Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair Schouwenaar bij voortzetting behandeling Bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek



Verslag van de vergadering van 8 april 2014 (2013/2014 nr. 26)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 18.59 uur


De heer Schouwenaar (VVD):

Voorzitter. Mijn eerste punt betreft de beperking van het grondrecht. Wij vinden dat het om een ernstige problematiek gaat, die de aanleiding vormt voor de overweging of een beperking van het grondrecht gerechtvaardigd is. Tegelijkertijd zijn er ook waarborgen. Het moet gaan om een ultimum remedium; er moet samenhang met andere maatregelen zijn; andere maatregelen moeten tekortgeschoten zijn. Wij menen dat dit het geval is in Rotterdam, met name in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid, dat nu, meen ik, twee jaar draait. Een tweede waarborg, als ik het zo noemen mag, is dat er voldoende mogelijkheden moeten zijn om passende huisvesting te vinden binnen de regio. De vraag die ik daarover wil stellen, is: lukt dat inderdaad? De minister heeft een percentage genoemd van woningen die niet onder dit regime vallen. Dat is een hoog percentage. Wordt er actief bemiddeld, bijvoorbeeld in de vorm van urgentie, zodat dit werkelijk slaagt? Een derde punt dat wijst op een beperking van de inbreuk op het grondrecht is dat er, na zes jaar van woonachtig zijn in de regio, niet meer geweigerd kan worden.

Juridisch heeft deze wetsbepaling stand gehouden. Nu zegt dat niet alles, maar wel veel. In de memorie van antwoord zijn volgens mij cijfers genoemd. Van de 164 bezwaarschriften is het merendeel teruggetrokken of afgewezen; uiteindelijk zijn 10 bezwaren gegrond verklaard door het college van B en W en 1 door de rechtbank. Dat is een indicatie dat het ook met de juridische houdbaarheid van het beperken van het grondrecht in orde is.

Een tweede belangrijk punt is dat er gerede twijfel is of de wet werkt en effectief is. De indicatoren geven inderdaad een verschillend beeld. Daar komt nog bij dat het gaat om gestapelde problemen enerzijds en een heel pakket aan maatregelen anderzijds. Ik kan mij voorstellen dat het uit onderzoekstechnisch oogpunt heel moeilijk, zo niet onmogelijk is om dat precies per probleem en per maatregel aan elkaar te linken en dan ook nog aan te geven in hoeverre zo'n specifieke maatregel uit dat pakket voor een specifiek probleem geholpen heeft. Daar komt bij dat je ook de onderzoeksvraag kunt stellen wat er gebeurd zou zijn als we geen maatregelen hadden getroffen. Ik heb daarover gesproken met enkelen van de scribenten van de onderzoeken die wij toegestuurd gekregen hebben. Zij wijzen er met nadruk op — ik deel die conclusie — dat er eigenlijk geen eenduidige conclusie te verbinden is aan deze onderzoeksrapporten, noch in positieve, noch in negatieve zin. Daarvoor is de materie te complex.

Een derde punt is de tijdelijkheid. Wij kunnen ons heel goed voorstellen dat de tijdelijkheid van de maatregel destijds is gesteld op acht jaar. Wij kunnen echter ook begrijpen dat Rotterdam nu feitelijk zegt: nu wij acht jaar bezig zijn, waarvan de laatste twee jaar bijzonder intensief in het kader van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid, komen wij tot de slotsom dat wij meer tijd nodig hebben. In Rotterdam zegt men: die wijken raken meer en meer in balans en minder uit balans, maar wij hebben ze nog lang niet goed in balans gekregen. Dit gebeurt mede naar aanleiding van de commissie-Deetman, maar, zo neem ik aan, niet alleen omdat de heer Deetman dat gezegd heeft. De hele besluitvormingsprocedure van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid is er ook overheen gegaan. Men is uiteindelijk op een maximum van twintig jaar gekomen. Dat lijkt ons lang, maar niet onredelijk. Ook hiervoor geldt dat het aanwijzingsbesluit een aantal waarborgen bevat, zoals het onderzoek dat de gemeenteraad moet verrichten naar de samenhang met andere maatregelen. Het is geen gratuit verzoek; de gemeente moet echt aan de slag. Dan is er de toets van BZK. Wij hebben de indruk dat de minister van BZK niet bang is om een nadere motivatie te vragen of, zo nodig, nee te zeggen.

De voorzitter:

Kunt u afronden?

De heer Schouwenaar (VVD):

Ja, ik was net bij mijn laatste punt, de conclusie. Er zijn dus geen eenduidige conclusies te trekken, maar wij moeten wel een besluit nemen. Geen besluit is in deze situatie ook een besluit. Mijn fractie meent dat we niet moeten stoppen. Dan zou er te veel werk voor niets gedaan zijn. Rotterdam vraagt om tijd. Die willen wij bieden, vooral gelet op de urgentie van de problemen. Dat geeft geen garantie dat het helpt, maar wel hebben wij het vertrouwen dat de bevoegdheden in goede handen zijn voor een lange, maar noodzakelijke periode en dat er redelijke eisen en beperkingen gesteld worden bij de uitvoering.