Plenair De Lange bij voortzetting Algemene politieke beschouwingen



Verslag van de vergadering van 14 oktober 2014 (2014/2015 nr. 4)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 15.22 uur


De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Op 16 september mochten wij getuige zijn van de troonrede. Het bleek een troosteloos, voorspelbaar en ongeïnspireerd verhaal, waarin de huidige coalitie, met steun van de kruimelvegers van de gemankeerde oppositie, een geheel eigen voorstelling schetst van de wereld om ons heen. Het eenzijdige beeld dat ons wordt voorgeschoteld staat op veel punten op gespannen voet met de huidige financieel-economische en monetaire werkelijkheden. Het is niet ondenkbaar dat de Koning in de toekomst nog eens zal weigeren een dermate ongebalanceerde troonrede uit te spreken. Op mijn steun kan hij dan rekenen.

In de beperkte tijd die mij vandaag ter beschikking staat, zal ik me noodgedwongen tot twee punten beperken. Eén punt vloeit voort uit uitspraken die de minister-president deed bij de recente Algemene Politieke Beschouwingen in de Tweede Kamer. Het andere punt komt ten onrechte in de troonrede nauwelijks aan de orde, maar is niettemin van doorslaggevend belang.

Mijn eerste punt van discussie is het volgende. Dat onder dit kabinet de positie van onder meer — ik zeg "onder meer", niet "uitsluitend" — ouderen ieder jaar zorgwekkender wordt, is velen niet ontgaan, maar wordt door het kabinet bestreden. De minister-president deed dat op de volgende wijze: "Werknemers raakten hun baan kwijt, zzp'ers verloren opdrachten, jongeren kwamen niet aan de slag en, inderdaad, ouderen werden gekort op hun pensioen. Dat deelden we in Nederland. Tegelijkertijd is de inkomenspositie van ouderen in de afgelopen twee decennia verbeterd ten opzichte van die van huishoudens van personen onder de 65 jaar. Tussen 1990 en 2012 is het inkomen van ouderen gestegen met 25%, terwijl het inkomen van huishoudens van personen tussen de 45 en 65 jaar is gestegen met 14%. Het is dus 25% versus 14%." De bedoeling van deze opmerking is duidelijk. De minister-president suggereert dat dóórdat het gemiddelde inkomen gestegen is, de individuele oudere er dús beter op geworden is. Aan deze redenering ligt een ernstige denkfout ten grondslag en ik zal dat aantonen.

Stel, het is 1990 en we hebben twee even grote groepen gepensioneerden. De ene groep heeft een pensioeninkomen van €8.000, de andere groep van €12.000. Het gemiddelde pensioeninkomen voor de gehele groep is dus €10.000. In die tijd was er nog een relatief grote groep gepensioneerden die nauwelijks voor het pensioen gespaard had en dus een betrekkelijke laag pensioeninkomen had. We gaan nu richting 2012. De oudste groep gepensioneerden met het laagste pensioeninkomen sterft langzamerhand uit en nieuwe cohorten treden toe tot de rangen van de gepensioneerden. Echter, een pensioen van €12.000 is in 2012 niet langer haalbaar door het jarenlang ontbreken van indexering en door kortingen op de nominale pensioenen. Het pensioen voor deze nieuwe cohorten wordt nu zo'n €11.000. Ook de cohorten uit 1990 die in 2012 nog leven, hebben niet langer een pensioen van €12.000; dat pensioen is ook teruggelopen tot zo'n €11.000. Gemiddeld is in 2012 het pensioen voor de hele groep dus €11.000. We zien derhalve aan de hand van dit eenvoudige, maar niet onrealistische voorbeeld dat het zeer goed mogelijk is dat gepensioneerden er als groep gemiddeld op vooruitgaan, van €10.000 naar €11.000 in dit voorbeeld, maar er individueel toch aanzienlijk op achteruitgaan, van €12.000 naar €11.000. De denkfout zit natuurlijk in de onjuiste aanname van de minister-president dat de gemiddelden in 1990 en 2012 berekend zouden zijn over dezelfde groep individuele gepensioneerden. In feite zijn oude cohorten uitgestorven en vervangen door nieuwe. Als ik kennis neem van een dergelijke gebrekkige en misleidende voorstelling van zaken, begin ik de toenemende roep om investeringen in beter onderwijs te begrijpen.

