Naar hoofdinhoud Naar hoofdnavigatiemenu

Plenair De Vries bij behandeling Algemene Europese beschouwingen



Verslag van de vergadering van 14 april 2015 (2014/2015 nr. 28)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 12.42 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


De heer De Vries (PvdA):

Voorzitter. Dank u zeer. Dit zijn alweer de vierde Europese beschouwingen in deze kabinetsperiode en we spreken met de derde minister van Buitenlandse Zaken. Het kabinet heeft het tempo van het aantal besprekingen niet bij weten te houden, maar goed, we begroeten minister Koenders natuurlijk graag bij dit debat.

Als je aan het einde van zo'n zittingsperiode terugkijkt, zie je dat we in 2012 terugkeken op een ontwrichtende crisis rond de euro, waarin de Europese Centrale Bank de besluiteloosheid van de politiek repareerde. Het is maar goed dat banken niet onder controle van de politiek staan, zeg ik tegen een collega. Sedert dat moment heeft de Unie aardig wat orde op zaken weten te stellen, al zijn de zorgen natuurlijk nog lang niet weg. Frankrijk en Italië leven de begrotingsafspraken niet na. Daarover wordt met begrip gesproken en er worden geen sancties op toegepast, maar het lijkt mij zaak om dat toch met argusogen te blijven volgen. Slechte voorbeelden willen namelijk nog wel eens doen volgen, niet alleen goede.

Als wij de toetreding van Griekenland tot de eurozone ook met argusogen hadden bekeken, was ons veel ellende bespaard gebleven, net zoals Griekenland waarschijnlijk veel ellende bespaard was gebleven. We horen tegenwoordig vaak dat de eurolanden klaar zijn voor een grexit, erop voorbereid zijn. In technische zin zal dat kloppen, maar in de politieke werkelijkheid zou een Griekse exit een enorme nederlaag voor de Europese Unie betekenen en onoverzienbare politieke schade berokkenen. Van enige afstand krijgt men de indruk dat de afloop van het Griekse drama vooral wordt bepaald door een groep van drie instanties "formerly known as troika". De verbale polarisatie tussen Griekenland en de andere lidstaten vergiftigt het klimaat. Gelukkig heeft het bezoek van premier Tsipras aan Berlijn een beetje bijgedragen aan een min of meer normale gesprekstoon. Spelen andere landen nog een rol op een ander vlak dan alleen het financiële om te kijken of de band die de Unie onderling als waardengemeenschap zou moeten hebben, kan worden versterkt en of Griekenland op een andere manier kan worden bijgestaan dan door er samen de begrotingen van te doorlopen? Ik vraag dit omdat ik mij zorgen maak over de houding van de lidstaten ten opzichte van elkaar. Vandaag zag ik een tweet van de heer Brenninkmeijer. Hij zegt op de van hem bekende wijze dat de Europese Unie een vereniging van onbetrouwbare leden is die meer geld willen halen dan brengen. Hij voegt daaraan nog enige tekst toe, maar de essentie is daarin wel vervat. Hij heeft in het jaar dat hij in de Algemene Rekenkamer heeft gezeten kennelijk geen erg hoge opinie gekregen van de samenhang in bindende zin van de Unie, maar vooral gezien dat men daaruit geld wil halen.

In de afgelopen jaren en vandaag ook weer hebben wij veel aandacht besteed aan de massale werkloosheid. Kan de minister iets vertellen over de Europese bijdrage op dit punt? Heeft die iets opgeleverd? Krijgt Griekenland daarvan ook een deel?

Ik constateer met enige vreugde dat de bestrijding van belastingontwijking en -ontduiking tot leven lijkt te zijn gekomen. Het is stellig in de ogen van de burgers een enorme verdienste als hiermee nog meer tempo wordt gemaakt. Ik herinner eraan dat de heer Van Rompuy de omvang van het fenomeen belastingontwijking en -fraude op 1.000 miljard per jaar taxeerde. Dat is geen klein bier. De inzet van extra menskracht voor de bestrijding daarvan zou veel extra rendement opleveren. Nu lees ik vandaag in Het Financieele Dagblad echter dat een hoge functionaris van de Europese Unie, vooral belast met belastingzaken, zegt dat landen elkaar alleen maar tegenwerken. Is dat waar? Hoe beoordeelt de minister de voortgang van dit dossier? Kan hij aangeven of dit tijdens het Nederlandse voorzitterschap weer prominent aan de orde komt? Ik vind het soort berichten als ik vandaag van een hoge functionaris hoor, die niets liever wil dan opschieten, toch wel buitengewoon verontrustend. Wat vindt de regering van de twee Europese richtlijnen over fiscale transparantie?

