Plenair De Lange bij behandeling Participatiewet en Wet werk en bijstand



Verslag van de vergadering van 24 juni 2014 (2013/2014 nr. 35)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 10.39 uur


De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Laat me beginnen met een vreugdevolle mededeling: ik zal niet de geplande volle 30 minuten nodig hebben. Daar is een aantal redenen voor. Allereerst behandelen we twee nauw verwante wetsvoorstellen nu samen, dus kan ik met een kortere inleiding volstaan. Voorts is dit wetsvoorstel er een in een reeks van wetsvoorstellen die onder het voorwendsel van noodzakelijke bezuinigingen, op hun eigen manier maar met dezelfde tekortkomingen, de sociale zekerheid in ons land op de schop nemen en de onderkant van onze samenleving hard treffen. De samenhang tussen de ingediende wetten is dikwijls ver te zoeken. Mogelijke cumulatie-effecten raken daardoor uit het zicht. De bezwaren van mijn fractie tegen dit soort voorstellen zijn bij diverse gelegenheden in de Eerste Kamer nadrukkelijk naar voren gebracht, en het heeft geen zin alsmaar in herhaling te vervallen. Ik kan dus betrekkelijk kort zijn en verwijzen naar eerdere debatbijdragen. Maar toch even wat kernpunten die de opvatting van mijn fractie markeren.

Mijn fractie maakt zich grote zorgen over de keuzes die dit kabinet voortdurend maakt en de wijze waarop die keuzes alsmaar doorgezet worden. Allereerst wordt steeds duidelijker dat dit kabinet van neoliberalen en neosocialisten vooral een regering voor de beter gesitueerden in onze samenleving is. Zo is het handhaven van de hypotheekrenteaftrek voor bestaande gevallen vanuit een oogpunt van evenwichtige behandeling van burgers niet verdedigbaar, en dit blijft mijn fractie een doorn in het oog. Waar de regeling bedoeld was om starters een steuntje in de rug te geven, is die haar doel ver voorbijgeschoten en verworden tot een uitermate kostbare subsidie voor "meervermogenden", om Marten Toonder te parafraseren. Ook de voortdurende nadruk van dit kabinet op allerlei douceurtjes voor werkenden met middelbare of hogere inkomens past precies in dit plaatje.

Er zijn te veel andere zaken die dit beeld verder bevestigen. Dat er met de moraal en de cultuur in de financiële sector veel mis is, wie kan het nog ontkennen? De bonuscultuur en de buitensporige salarissen en emolumenten die aan de bovenbazen van allerhande financiële instellingen zoals banken betaald worden, vormen de belangrijkste oorzaken voor de nog steeds voortwoekerende financiële crisis. Aan die analyse is geen ontsnappen mogelijk. Over de stuitende bestuurscultuur bij te veel instellingen met een maatschappelijk doel, zoals volkshuisvesting en gezondheidszorg, praten we dan maar niet eens. Maar wat doet dit kabinet met die wijsheid? ABN AMRO kon alleen gered worden met ons belastinggeld, en is nog steeds in handen van ons allemaal. Gerrit Zalm werd speciaal aangesteld om onze staatsbank te leiden. Nu de minister van Financiën eindelijk met een voorstel komt om de hoogte van bonussen, en dus daarmee de overmatige salarissen in de sector in te perken, fietst onze bankbaas er tussendoor, trekt een lange neus naar de belastingbetaler die voor alles opdraait, en verhoogt onbeschaamd de vaste beloningen ter compensatie. Waarom neemt de minister geen harde maatregelen? Wat mijn fractie betreft is de uiterste houdbaarheidsdatum van deze zalm overschreden en kan hij weer terug in de Rijn. Jammer dat je de rekening bij die bank maar één keer kunt opzeggen.

