover te voeren met de regering. Tijdens dat debat, dat plaatsvond op 14 september 2004, aanvaardde de senaat Kamerbreed twee moties (EK 28.831, B en EK 28.831, C) die de regering opriepen tot een andere werkwijze. Hoewel de regering meteen haar goede wil heeft uitgesproken, blijken de maatregelen om aan die moties te voldoen tot op heden weinig bemoedigend, zo concludeert de Eerste Kamercommissie nu. Uitvoerbaarheid van voorgenomen wetten is naast rechtmatigheid en handhaafbaarheid één van de belangrijkste criteria waarop de Eerste Kamer wetsvoorstellen beoordeelt.

Sociale media menu


Deel dit item: