Plenair Franken bij beleidsdebat Internationale Veiligheidsstrategie



Verslag van de vergadering van 24 maart 2015 (2014/2015 nr. 25)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.43 uur


De heer Franken i (CDA):

Voorzitter. President Obama zei naar aanleiding van de Nuclear Security Summit in Den Haag in maart vorig jaar: Europa moet voor zijn energie minder afhankelijk worden van Rusland en voor zijn defensie minder afhankelijk van de Verenigde Staten. Ik wil deze uitspraak graag gebruiken als motto voor deze bijdrage aan het debat van vanmiddag. Dit zal een beleidsdebat zijn, waarvoor nu twee ministers aan tafel zitten, die weliswaar voor drie mogen spreken, maar omdat we over internationale veiligheid praten zijn eigenlijk ook de bewindslieden van BiZa, V en J en EZ, voor wat betreft energiebeleid, nodig.

De reden voor dit debat is dat we inmiddels in een instabiele internationale veiligheidsomgeving leven. Veel burgers maken zich daarover grote zorgen. In de titel van de beleidsbrief, die we vandaag behandelen, wordt gesproken van: Turbulente tijden in een instabiele omgeving. De nota bevat daarvan een goede beschrijving, die mede is gebaseerd op de rapporten die Clingendael en het The Hague Center for Strategic Studies (HCSS) hebben gepubliceerd in het kader van de strategische monitor. We zien die instabiliteit in de eerste plaats aan de oostflanken van Europa met de Oekraïnecrisis. Door de annexatie van de Krim vond een duidelijke schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne plaats, die bovendien in strijd is met de aan dit land gegeven garanties in het kader van het Budapest Memorandum on Security Assurances (1994), op basis waarvan Oekraïne zijn kernwapens heeft afgestaan. Daarnaast bleek dat Rusland militaire steun gaf aan separatistische groeperingen. De destabilisatie kreeg bovendien gevolgen buiten de directe regio door de ramp met de MH17. Ook zien we hier dat economische belangen hoog worden opgespeeld: toenadering tot de EU of deelname aan een Euraziatische Unie, met druk op de levering van gas.

Vanuit de zuidflanken worden we dagelijks opgeschrikt door schokkende beelden van terroristische activiteiten en oorlogvoering tussen soennitische en sjiitische milities. De situatie is totaal onoverzichtelijk en de oorzaken van de strijd zijn complex. Religieuze en etnische groeperingen spelen een rol, maar ook veranderingen in het politieke landschap en werkloosheid van grote groepen jongeren, voor wie ieder perspectief ontbreekt. In Syrië en Irak vindt een sterke polarisatie plaats en groeit de aanhang van het jihadi-salafisme. Er wordt een Islamitische Staat (IS) gevestigd, die jihadstrijders uit de hele wereld aantrekt, ook uit Nederland. Verder nemen oud-strijders tegen de Amerikaanse troepen in Irak nu deel aan de strijd tegen de gevestigde regimes. Er is daar sprake van een bloedige oorlog met groot materieel. We moeten ons verder realiseren dat er in Syrië al jaren een burgeroorlog plaatsvindt, die heeft geleid tot zeker 200.000 gedode burgers en ruim 6 miljoen vluchtelingen, waarvan er 3 miljoen naar Libanon, Jordanië en Turkije zijn uitgeweken en daar vooralsnog worden opgevangen. Het schijnt nu zo te zijn dat ISIS ook in Turkije is doorgedrongen. Worden daartegen op internationaal niveau ook maatregelen genomen? Dit is mijn eerste vraag van een hele serie, voorzitter.

De enorme vluchtelingenstroom in de genoemde gebieden legt een zware druk op de zuidgrenzen van Europa, mede door de grote aantallen mensen die in gevaarlijke boten de Middellandse Zee proberen over te steken. De tragische gevolgen van de vele mislukkingen van die overtocht maken diepe indruk. Wij vinden het terecht dat de Nederlandse regering daarom bijdraagt aan de Frontex-operatie Triton en willen graag vernemen of Nederland positief zal ingaan op een eventueel verzoek van de Italiaanse overheid om zijn bijdrage uit te breiden wanneer de reddingcapaciteit op de Middellandse Zee ontoereikend is. Het is overigens verontrustend om te horen dat Griekenland overweegt voor vluchtelingen de grens met Turkije open te stellen. Anderzijds waren wij verbaasd dit weekend te horen dat de VVD plotseling een heel ander asielbeleid voorstaat. Wij horen graag wat nu de bedoeling is.