Het kabinet meent dat bezuinigen de beste weg uit de crisis is. Toch moet daarbij een curieuze observatie gemaakt worden. Waar het bezuinigingsbeleid in eigen land aantoonbaar uitermate kwalijke economische gevolgen heeft gehad en nog steeds heeft voor zaken als pensioenen, koopkracht, werkgelegenheid en financiële bestedingen van burgers, heeft het de regering altijd ontbroken aan zelfkritiek. Het is dan ook verbazend, en eigenlijk ook treurig en erger dan inconsequent, als Diederik Samsom, politiek leider van een van de regeringspartijen, in Europees verband bepleit om landen als Italië en Frankrijk, al decennialang berucht om hun gebrek aan financiële discipline, meer respijt te geven om hun zaken op orde te brengen. Je zult maar je baan, bijvoorbeeld bij de massaontslagen in de zorg, verloren hebben als gevolg van de Nederlandse irrationele bezuinigingsdrift. Dat is toch om razend van te worden? Maar goed, je kunt altijd nog groente en fruit gaan telen in je aalmoestuintje.

Het treurig stemmende beeld dat oprijst en dat helaas vrijwel elke dag bevestigd wordt, is dat van een samenleving voor schaamteloze egoïsten die, nauwelijks geremd door een steeds verder terugtredende overheid, aan ernstige zelfoverschatting lijden en zelfzucht en eigenbelang tot levensmotto verheven hebben, terwijl de maatschappelijke rekeningen gedeponeerd worden bij diegenen die het aan weerstand ontbreekt en die toch al minder bedeeld zijn. Dat dit leidt tot maatschappelijk onbegrip, weerzin en tegenstand bij steeds meer mensen kan iedereen die zijn ogen open heeft waarnemen. Een regering die meent het zonder moreel kompas te kunnen stellen, brengt de politiek in diskrediet, is gedoemd te falen en heeft in feite al gefaald. Een dergelijk beleid verdient geen steun.

Terug naar de reeks van wetsvoorstellen waarvan die van vandaag deel uitmaken. Door een regeerakkoord te sluiten waarbij men even vergat dat er ook nog een Eerste Kamer was, heeft het kabinet langdurige frustratie en stagnatie over zichzelf afgeroepen. Iedere keer weer dienen er ten koste van zeer veel tijd wisselende meerderheden voor wetsvoorstellen bij elkaar gesprokkeld te worden. Daartoe worden in de Tweede Kamer onderhandelingen gevoerd met partijen die nooit het regeerakkoord onderschreven hebben, maar die voor een appel en een ei te koop zijn en wat kruimels toegeworpen krijgen.

Onderhandelingen in achterkamertjes zijn tot beleid verheven. Partijen die na langdurig gepalaver de regering willen steunen, worden juichend betiteld als de "constructieve oppositie", daarmee suggererend dat partijen die zich hiervoor niet lenen niet constructief zouden zijn. Taalvervuiling van de eerste orde natuurlijk, maar dat is in feite nog niet alles.

Ik kom nu tot een kernpunt van wezenlijk belang. Door te onderhandelen in de Tweede Kamer, waar het kabinet al een meerderheid heeft, wordt gesuggereerd dat automatisch de "constructieve" fracties in de Eerste Kamer in de houding zullen springen en doen wat van hen verwacht wordt, namelijk voorstemmen. Hoewel die partijen natuurlijk vervolgens bij hoog en bij laag beweren dat zij hun eigen onafhankelijke afwegingen maken in de Eerste Kamer, is het merkwaardig dat alleen wetsvoorstellen waarvoor op die manier de weg geplaveid is, ingediend worden. De fusieplannen om te komen tot een superprovincie Flutland zullen precies om die reden de Tweede Kamer niet bereiken.

In het integriteitdebat van vorige week is dit punt door collega De Vries van het CDA weer eens nadrukkelijk aan de orde gesteld. Nog los van de integriteitsaspecten wordt door deze steeds terugkerende manier van politiek bedrijven in de perceptie van de burger het bestaansrecht van de Eerste Kamer voortdurend ondermijnd ten bate van kortstondig politiek gewin. Hoezo een Eerste Kamer die, zoals het haar betaamt, onafhankelijke afwegingen maakt ten aanzien van kwaliteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wetgeving? Als je het staatsbestel wilt ondermijnen, is de nu heersende praktijk een effectieve manier om dat te doen.

De wetsvoorstellen in de reeks waar we nu over spreken, zijn allemaal onderdeel van een enorme decentralisatieoperatie die voor zeer veel burgers vergaande gevolgen heeft of zal hebben. Over de problemen die hierbij optreden en nog zullen optreden, kom ik te spreken. Wat opvalt, is dat deze grootschalige operaties in heel veel opzichten parallellen vertonen met de grote privatiserings- en verzelfstandigingsoperaties uit het verleden. In het rapport "Verbinding verbroken?" van de parlementaire onderzoekscommissie die door de Eerste Kamer is ingesteld, worden behartenswaardige dingen geschreven die ook op de problematiek van decentralisatie vrijwel onverkort van toepassing zijn. Toch gebeurt dat niet, en dat mag verbazen. Niettemin ontbreken bij de decentralisatieplannen doorgaans de nulmetingen, en worden de diverse procesmatige aanbevelingen uit dit rapport simpelweg in de wind geslagen.

De heer Terpstra (CDA):

Ik wil de heer De Lange graag een vraag stellen als oud-medelid van diezelfde commissie-Kuiper. Uit het rapport van de commissie-Kuiper blijkt dat de socialezekerheidsuitvoeringsorganen waarover wij het vandaag hebben, in de vorige eeuw zijn genationaliseerd. Nu vraag ik me af hoe de heer De Lange een les kan trekken over decentralisatie als je een groot bedrijf nationaliseert. Dat is mij niet helemaal duidelijk geworden.

De heer De Lange (OSF):

Daarover valt een heleboel te zeggen. Een van de casussen die uitgebreid door de commissie-Kuiper aan de orde zijn gesteld gaat ook over het feit dat zaken als re-integratie in het arbeidsproces in het verleden in handen waren van de sociale partners maar dat zij nu op een andere plaats zijn ondergebracht. Bij dat proces zijn zeer veel problemen opgetreden. Die problemen zijn door de commissie-Kuiper niet alleen onder ogen gezien maar ook geanalyseerd en vervolgens voorzien van aanbevelingen om dit soort zaken, dit soort fouten, dit soort tekortkomingen in de toekomst te beperken.

Het dunkt mij dat als wij spreken over alle veranderingen op het punt van decentralisatie, alle veranderingen op het punt van sociale wetgeving waarmee wij op het ogenblik te maken hebben, die procesmatige kant, waarvoor in het rapport-Kuiper zeer veel aandacht is gevraagd, op zeer vergelijkbare wijze een rol speelt bij de wetgeving waarover wij de laatste en de komende week spreken. Mijn betoog houdt in dat het erg verstandig zou zijn om die procesmatige kant, en de problemen die daarmee hopelijk kunnen worden vermeden, een rol te laten spelen, ook bij de wetsvoorstellen waarover wij vandaag spreken. Dat, betoog ik, is helaas niet het geval. Dank u voor uw vraag, dit lijkt mij een belangrijk punt.

De conclusie zou dus kunnen zijn dat we helaas niets hebben geleerd met zijn allen. En de commissie had nog wel zo'n mooie taak voor de minister van Binnenlandse Zaken bedacht. Te druk waarschijnlijk, maar waarmee eigenlijk?

Ik sprak eerder over de keuzes die dit kabinet maakt om zijn gewenste bezuinigingen te realiseren. Die keuzes komen te vaak neer op grootschalige bezuinigingen op de sociale zekerheid die tot dusver een beschavingssymbool van de Nederlandse samenleving was. Deze voorstellen raken vooral burgers aan de onderkant van de samenleving die hun koopkracht zien verminderen door allerhande maatregelen die in elk geval gemeen hebben dat bezuiniging het leidende thema is. Daarnaast worden rationalisaties aangevoerd die dikwijls niet of nauwelijks overtuigen. Dat is ook geen wonder als bezuinigen de echte motivatie is.