Er is een nieuwe Europese Commissie aangetreden die natuurlijk inderdaad nog niet veel heeft kunnen laten zien. Duidelijk is wel dat men van plan is om het buitenlandbeleid herkenbaarder te maken. Dat mag een open deur heten. De zwakke kanten van dat beleid zijn in de afgelopen jaren pijnlijk naar buiten getreden. Ik noem als voorbeeld het Oostelijk Nabuurschap maar. Vorig jaar hebben commissies uit de Eerste Kamer een werkbezoek aan de Europese Commissie afgelegd. De leden van deze commissies konden toen met eigen ogen waarnemen dat er binnen de Commissie zeer verschillende inzichten bestonden en dat die moeiteloos geventileerd werden. Nu ben ik voor pluriformiteit en interesseren verschillende opinies mij altijd mateloos, maar de Commissie zou op zo'n belangrijk stuk toch één visie moeten hebben. De een zag het Oostelijk Nabuurschap als een poging om landen te helpen bij hun economische en politieke ontwikkelingen, zodat de kloof met de Unie niet te groot zou worden en die landen natuurlijk geholpen zouden worden, maar de ander vond dat het eigenlijk een uitbreiding van de Europese Unie was en dat daarom een uitbreiding van de NAVO ook wel gewenst zou zijn. Die twee visies conflicteren met elkaar.

In haar fraaie boek De schaduw van de grote broer, constateert Laura Starink dat het Europese aanbod aan Oekraïne van een associatieverdrag in Moskou alle stoppen deed doorslaan. Nu ken ik de kwaliteit van de stoppen in Moskou niet, maar het heeft in ieder geval grote betekenis gehad. John Mersheimer, die al geciteerd is door de heer Van der Linden, schreef zelfs vorig jaar in Foreign Affairs dat de crisis in Oekraïne eigenlijk helemaal op het conto van het Westen moest worden geschreven. Dat is een extreem eenzijdige benadering, al was het maar omdat Rusland zich als medeondertekenaar van de akkoorden van Helsinki anders had moeten en kunnen gedragen. Het lijkt mij ook al te gemakkelijk om te veronderstellen dat we, als we met Rusland spreken, te maken hebben met een entiteit met dezelfde rationaliteit en waarden als de Europese Unie en de landen van de Europese Unie. Maar goed, als de nabuurpolitiek van de Europese Unie niet geïnteresseerd is in mogelijke negatieve effecten elders, op de buren van de buren, verdient ze de naam politiek niet.

Peter d’Hamecourt heeft in een interessant boek, Rusland in Oorlog, eraan herinnerd dat Gorbatsjov indertijd de belofte kreeg dat het Westen geen avances zou maken in de richting van de nabuurstaten van Rusland. Maar d’Hamecourt zegt, je hoort dat vaker, dat deze zelfstandige staten hun eigen wil kunnen doorzetten. Ze hebben niets met anderen te maken en hebben het volste recht om te kiezen voor EU en NAVO. Ik ben het daarmee eens, maar de consequentie die d’Hamecourt en velen met hem daaraan verbinden, is dat de NAVO en de EU zouden moeten zeggen "als u dat wilt, dan doen wij dat." Rusland heeft geen droit de regard over wie er lid mag worden van de EU of de NAVO. Dat is een beslissing die de lidstaten zelf moeten nemen op basis van een afweging van belangen, waarbij ook de eigen veiligheidsbelangen en de effecten die een beslissing heeft op de eigen veiligheidssituatie goed moeten worden afgewogen. Het is heel belangrijk om in dat verband de geschiedenis goed te kennen. Zo-even is al gememoreerd dat er onlangs nogal wat relevante geschiedenis is bijgekomen. Ziet de minister ook dat het een afweging moet zijn van de lidstaten van de Unie om dat te doen en dat wensen van andere landen nooit de doorslag kunnen geven? Is hij het met mij eens dat men in het verleden daarin misschien iets te makkelijk is meegegaan?

Een belangrijk initiatief van de nieuwe Commissie is om te komen tot betere regulering. Soms zegt men dat Europa alleen de hoofdzaken moet doen en de landen de kleine dingen. Ik meen dat de heer Van der Linden dat net zei. Dat lijkt mij helemaal onjuist. Het één is niet belangrijker dan het ander. Doorslaggevend moet zijn of het vanwege grensoverschrijdende problematiek of ontbrekende soevereiniteit noodzakelijk is een probleem gezamenlijk aan te pakken, en dat landen die zaken zelf opknappen die zij zelf aankunnen.

De heer Van der Linden (CDA):

Even een opmerking voordat hier een misverstand ontstaat. De heer De Vries zegt dat de heer Van der Linden zei dat op het niveau van Brussel de belangrijke zaken worden opgelost en de minder belangrijke zaken op nationaal niveau. Dat heb ik niet betoogd. Ik heb betoogd dat de Europese Unie zich moet beperken tot de kernzaken die grensoverschrijdend zijn en waarbij wij op nationaal niveau niet in staat zijn om effectieve maatregelen te nemen.

De heer De Vries (PvdA):

Dat hebt u inderdaad gezegd. Ik dacht alleen dat ik u ook hoorde spreken over grote en kleine problemen.

De heer Van der Linden (CDA):

Ik heb een Eurocommissaris geciteerd: vanuit het grote perspectief kun je stellen dat kleine zaken ook belangrijk kunnen zijn, alleen zijn die kleiner dan de grote.

De heer De Vries (PvdA):

Dat houdt toch wel appreciatie in van wat belangrijk is; daar ging mijn opmerking over. Ik moet er niet aan denken dat men in Brussel alleen maar over de grote en belangrijke dingen zou gaan nadenken, want ik zou daar vanuit de nationale parlementen toch ook graag bij betrokken willen zijn.

Goed. Minder Europese regelgeving waar die niet nodig is, zal hopelijk ontmoedigend werken op hen die Brussel graag van bemoei- en bedilzucht betichten. Voor de burgers is het maar een klein stapje en er zal meer moeten gebeuren. De heer Van Rompuy zei indertijd dat hij wakker lag vanwege het gebrek aan draagvlak bij de burgers, maar wakker liggen helpt niet echt. Er is een enorme onbekendheid, daar is vandaag eerder aan gerefereerd door verschillende sprekers, over hoe de Unie eigenlijk werkt en wat de verhouding is van de Unie tot de lidstaten en hoe de parlementen daarbij betrokken zijn. Ik heb al een paar keer namens mijn fractie betoogd dat weloverwogen en goed gestructureerde informatievoorziening over de Europese Unie ontbreekt. In het onderwijs wordt daarvoor te weinig plaats ingeruimd; ik kan daar uit eigen ervaring uren over spreken. Ik heb dit al een paar keer aan de orde gesteld en dat wordt gelukkig heel welwillend aangehoord, want waarom zou je daartegen zijn? Ik zie niet dat dit vorm krijgt. De minister heeft onlangs gezegd dat hij niet tevreden is over wat er op dat gebied gebeurt, maar waarom brengt hij niet een keer in kaart wat er precies op het gebied van informatiebeleid door de regeringen, de Unie en andere instanties verricht wordt en welke middelen daarvoor beschikbaar zijn? Zou hij daar ook een oordeel aan kunnen verbinden of dit wel of niet adequaat is?

In het kader van het Nederlandse voorzitterschap zal er een publiekscampagne worden gehouden, vertelde minister Timmermans ons. Dat zal wel een voorlichtingscampagne zijn, maar ik hoop dat dit niet een eenmalige eruptie van folders wordt; dat lost het probleem echt niet op. We hebben hier te maken met een structureel probleem en het is voor mensen een enorme stap om te begrijpen en in hun eigen afwegingen te incorporeren dat wij functioneren in een groter geheel. Veel belangrijker dan voorlichting lijkt mij dat burgers zien dat de Unie een evidente meerwaarde heeft. We hebben daar de laatste jaren niet veel geluk mee gehad, maar de Unie kan in veel zaken actief zijn en presteren. Daarmee kan de Unie veel voor haar burgers betekenen.

De heer De Graaf heeft vanochtend het dossier genoemd van de grensoverschrijdende mogelijkheden voor werknemers. De regering heeft ons daarover een brief gestuurd, waarvoor nogmaals mijn dank. Dat dossier beweegt zich helaas met de snelheid van een slak. Ik zag dat er inmiddels drie ministers bij betrokken zijn, want ook de minister-president heeft in de Tweede Kamer gezegd dat hij ook altijd naar die besprekingen gaat. We hebben dus te maken met hem, met de minister van Buitenlandse Zaken en met de minister van Binnenlandse Zaken. Uit eigen ervaring weet ik dat dat een garantie is dat er niets gebeurt. U zult dat weerspreken, ook dat weet ik uit ervaring, maar waarom worden er niet wat taskforces opgericht? Die zouden als opdracht kunnen krijgen om te bezien wat er nodig is in de fiscale en sociale wetgeving. Met name in de grensregio's zijn er veel ideeën die bij het kabinet bekend zijn en waaraan gewerkt moet worden. De ministers zullen ongetwijfeld constateren dat er in hun apparaat mensen mee bezig zijn en dat het dossier op een stapel ligt, maar bezig zijn met iets is ook heel moeilijk. Waarom kunnen we niet wat meer resultaten zien? Voor mensen in de grensstreken is dat heel urgent, maar ook voor de landen die dat aangaat is het buitengewoon nuttig.

Europa moet de zaken voor de burgers in ieder geval niet lastiger maken. Wie de afgelopen maanden de aandrang had om van bank te veranderen, heeft gemerkt dat dat nog niet zo simpel is: je kunt je eigen nummer niet meenemen. Waarom niet? Omdat onder druk van een geslaagde lobby van de banken in de Europese IBAN-code de naam van de bank is opgenomen. Daar gaat men wat aan doen. Ik las dat er een voornemen bestaat om dat in 2019 te gaan aanpakken en dan met voorstellen te komen. Als je kijkt naar de gemiddelde duur van een voorstel, dan zijn we nog vijftien jaar bezig voordat er iets gebeurd is. Dat kan toch niet? Burgers hebben er soms genoeg van en willen weg bij hun bank. Dit is een geniale inbreuk op de marktwerking. Echt geniaal! Je hebt in het systeem je eigen rem ingebouwd en dat is voor banken die op andere terreinen reuze voor marktwerking zijn een curieuze zaak. Ik zou graag willen dat we in Europa zouden zeggen: kom op, laten we bekijken hoe we dat probleem eerder kunnen oplossen, want dan kunnen we de burgers iets laten zien.

Volgend jaar is Nederland voorzitter van de Raad van Ministers. Dat voorzitterschap heeft een iets ander karakter dan in het verleden, maar is daarom niet minder belangrijk. Ook als sommige dingen niet meer mogen, kun je ze natuurlijk wel proberen; je moet wel je stempel op dat voorzitterschap blijven drukken. De regering plaatst haar eigen agenda binnen de prioriteiten van de Europese Raad. Deze Raad heeft een agenda opgesteld voor de Unie in tijden van verandering. Ik heb dat op me laten inwerken. Kennelijk is er ook een agenda voor de Unie niet in tijden van verandering, maar het voorzitterschap van Nederland zal zich daarbinnen situeren. Bij die agenda wordt aangetekend dat zich een toenemend spanningsveld zou aftekenen tussen, ik citeer: "enerzijds vergaande maatregelen die nodig worden geacht om knellende problemen het hoofd te bieden, en anderzijds het draagvlak onder burgers voor deze voortschrijdende maatregelen." Ik vind dat in dat soort formules de burger altijd onrecht wordt gedaan. De burger is waarschijnlijk hier en daar wel tegen dingen maar de burger is waarschijnlijk hier en daar ook wel voor dingen. Ik vind dat er op die manier veel te generaliserend over de gevoelens van burgers wordt gesproken, die noch aan hun zorgen noch aan hun aspiraties rechtdoet. Er is een veelheid aan zaken waar burgers de Unie graag actiever zouden willen zien. Ik noem het bestrijden van de werkloosheid, het tegengaan van belastingontwijking en -ontduiking, het beschermen van de privacy, het bevorderen van vrede en veiligheid en het bestrijden van georganiseerde criminaliteit. Dat zijn allemaal zaken waar je de handen voor op elkaar kunt krijgen als je die zichtbaar zou kunnen maken.

