Plenair Hermans bij voortzetting Algemene politieke beschouwingen



Verslag van de vergadering van 14 oktober 2014 (2014/2015 nr. 4)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 21.28 uur


De heer Hermans (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn uitgebreide beantwoording en voor de wijze waarop hij dat heeft gedaan. In dit huis zijn de politieke scheidslijnen wat minder scherp, maar dat heeft hij ook goed aangegeven. Ik zal er nog even een paar punten uithalen.

Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van collega Brinkman over de traagheid van de overheid bij betalingen aan mkb-bedrijven. Ik heb daar zelf in eerste termijn niets over gezegd, maar in een vroeger leven heb ik daar eens een hele actie van gemaakt. Een van de voorgangers van deze minister-president had toegezegd, alle betalingen binnen zes weken voor elkaar te krijgen. Nu hoeft deze minister-president niet alle toezeggingen van zijn voorgangers op te volgen, maar deze vond ik niet zo gek om nog maar eens in herinnering te roepen.

Ik wil nog een paar punten aan de orde stellen en een daarvan is dat van de robots. Minister Asscher had er door alle publiciteit eromheen wat ludismeachtige effecten bij opgeroepen, terwijl hij naar mijn mening precies dat wilde doen wat de maker graag wilde. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zullen hierdoor namelijk banen verdwijnen. Scholing van deze mensen zal dus juist heel erg belangrijk zijn in de komende jaren. Straks komt het leenstelsel en gaat er 500 miljoen tot 800 miljoen structureel naar het hbo en het wo. Ook in het herfstakkoord is er extra geld vrijgemaakt voor het mbo, omdat het zo vreselijk belangrijk is om die elementen van de robotisering op te vangen en jongeren daarvoor te scholen. Daar gaat dat extra geld naartoe. Ik wil daar nog eens speciaal op wijzen, omdat dit toch een erg belangrijk element voor de Nederlandse samenleving is. Uiteindelijk is het mbo het betonnen fundament van onze samenleving en dat zal het ook altijd blijven. Als die mensen er niet zijn, kunnen heel veel zaken niet voor elkaar komen.

Mijn derde opmerking betreft de decentralisatie. De minister-president heeft gezegd dat die goed onder controle is en dat die zeer nauw zal worden gevolgd. Minister Plasterk zal er speciaal naar kijken als coördinerend minister, maar ook een aantal staatssecretarissen zullen er goed naar kijken. Ik roep nog even in herinnering wat ik in mijn eerste termijn heb aangegeven, namelijk die sirene, die hoge toon waarop nieuwe regels en nieuwe wetgeving worden geëist als er maar ergens iets fout gaat. Ik wil er nogmaals voor waarschuwen dat in zo'n geval niet meteen wordt gezocht naar nadere regels, maar dat eerst goed moet worden gekeken of de wethouders, die er zo veel zin in hebben, dat ook goed voor elkaar kunnen krijgen. Als ik de minister-president goed heb begrepen, vragen de wethouders het kabinet ook om terughoudendheid. Daar kan ik de wethouders alleen meer zeer in ondersteunen, omdat het van belang is dat zij zelf goed inhoud aan dat beleid kunnen geven.

De heer Kox (SP):

Of wethouders wel of niet enthousiast zijn? Een groot aantal in mijn partij heeft deze portefeuille. Zij hebben een gemengd gevoel en daarin verschillen zij niet van de wethouders van de partij van de heer Hermans of welke andere partij dan ook. Het probleem is namelijk het budget en niet zozeer dat zaken lokaal moeten worden uitgevoerd waar dat kan. Is de VVD net als de regering bereid om vol aan de bak te gaan en te hulp te schieten als zich dergelijke knelpunten voordoen?

De heer Hermans (VVD):

Als-vragen kan ik nooit beantwoorden. Ik heb al eens eerder gezegd dat ik uit een Zuid-Limburgse familie kom waar altijd werd gezegd: als mijn grootmoeder wielen zou hebben gehad, zou zij een locomotief zijn geweest. Wanneer blijkt dat een aantal zaken structureel niet goed is, moeten we ernaar kijken. Maar laten we er alsjeblieft niet meteen bovenop springen als zich ergens een probleem voordoet. Laten we goed kijken en analyseren wat dan de punten zijn en waar er goede voorbeelden zijn waarin het probleem zich niet heeft voorgedaan.

De heer Kox (SP):

Ik ben het met de heer Hermans en het kabinet eens dat de reactie niet moet zijn dat er nieuwe regelgeving komt. Mocht blijken dat het budget een probleem is — en dus niet de regels — is het dan voor de VVD bespreekbaar om te hulp te komen, zoals de minister-president dat ook heeft gezegd? Overigens is het heel erg vreemd dat een politicus die geen als-vragen kan beantwoorden. Als politicus moet je toch in scenario's kunnen denken. Bij mijn partij wordt dat wel als basisvereiste gesteld.

De heer Hermans (VVD):

Als-vragen zijn natuurlijk erg interessant. Je kunt er vreselijk veel dingen mee doen. Je kunt over strategieën praten. Ik praat hier echter over het geval waarin — u hoort mij een antwoord geven op een als-vraag, mijnheer Kox — zich problemen voordoen in bepaalde gemeenten. Dan wordt er gekeken of er in andere gemeenten voorbeelden zijn waarmee die kunnen worden opgelost. Dat lijkt me de allereerste zaak. Als zich dan alsnog grote financiële problemen voordoen, moeten we eens goed kijken of dat daadwerkelijk het geval is en wat dat dan zou moeten betekenen. Het lijkt me in elk geval niet juist om bij voorbaat te denken dat dit niet het geval zal zijn. Er is nadrukkelijk een andere financiering en meer noodzaak om zelf zaken op te pakken, als persoon zelf met de familie en de omgeving, in plaats van direct naar de overheid te kijken. Dat blijft een belangrijk punt. Het idee dat er al bij voorbaat gezegd kan worden dat er waarschijnlijk toch te weinig geld zal zijn, is toch denken in de oude situatie. Ik wil eerst de situatie in de praktijk zien, waar de goede voorbeelden zijn, voordat we daar überhaupt verder over spreken.

Ik dank de minister-president voor zijn toezegging dat hij bereid is om steun te verlenen aan de gedachte van een commissie die zal kijken naar een staatsrechtelijke herbezinning. Ik denk dat het van groot belang is dat dit gaat plaatsvinden, dat de Kamer daar initiatief in neemt, een aantal zaken bij elkaar haalt en ervoor zorgt dat daar ideeën over op tafel komen. Dat zal ertoe leiden dat in overleg met het kabinet wordt gekeken op welke wijze die taakopdracht exact wordt geformuleerd. Dan wordt ook gekeken op welke wijze die commissie het beste kan worden samengesteld. Dat zal in gemeen overleg tussen het kabinet en de Staten-Generaal kunnen plaatsvinden.