Ik noem nog een destabiliserende ontwikkeling, die in de rapporten van Clingendael en HCSS is beschreven. Ik doel op de voortgaande verschuiving van mondiale en politieke machtsverhoudingen, waarin energiepolitiek een belangrijke rol speelt. We zien dat China zich wereldwijd manifesteert, niet alleen om zichzelf te voorzien in een toegenomen behoefte aan natuurlijke hulpbronnen, maar ook door een duidelijke aanwezigheid in de Oost- en Zuid-Chinese Zeeën. De Chinese defensie-uitgaven zijn flink omhoog gegaan en we zien de cybercapaciteiten en -activiteiten groeien. Daarbij blijkt de verhouding met de VS in toenemende mate onder druk te staan. "Het risico" — zo schrijft de minister terecht — "op een openlijke confrontatie neemt toe."

Kortom, het geschetste beeld is voor Nederland somber. Over deze constatering zijn we het eens. Maar dan komt de vraag: wat te doen? Daarvoor verwijst het kabinet niet alleen naar de beleidskeuzes van de Internationale Veiligheidsstrategie van medio 2013, maar geeft het een update naar aanleiding van de zojuist geschetste veranderingen nu potentiële dreigingen reële dreigingen zijn geworden en er nog eens nieuwe dreigingen zijn bijgekomen. In de heldere nota, waarvoor mijn compliment, zijn eerst drie strategische belangen onderscheiden, die vervolgens worden uitgewerkt in een zestal beleidsaccenten. Die strategische belangen zijn:

de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied;

een goed functionerende internationale rechtsorde;

economische veiligheid.

Wij onderschrijven de aanwijzing van deze belangen, maar hebben daaromtrent wel een aantal vragen. Het eerstgenoemde belang van territoriale en bondgenootschappelijke veiligheid is glashelder, maar kan de Nederlandse regering wel voldoende maatregelen nemen voor de korte en langere termijn om die bondgenootschappelijke solidariteit te garanderen? Kan de Nederlandse regering voldoen aan de eis om sneller te reageren op mogelijke dreigingen tegen het NAVO-grondgebied? Binnen de NAVO worden hogere eisen gesteld aan gereedheid, snelle inzetbaarheid en beschikbaarheid van militaire capaciteiten. Is de Nederlandse inzet met betrekking tot de EU Battlegroup en de NATO Response Force hiervoor aan de maat? Zijn de financiële consequenties voldoende gedekt? Zijn er nieuwe investeringen nodig? Valt trouwens een hybride oorlogsvoering naar het voorbeeld van Oost-Oekraïne wel onder artikel 5 van het NAVO-verdrag? In verband met een mogelijke uitbreiding van conflicten in het Oosten van Europa is dit een relevante vraag. We mogen ons gelukkig prijzen met het door Merkel en Hollande geïnitieerde overleg met Poetin en Porosjenko en we nemen aan, dat de regering deze acties, met name door middel van de OVSE, van harte ondersteunt en ruimhartig bijdraagt aan de financiering daarvan. Het werk van de Special Monitoring Mission brengt immers hoge kosten met zich mee. De personele uitbreiding is immens maar het is nodig.

Voor het handhaven van de internationale rechtsorde, het tweede genoemde belang, zijn goed functionerende internationale organisaties nodig, waarvan de lidstaten zich aan de regels houden. Kunnen we daarvan spreken wanneer een permanent lid van de VN-Veiligheidsraad zich niet houdt aan de regels voor het onderling verkeer van de lidstaten en acties van de internationale organisatie voortdurend door een veto worden getroffen? In dit verband vraag ik mij ook af: zijn de besluitvormingsprocedures bij de VN en in het bijzonder bij de OVSE nog wel adequaat? Deze laatste organisatie heeft bij de monitoring en hopelijk de aanzet tot een oplossing van het conflict in Oost-Oekraïne een belangrijke rol gekregen. Maar er kan alleen maar bij consensus worden beslist. Betekent dit dat de OVSE alleen een platformfunctie kan of mag vervullen? Het is trouwens merkwaardig dat deze organisatie nog steeds geen internationale rechtspersoonlijkheid heeft verkregen.

ISIS is een niet-statelijke actor. Hoe kunnen de IS-ondersteunende staten en of groeperingen worden aangepakt? Instabiliteit en aantasting van de rechtsorde vragen een georganiseerde aanpak. Bij welke internationale organisaties staat de positie en aanpak van IS op dit moment als onderwerp op de agenda en, zo ja, hoe en wanneer worden deze rechtenschendingen internationaal aangepakt? Ligt er nu wel of niet een gesprek met Assad in het verschiet? Er zijn daarover tegenstrijdige berichten. Waar zet de Nederlandse regering op in? Ik zie dat er al druk overleg plaatsvindt.