De Unie maakt wel haast met de TTIP-onderhandelingen. Voor het eind van de ambtstermijn van president Obama moet dat verdrag klaar zijn. Waarom dat het geval is, ontgaat mij. Waarom niet voor het eind van de ambtstermijn van de heer Juncker? Of denkt men dat die korter is? Is men bang dat een volgende Amerikaanse regering dit verdrag niet wil? Maar is het verdrag dan wel duurzaam? Ik zou zeggen: kijk daar eens rustig en verstandig naar, weeg het af en overhaast het niet. Ik kan het ook niet helemaal overzien, maar dat komt omdat wij op grote afstand staan. De positief becijferde economische groei — ik meen 0,5% over tien jaar — valt nogal tegen. Verder zijn het sommetjes die mij een beetje doen denken aan de doorrekening van nationale verkiezingsprogramma’s die in de verre toekomst vaak veel positievere effecten lijken te hebben. Maar over de negatieve effecten gesproken, er zijn altijd winnaars en verliezers bij zo'n verdrag. Er is nog maar heel weinig over te zeggen. De sociale gevolgen zijn moeilijk voorspelbaar. Een land met slechtere sociale condities dan Europa kan waarschijnlijk gemakkelijker en goedkoper produceren. Amerika heeft een heel ander belastingsysteem dan Europa. Het heeft zich niet aan een aantal ILO-conventies gebonden. Kortom, er is gerede aanleiding te denken dat het zeer gewenst is om goed te kijken naar het risico van ongewenste druk op het Europese sociaaleconomische systeem. Ook heeft Amerika al een interne markt die ontzettend goed is ontwikkeld, eigenlijk uitontwikkeld, terwijl Europa daar nog steeds mee bezig is. Er wordt ook gevreesd voor milieueffecten. Ik heb het dan niet alleen over de chloorkip. Er is sprake van milieueffecten. Ik zie dus heel graag dat men hier de tijd voor neemt en een en ander niet overhaast.

De heer Koffeman (PvdD):

Collega de Vries werpt naar mijn gevoel een aantal zeer terechte vragen op over TTIP, maar zijn collega's in de Tweede Kamer lijken een stuk verder te zijn in hun conclusies. Vindt de heer De Vries dat de vragen die hij te berde brengt reden zouden kunnen zijn voor een pas op de plaats, of gaat hij niet verder dan de opmerking dat men er de tijd voor moet nemen en dat er rustig naar moet worden gekeken?

De heer De Vries (PvdA):

Ik begrijp helemaal niet wat de heer Koffeman wil zeggen.

De heer Koffeman (PvdD):

De collega's van de heer De Vries in de Tweede Kamer hebben aangegeven dat men TTIP misschien helemaal niet moet willen. Zij gaan daarmee verder dan de heer De Vries. De heer De Vries somt een aantal vragen op en hij pleit ervoor de tijd te nemen. Je mag toch van een grote regeringspartij meer dan dat vragen? Je mag misschien vragen naar de conclusies ten aanzien van TTIP en het tempo waarin een en ander plaatsvindt. Misschien kan de heer De Vries komen tot een pleidooi ten aanzien van TTIP, anders dan het stellen van vragen daarover.