Het taalgebruik bij de wetsvoorstellen is vaak symptomatisch en verdient hier en daar nadere analyse. Al eerder heb ik gewezen op de implicaties van de term "activerend beleid". Kennelijk gelooft dit kabinet dat je mensen met een uitkering de financiële duimschroeven moet aandraaien voordat ze tot enige vorm van actie komen. Ook lezen we op de website van het ministerie van SZW: "Door uit te gaan van zelfredzaamheid en talent, komt iemand met eigenwaarde en kracht makkelijker uit een moeilijke situatie." Bij implicatie ontbreekt het iemand die zelf niet uit een moeilijke situatie kan komen dus in de visie van de minister aan zelfredzaamheid, talent, eigenwaarde en kracht. Het zal je maar gezegd worden.

Wat zijn de kernproblemen bij de grote decentralisatieoperaties waarbij een groot aantal taken onder de verantwoordelijkheid en uitvoering van gemeenten wordt gebracht? Omdat bezuinigen de voornaamste doelstelling is, gaat deze overgang gepaard met grote financiële kortingen. Helaas is een typisch kenmerk van grote veranderingen dat het doorgaans gedurende de overgangsperiode meer kost dan voor die tijd. Daarvoor is geen budget aanwezig. Verder dienen gemeenten die grote nieuwe taken op hun bord krijgen, de tijd te krijgen zich hierop voor te bereiden. De wetsvoorstellen kenmerken zich echter vooral door grote haast, dus die tijd is niet beschikbaar. Dat krijg je als je veel tijd moet verdoen in stroperige "constructieve" onderhandelingen vooraf. Waar gaan gemeenten dus de benodigde gespecialiseerde kennis vandaan halen als binnen de gemeentelijke organisatie die kennis nog niet of nauwelijks aanwezig is? Wie gaat deze mensen opleiden en hoe lang gaat dat duren? Bovendien is door gebrek aan normering de kans op rechtsongelijkheid groot, omdat identieke gevallen in verschillende gemeenten verschillend zullen worden beoordeeld.

Dezelfde haast waarmee gemeenten nieuwe taken door de strot geduwd krijgen, is overigens ook problematisch in de manier waarop deze regering met de Eerste Kamer omgaat. De dossiers bestaan doorgaans uit vele honderden pagina's — de stapels op de tafel van de heer Thissen geven een indicatie — en ondanks het feit dat het lidmaatschap van de Eerste Kamer een deeltijdfunctie is, komen tot zeer kort voor het debat nog allerhande stukken binnen die relevant zijn voor de besluitvorming. In de visie van mijn fractie ga je zo niet om met een deel van de volksvertegenwoordiging. Niet als je tenminste prijs stelt op kwalitatief goede, uitvoerbare en handhaafbare wetgeving. Maar ook het feit dat de uitkomst van het debat vooraf bedisseld is door handjeklap in de Tweede Kamer dient niet bepaald als aanmoediging. En zo wordt de complementaire en essentiële rol van de Eerste Kamer systematisch uitgehold. Tot schade van ons staatsbestel.

Een centraal probleem waar dit kabinet luchtig overheen loopt is dat van de werkgelegenheid, met name aan de onderkant van de samenleving. De rol van werk, de noodzaak om tot werken te activeren, de noodzaak om werken lonend te maken, de stukken staan er vol van. De simpele vraag aan welk werk de minister denkt en of dit type werk überhaupt beschikbaar is, nu of in de nabije toekomst, komt niet aan de orde. Door de crisis en ten gevolge van het regeringsbeleid is de werkloosheid enorm gegroeid. En als er al tekenen van herstel zijn, dan zal daar een lange tijd voor nodig zijn. Bovendien bestaat er naast de officiële werkloosheid waarbij het gaat om ongeveer 700.000 werklozen, veel verborgen werkloosheid die het kabinet bij voorkeur ook maar niet benoemt. In de zzp-populatie van zo'n 800.000 mensen zit een hoog percentage verborgen werkloosheid. Hetzelfde geldt voor jongeren die bij het ontbreken van banen geen andere mogelijkheid zien dan vluchten in verder onderwijs. Zou het idee dat grote aantallen mensen uit een uitkering naar werk kunnen uitstromen niet vooral wensdenken zijn dat niet door degelijk onderzoek onderbouwd wordt?