Dan een vraag over de zwarte vlek op het imago van de VS, dat bestaat uit de voortgezette handhaving van het gevangenkamp Guantánamo Bay, waarover verschillende speciale rapporteurs van de VN zeer kritisch hebben gereageerd zonder dat daarop een antwoord is gevolgd. Onlangs schijnt in OVSE-verband een verzoek aan landen buiten de VS te zijn gedaan om enige gedetineerden op of over te nemen. Moet het daar dan echt bij blijven? Is een dergelijk verzoek ook aan Nederland gedaan? Overigens hier is al eerder eens gevraagd of de Nederlandse regering naar aanleiding van de Snowden- openbaringen enig blijk van afkeuring heeft gegeven ten opzichte van de regering van de VS, zoals Steinmeier dat in Duitsland heeft gedaan. Is er wel een Nederlandse reactie geweest?

Wat betreft de economische veiligheid, het derde strategische belang, moeten wij naar andere energieaanbieders dan Rusland kijken. De VS en Canada zullen binnen afzienbare tijd grote schaliegasexporteurs gaan worden. Dat gas zal wel overzee moeten worden getransporteerd. Voor onze marine zullen daaruit nieuwe taken voortvloeien. Krijgt de Nederlandse marine in de investeringsplannen wel voldoende aandacht nu er zo veel prioriteiten voor de luchtmacht zijn vastgesteld? Het lijkt me goed wanneer de minister daarvan een overzicht geeft. Ten slotte in dit verband de vraag naar de weg die de regering wil inslaan met betrekking tot het Transatlantic Trade and lnvestment Partnership (TIIP). Er wordt — zelfs vandaag — aan gewerkt, maar er zijn nog omvangrijke hobbels waarbij de spanning tussen de beleidsvrijheid van staten enerzijds en de bescherming van investeerders anderzijds een cruciaal element vormt. Hoe moet volgens de regering de ISDS, de lnvestor-State Dispute Settlement, eruitzien? En een andere vraag: hoe is de kans op het weer vlot trekken van de WTO-onderhandelingen?

De heer Ganzevoort i (GroenLinks):

Ik begrijp uit de woorden van het CDA dat het als een vanzelfsprekendheid wordt aangenomen dat schaliegas in elk geval een deel van onze toekomstige energiebehoefte zou moeten dekken. Klopt dat?

De heer Franken (CDA):

U zegt "vanzelfsprekend". Dan hoefde ik daarover geen vraag te stellen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik hoorde geen vraag van de heer Franken over de levering van schaliegas. Ik hoorde alleen maar een vraag over de bescherming van de transporten. Daarom vroeg ik mij af of het inderdaad een vanzelfsprekendheid voor hem is.

De heer Franken (CDA):

Dat kan ik nog niet zeggen, maar het is een mogelijkheid. Je moet toch met mogelijkheden rekening houden, zeker wanneer je bepaalde investeringen gaat doen. Ik zeg niet dat ik schaliegas omarm. Met de huidige olieprijs is het ook niet zo aantrekkelijk om schaliegas verder tot ontwikkeling te brengen, maar wij moeten onze ogen er niet voor sluiten dat het elders op de wereld kan gebeuren. Misschien moet je op een bepaald moment van twee kwaden het minste kiezen en zal ook het groene karakter van GroenLinks zich daar niet tegen kunnen verzetten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Daar zal ik in mijn eigen termijn op terugkomen, want dit lijkt mij in ieder geval niet de meest gewenste oplossing.

De heer Franken (CDA):

Ik wacht de opvatting van de heer Ganzevoort met belangstelling af, dan kunnen wij daarover verder discussiëren.

Voorzitter. Dan nog een enkele opmerking over de voorgestelde beleidsaccenten. Meer Europese verantwoordelijkheid voor onze defensie klinkt mooi. Obama raadde het ons uitdrukkelijk aan en Juncker heeft onlangs in "Die Welt" de vorming van een Europees leger bepleit — hij bedoelt natuurlijk een Europese krijgsmacht — om een gezamenlijke buitenlandse en veiligheidspolitiek te kunnen voeren. Maar als we nu eens beginnen te denken — en ik blijf vooralsnog meer bescheiden dan de Commissievoorzitter van de EU— aan een versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), dan zien we dat er al jaren wordt gepraat, maar dat er nauwelijks resultaten worden bereikt. Ik neem aan dat collega Van Kappen zal zeker nog zal ingaan op het plan om in het kader van het GVDB een EU Battlegroup te formeren. Drie weken geleden is er in Riga weer over gesproken. Ik kon daar helaas niet bij zijn, maar de heer Van Kappen heeft daar een inleiding over dit onderwerp gehouden. De vraag die ik aan het kabinet wil stellen, is: wat zijn de concrete resultaten? Kan de Nederlandse regering hierin niet eens een stap vooruit zetten? In de beleidsbrief toont de regering haar goede wil, maar is er nu een actieplan vastgesteld?