De heer De Vries (PvdA):

Ik debatteer hier vandaag met de Nederlandse regering. Ik neem aan dat mijn collega's in de Tweede Kamer dat ook allemaal hebben gedaan. Dit zijn de vragen die ik aan de regering wil voorleggen. Ik mag toch van de PvdD verwachten dat men daar een beetje begrip voor heeft.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik begon mijn interruptie met te zeggen dat ik begrip heb voor de vragen van de heer De Vries, maar ik vroeg hem of hij, anders dan het stellen van vragen, ook conclusies trekt ten aanzien van TTIP en de handelwijze ten aanzien van TTIP.

De heer De Vries (PvdA):

Als de heer Koffeman goed naar mijn vragen had geluisterd, had hij daar waarschijnlijk uit opgemaakt dat ik vind dat je, gelet op het feit dat er van alle kanten grote bezwaren worden opgeworpen, misschien niet aan zo'n enorm avontuur moet beginnen. Het gebeurt vaak met grote stelselwijzigingen — dit is een stelselwijziging — dat men er wel aan begint maar er nooit meer uitkomt. Het is heel moeilijk om zoiets terug te draaien. We hebben bijvoorbeeld de liberalisering van de financiële markten gehad. Dat was in de negentiger jaren een geweldig idee, maar het heeft goud gekost. Als we nu terugkijken en ons afvragen of we die kwestie verstandig hebben aangepakt indertijd, zeggen waarschijnlijk veel mensen dat we het misschien beter niet hadden kunnen doen. Misschien is zo'n enorme verbreding van je markt ook iets waarvan je moet zeggen: even niet doen. Ik heb echter het gevoel dat wij met een verstandige regering te maken hebben en dat ik haar een aantal vragen in dit opzicht prima kan voorleggen.

De heer Koffeman (PvdD):

Het heeft enige moeite gekost, maar ik hoor collega De Vries nu zeggen dat je er misschien helemaal niet aan moet beginnen. De radicalisering die afgelopen weekend op het congres van de PvdA was te horen, klinkt nog niet helemaal door in zijn woorden maar ik ben erg blij dat de heer De Vries niet volstaat met het stellen van vragen en ook aangeeft dat je het misschien niet moet doen. Ik leg zijn woorden toch uit als een wat radicalere afwijzing dan ik in eerste instantie meende te beluisteren.

De heer De Vries (PvdA):

Nou, kijk eens aan. Men verwijt mij vaak dat ik te weinig woorden gebruik maar volgens mij zat dit allemaal impliciet in de vragen die ik stelde.

Terug naar het Nederlandse voorzitterschap. We hebben daar vertrouwen in. Het lijkt ons dat dit goed wordt voorbereid, maar ons viel wel erg het gebrek aan ambitie op als het gaat om de in het kader van de Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken te behandelen onderwerpen. Daarover wordt vermeld dat Nederland "voortvarend zal inzetten op consolidatie en implementatie als het gaat om de bestrijding van georganiseerde criminaliteit." Wie zit er nu te wachten op "consolidatie" van de bestrijding van georganiseerde misdaad en op "implementatie"? Wij dachten dat dit al voor elkaar was! Wat zijn de problemen wat dit betreft? Kennelijk laat de implementatie zelfs te wensen over. Wat gaan wij daaraan doen? Hoe gaan wij dat aanpakken? De georganiseerde misdaad heeft een ongelooflijke omvang en groeit als kool. Nederland is zelf nauwelijks in staat om de onstuimige groei van de productie van verdovende middelen, bijvoorbeeld in de provincie Brabant, adequaat te bestrijden. Ik vernam, maar dit terzijde, dat de minister van Binnenlandse Zaken aan burgemeesters, die hierover ernstig verontrust zijn, cursussen gaat aanbieden om hun weerbaarheid te verhogen. Ik denk niet dat daar het probleem zit. Het probleem lijkt eerder dat justitie en politie de bestrijding niet aan kunnen, althans niet met de inspanning die op het ogenblik wordt verricht. Maffia’s onder vele namen rukken op in Europa en ondermijnen de rechtsstaat. Ik schrijf dat met hoofdletters. Het houdt mij al jarenlang bezig dat men daar maar niet hard op wil inzetten. Met betrekking tot jihad-strijders wist Europa snel een gevoel van urgentie te ontwikkelen en terecht, maar waar is de urgentie met betrekking tot de georganiseerde misdaad? "Consolidatie en implementatie". Het is toch verschrikkelijk. Ik overweeg op dit punt een motie in te dienen.