Ik ga nu kort in op een aantal elementen uit de beide wetten die vandaag voorliggen. Allereerst de Wet werk en bijstand. Ik schaar me van harte achter de inleidende beschouwingen van de GroenLinksfractie in het voorlopig verslag van 25 maart 2014. Veranderingen in ideologie leiden in de tijd tot wisselende illusies. Niettemin is realiteitszin altijd te verkiezen boven ideologie. Ook bij dit voorstel beoogt de regering vereenvoudiging die vervolgens niet gerealiseerd wordt. Het resultaat is nog steeds zeer complex, en er kan opnieuw van een gemiste kans gesproken worden. Ten aanzien van de gemeenten is het voorgestelde beleid erg dubbelhartig. Weliswaar wordt alle verantwoordelijkheid voor het beleid op het bord van de gemeente gedeponeerd, maar in dezelfde ademtocht wordt de beleidsvrijheid van de gemeenten aanmerkelijk ingeperkt. De gemeente mag op de eigen wankele benen staan, maar wordt wel bij het handje gehouden. Dat gaat natuurlijk niet werken. Al bij het debat over de Wet hervorming kindregelingen is door mijn fractie en anderen gesproken over de armoedeval voor kinderen in Nederland en het feit dat de kans om in die armoedeval te raken in de afgelopen paar jaar sterk is toegenomen. Bij dat debat vond mijn fractie de antwoorden van de regering ontoereikend. Kan de regering het ditmaal beter doen en de gevolgen van het nu voorliggende voorstel voor deze problematiek overtuigend toelichten?

Ten slotte een paar woorden over allerlei vormen van kostendelersnormen. Is de regering niet met mijn fractie bezorgd dat door het invoeren van dit soort normen mensen van oppassende burgers opeens in wetsovertreders kunnen veranderen? Is de regering hier niet bezig, de deur open te zetten voor veelvuldig ontwijkend of regelrecht frauduleus gedrag? Misschien wel het belangrijkste punt van kritiek is het volgende. De GroenLinksfractie heeft in het voorlopig verslag rake observaties gedaan over de stigmatisering die mensen die noodgedwongen moeten leven van een uitkering van de kant van dit kabinet ten deel valt. Eigenlijk is alleen al door deze opstelling naar de mening van mijn fractie de acceptatiegrond voor dit wetsvoorstel afwezig.

Ook over de Participatiewet valt erg veel te zeggen en dat is in belangrijke mate ook gedaan bij de schriftelijke voorbereiding. Ik heb geen behoefte om alle argumenten opnieuw van stal te halen. Het diep snijden in de sociale zekerheid van zo ongeveer de meest kwetsbare groepen in onze samenleving en de illusie dat de arbeidsmarkt het verschil ten gunste zal gaan maken, staan naar mijn mening dermate haaks op de nu beschikbare feiten, dat ook dit wetsvoorstel niet aangenomen dient te worden. Kwetsbare mensen verdienen daadwerkelijke steun en compassie, geen optie op een luchtkasteel.

Laat me tot een afronding van mijn eerste termijn komen. Ik wil dat doen door kort in te gaan op het recente rapport van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd, tot stand gekomen onder voorzitterschap van iemand met de veelbelovende naam Leonard Geluk. Dit rapport is zeer sceptisch over de mogelijkheden om deze wet die onlangs in de Eerste Kamer werd aangenomen binnen de gestelde tijd en met de gegeven middelen op verantwoorde wijze ingevoerd te krijgen. Voor kwetsbare kinderen die aan de jeugdzorg zijn overgeleverd, belooft dit helaas weinig geluk. Dat is precies wat door diverse fracties in dit huis voorspeld is. Dat is precies wat diverse fracties in dit huis over de beide wetsvoorstellen waar we vandaag over spreken zullen voorspellen. Soms is voorspellen helaas makkelijk. Veel beter dan dit soort voorspellingen te zien uitkomen, zou het toch zijn om dit soort wetsvoorstellen simpelweg niet te aanvaarden.

Ondanks mijn grote scepsis zie ik de beantwoording van de staatssecretaris op de aangevoerde punten met belangstelling tegemoet.