Het is ook een goede zaak dat er nu een nieuwe en actieve Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid is aangetreden. Als ik het juist zie, zal zij ook een nieuwe Europese veiligheidsstrategie ontwikkelen. Daarmee kan een kader worden gegeven voor institutionele herijking, prioritering binnen het GVDB en de allocatie van middelen. Wil de regering een dergelijke actie positief ondersteunen? In een brief van 7 november 2014 heeft de minister een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken met betrekking tot onze participatie in een aantal specifieke vormen van samenwerking op defensiegebied in Europa. Nederland zou hier volgens de minister een voortrekkersrol vervullen. Is dat een belofte waarop we nog kunnen rekenen? Ik hoop op een onderbouwd antwoord. Mijn fractie is voor meer geld voor Defensie, maar wil dat graag koppelen aan meer samenwerking en taakverdeling met de bondgenoten.

Ik heb nog een laatste vraag over Europa. Voor wat betreft de defensie-industrie zouden we ook een duidelijke Europese koers moeten aanhouden, waarin we de eigen werkgelegenheid stimuleren en losser komen van de VS. Door het F-35-project zijn wij immers al met handen en voeten aan de Amerikaanse markt gebonden.

Ten slotte een opmerking van geheel andere aard. In de Defensiebegroting is vermeld, dat er wordt geïnvesteerd in een cyber en networking en een chemical, biological, radiological and nuclear response structuur. Aan cyber wordt ook in de beleidsbrief een paragraaf gewijd. Nu is cyber opeens een modewoord voor alles wat met informatietechnologie te maken heeft. Ik kan echter wel een onderscheid maken tussen cybersecurity breaches en cyberwar voor het geval er ook een politiek doel mee is gemoeid. En dat is snel en gemakkelijk te bereiken. Grootschalige aanvallen op informatiesystemen en infecties met kwaadaardige software kunnen een samenleving totaal verlammen. Binnenkort zijn we afhankelijk van wel 25 miljard met internet verbonden apparaten. Dan krijgen wij het internet of things. Al die apparaten zijn verbonden met internet en zullen in het dagelijks leven van iedereen een rol spelen.

In Nederland wordt wel over beveiliging op dit gebied nagedacht. We hebben een Nationaal Cyber Security Centrum, dat ressorteert onder de NCTB, en Defensie heeft sinds kort een Cyber Commando. De NAVO heeft op de Summit in Wales een communiqué uitgegeven, waarin staat vermeld: "Cyberdefence is part of NATO's core task of collective defence. A decision as to when a cyber attack would lead to invocation of Article 5 would be taken by the North Atlantic Council on a case-by-case-basis." Dat klinkt geruststellend misschien, maar er zullen gedragsnormen moeten worden afgesproken en er moet capaciteit worden opgebouwd. Graag een blik op de plannen volgens de minister.

Drones horen overigens ook bij de cyberdefence. Zij zullen op afzienbare termijn in steeds grotere mate bemande vliegtuigen gaan vervangen. De Chief of Naval Operations van de Amerikaanse marine wordt zelfs geciteerd in de NRC van 5 maart jongstleden met een bericht dat de snelle ontwikkelingen in de sensortechnologie de stealthtechnologie, en daarmee het grote verkoopargument van de JSF, voorbijstreven. Stealth maakt het dan wel lastiger om met de radar F-35-vliegtuigen op te pikken, maar maakt ze niet onzichtbaar. Dan geldt toch echt dat een vlieger in een veilige stoel op de grond niet alleen uit kostenoverwegingen is te prefereren. Ik ben mij er wel van bewust dat er ook andere aspecten aan de inzet van drones zijn verbonden, maar het schijnt dat de US Navy toch om de genoemde reden haar aankoopplannen bijstelt en het aantal F-35's dat op de rol staat vermindert, om de weg voor andere technieken, waaronder drones, open te houden. Moeten wij niet ook eens over deze overwegingen gaan nadenken?

Ik leg hiermee een indringende vraag voor aan onze de minister van Defensie.

Drie D's, Diplomacy, Defence en Development, zijn bepalend voor dit debat. Ik spreek dan over D's met een hoofdletter. In de huidige omstandigheden zullen wij echter de nadruk moeten leggen op twee kleine d's, te weten die van druk en dialoog, waarbij naar onze mening de dialoog de constante moet zijn en blijven.