Plenair De Boer bij voortzetting behandeling BW/Algemene wet gelijke behandeling



Verslag van de vergadering van 27 mei 2014 (2013/2014 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 20.52 uur


Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de indieners en de minister voor de beantwoording. Ik ben bijzonder ingenomen met het sterke verhaal van mevrouw Dijkstra over de verschillende vormen van tolerantie, over de vraag of je tolerant moet zijn tegenover intolerantie, en over de verschillende posities ten aanzien van de eigen principiële stellingname en de verwachting dat de ander dat maar praktisch moet oplossen. Ik denk dat dit een goede analyse is van het debat over deze kwestie.

Wij kiezen met de indieners voor de principiële opstelling dat de overheid en daarmee de ambtenaar die optreedt als bestuursorgaan, geen onderscheid mag maken tussen burgers. Van het feit dat dit onderscheid wordt gemaakt, hebben die burgers wel degelijk last. Ja, iedereen kan worden getrouwd, maar je voelt je echt niet gelijk behandeld als de gemeente je ter voorbereiding van je huwelijk een overzicht geeft van de beschikbare ambtenaren van de burgerlijke stand, terwijl bij sommige ambtenaren expliciet staat vermeld dat hij of zij geen personen van gelijk geslacht huwt. Als homo voel je je dan gediscrimineerd en terecht.

Ik snap dat de indieners ervoor hebben gekozen om het probleem van de zittende weigerambtenaren niet expliciet op te nemen in dit wetsvoorstel. Het probleem dat ik nu schets van gemeenten die onderscheid blijven maken, ook in hun externe communicatie, wordt met dit wetsvoorstel nog niet helemaal opgelost. De vraag wat te doen met de zittende ambtenaren, wordt aan de gemeenten overgelaten. Ik snap die keuze. Ik vind het jammer. Heeft de minister de intentie om nog iets te doen in de richting van die gemeenten, om sturend op te treden, om de discussie aan te gaan en hen te suggereren daarop beleid te maken? Dat was het eerste onderdeel.

De meer juridische beantwoording door de heer Schouw vond ik over het algemeen bevredigend. Ik heb nog een enkel punt over de bepaling in de Algemene wet gelijke behandeling. Over het uitzonderen van situaties waarin onderscheid gemaakt wordt van de werking van de Algemene wet gelijke behandeling — dat is immers wat er gebeurt — blijven wij, denk ik, principieel van mening verschillen. Het is de intentie van de indieners om een robuust wetsvoorstel in te dienen. Ook wij willen een robuust wetsvoorstel, dat echt gaat doen wat het moet doen. Naar ons oordeel is de desbetreffende bepaling daarvoor niet noodzakelijk, maar goed, ook daarover zullen wij van mening blijven verschillen. Wij zijn wel blij met de toezegging van de minister dat hij bij de eerstkomende wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling het voorstel zal doen om de desbetreffende bepaling uit de wet te halen. Het is jammer dat de minister nu niet wil onderzoeken of de taak van de ambtenaar van de burgerlijke stand beperkt kan blijven tot de wettelijke taak, dus de wettelijke vereisten, maar ook daarover moeten wij wellicht op een ander moment maar eens spreken, want dat gaat niet echt over dit wetsvoorstel.

Met mevrouw Van Bijsterveld heb ik het graag eens over de beslissing die ook ik genomen heb om tijdens de inhuldiging van de Koning de eed niet af te leggen. Ik kan wel vast zeggen dat er bij mij geen sprake was van gewetensbezwaren. Bovendien heb ik met deze beslissing volgens mij niemand gediscrimineerd. Voor het overige ga ik daarover graag een keer in gesprek.

In eerste termijn heb ik mij wellicht nog wat voorzichtig uitgelaten over dit wetsvoorstel; niet over de intenties, maar wel over de vraag hoe wij zullen stemmen. Ik kan nu wel zeggen dat mijn fractie vol overtuiging voor dit wetsvoorstel zal stemmen. Wij willen nogmaals onze bijzondere dank uitspreken aan de initiatiefnemers voor het indienen en op een mooie manier verdedigen van dit wetsvoorstel.