Mijn tweede punt van discussie vandaag betreft een onderwerp dat nauwelijks in de troonrede aan de orde komt, namelijk de economische, financiële en monetaire situatie in Europa, en met name in de eurozone. Door het ontbreken van een bespreking van recente ontwikkelingen op deze terreinen, maakt de troonrede een buitengewoon provinciale indruk, waarbij vooral de bewoners van de Dorpsstraat in plattelandsgemeente Ons Dorp aan het woord zijn. Dat is treurig stemmend, want we leven in Nederland met zijn open economie nu eenmaal niet op een eiland. Deze onvolkomen beschrijving doet daarom volstrekt geen recht aan de internationaal zorgwekkende situatie, die ons land in het hart raakt. Naar mijn mening komt het huidige beleid neer op "dansen op de vulkaan".

Volgens alle indicatoren is de economisch-monetaire situatie in de eurozone aanzienlijk slechter dan zeg vijf jaar geleden. De Europese Centrale Bank (ECB), die zich onder Duisenberg en Trichet vooral door economisch verantwoorde inzichten liet leiden, is onder Mario Draghi verworden tot een politiek monster dat vooral de belangen van slecht functionerende overheden in Zuid-Europa dient en met wanhoopsmaatregelen die steeds minder effect sorteren, probeert het steeds meer verslechterende tij te keren. Het mandaat van de ECB wordt hierbij regelmatig overschreden. In het korte bestek van dit debat is het niet mogelijk om een volledige analyse te geven. Dat heb ik wel gedaan in een artikel onder de titel "De euro: een historisch drama in tien bedrijven", vorige week gepubliceerd op Follow the Money. Hierbij worden de verschillende verschijningsvormen van de eurocrisis beschreven, zoals daar zijn de economische crisis, de sociale crisis, de schuldencrisis, de bankencrisis, de monetaire crisis, de democratische en soevereiniteitscrisis, de rechtsstatelijke crisis, de intellectuele crisis, de permanente transfercrisis en, last but not least, de politieke crisis. Het kan niemand ontgaan zijn dat de euro van wat een verbindend concept had moeten zijn, nu verworden is tot een splijtzwam. Er is sprake van een splijtzwam tussen de Europese grootmachten Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Wie maar enig historisch besef heeft, zou zich grote zorgen moeten maken over deze ontwikkelingen. We dansen op de vulkaan, en het wordt al aardig warm onder onze voetzolen.

Hoe nu verder? Hollen we als de spreekwoordelijke lemmingen collectief richting euroravijn, of zijn er strategieën denkbaar die tot mogelijke oplossingen leiden? Het is in mijn ogen verbijsterend dat er in Nederland nauwelijks discussie is over de situatie waarin we nu verkeren. Dit in tegenstelling tot Duitsland, waar een dergelijk debat met verve en deskundigheid gevoerd wordt. Dat de afzonderlijke landen in de eurozone in staat gesteld moeten worden zich los te maken van de "one-size-fits-all" euro, is naar mijn mening en die van vele anderen onontkoombaar. Of dit moet door opsplitsing van de eurozone, het uittreden uit de euro van ofwel de zwakke ofwel de sterke landen, of misschien door een origineel concept van Nederlandse bodem, namelijk The Matheo Solution (TMS), daarover kan men twisten. Maar er bestaat weinig twijfel over dat het debat over oplossingsrichtingen in Nederland al jaren over tijd is. Of denkt de regering ondanks alles nog steeds dat we met de "one-size-fits-all" euro op het goede spoor zitten?

Met belangstelling wacht ik de reactie van de regering af op beide door mij aangesneden kwesties.

De voorzitter:

Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Ik zou de vergadering schorsen van 16.15 uur tot 19.00 uur. We zijn nu drie kwartier eerder klaar met de eerste termijn van de Kamer. Ik stel voor om van 15.30 uur tot 18.30 uur te schorsen, inclusief de dinerpauze.