Tijdens het voorzitterschap zullen twee ministeriële conferenties worden gehouden, een over de Urban Agenda en een over de samenwerking met de VS op het gebied van Binnenlandse Zaken en Justitie. Mijn fractie juicht dit toe. Nederland heeft op het gebied van de Urban Agenda veel te bieden. In de beschrijving wordt echter alleen aandacht gegeven aan wat ik de "sunny side of the street in the urban environment" noem. Steden zijn inderdaad motoren van economische groei en broedplaatsen van innovatie. Maar ik mag hopen dat er ook aandacht wordt besteed aan de problematiek van grote steden. In de Nederlandse grote steden is het beeld vaak nog heel erg gunstig, maar wie in Parijs of andere steden komt, moet over de bedelaars en de mensen die op straat slapen heenstappen. Er zijn enorme problemen in wijken waar de criminaliteit ook woekert, waar de armoede en werkloosheid verwoestende effecten hebben. Wordt ook daaraan aandacht besteed of kijken wij alleen maar naar de sunny side? Dan is er een conferentie tussen Europa en de VS op het gebied van Justitie en Binnenlandse zaken. Die gaat over onderwerpen als gegevensbescherming. Dat lijkt mij een uitgelezen gelegenheid om van Europese kant eindelijk de praktijken van de Amerikaanse overheid op het gebied van de aantasting van onze privacy nog eens goed gemotiveerd naar voren te brengen. Aan zoete broodjes — en die zijn er te veel gebakken — bestaat wat ons betreft geen behoefte. Hoe denkt de minister dat gesprek met de Verenigde Staten aan te gaan?

Ik heb een vraag over de toetreding door de Europese Unie tot het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Europese Hof heeft daarover een kritische opinie uitgebracht, die eindigt met de conclusie dat het ontwerp voor een toetredingsregeling onverenigbaar is met de wetgeving van de Europese Unie. Overigens is een interessant onderdeel van die toetredingsregeling dat de Unie als een staat wordt behandeld. En dat is natuurlijk finalité in optima forma. Wat vindt de regering van de door het Hof geconstateerde bezwaren? Denkt zij dat die op te lossen zijn? Is Nederland in staat om een bijdrage te leveren aan de oplossing van die problemen of gaat het hier om een olifant die vastzit in een deur en niet voor- of achteruit kan, zoals collega Schrijver het in het Nederlands Juristenblad uitdrukt?

In Addis Abeba vindt een derde conferentie van de VN plaats van 13 tot 16 juli 2015 over financing for development. In 2005 hebben de lidstaten van de Unie zich gecommitteerd in de European Consensus on Development, aan een bijdrage van 0,7% van het bnp aan Official Development Aid. Men gaat er nu heen met de boodschap dat men maar 0,43% heeft gerealiseerd. Op de agenda staan ook onderwerpen als het belang van internationale samenwerking op belastinggebied, eerlijke belastingsystemen en de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking. Ik ben heel benieuwd wat wij daar gaan inzetten. In algemene zin begint het beginsel dat belasting betaald moet worden waar het geld verdiend wordt, door te breken, maar of dat in Nederland of in Europa in het algemeen zo is en of men dat ook wil gunnen aan de ontwikkelingslanden weet ik niet. Wat gaat de Nederlandse regering tijdens die conferentie daarover zeggen?

Tot slot is er de adviesaanvraag aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken. Die gaat studeren op variatie in het lidmaatschap van de Unie. Is dat finalité of is dat pluriformité? Wij weten het niet. Kan de minister zeggen waarom de regering behoefte heeft aan dit advies en in welke richting de regering zelf denkt? Meestal vraag je dat soort adviezen niet als je een idee hebt.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer de Vries. Ik kijk naar de klok. De minister heeft gezegd dat hij zich uiterlijk om 13.30 uur moet verontschuldigen. Het lijkt mij dan ook dat wij beter nu kunnen schorsen. Ik schors de vergadering tot 14.25 uur voor de lunchpauze. De minister zien wij later terug.