Plenair De Boer bij voortzetting behandeling Verhoging van de AOW-leeftijd



Verslag van de vergadering van 19 mei 2015 (2014/2015 nr. 31)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 17.37 uur


Mevrouw De Boer i (GroenLinks):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de antwoorden. Ik wil in mijn tweede termijn op twee dingen ingaan. Eerst ga ik even kort in op de werkgelegenheidsaspecten, ook als reactie op wat collega Postema tegen mij zei. Natuurlijk moeten we die werkgelegenheidsaspecten niet alleen en zelfs vooral niet in financiële termen en weglek alleen bekijken. Het gaat er juist om wat de sociale werkgelegenheidsimpact is. Dan is wel de vraag welk signaal we afgeven door voor te schrijven aan mensen boven de 65 jaar dat ze langer moeten doorwerken. Die mensen hebben erop gerekend te stoppen, terwijl anderen snakken naar werk. Dan heb ik het niet over aantallen, cijfers of over het begrip "verdringen", maar over het signaal dat we hiermee afgeven. Het gaat er niet om dat we mensen willen dwingen om eerder te stoppen met werken. We hebben hier eerder een wetsvoorstel behandeld dat het mogelijk maakt om langer door te werken, maar dat is gewoon een ander verhaal. Het gaat mij echt om het signaal dat we hiermee afgeven en om de vraag of dat in deze tijd het juiste signaal is. Ik hoop dat de heer Postema dat begrijpt.

Ik ben blij dat de staatssecretaris de bevestiging geeft dat de effecten voor een groot aantal mensen beperkt zullen zijn. Sommige mensen moeten langer doorwerken, wat voor mensen in vooral zware beroepen zwaar kan zijn. Mensen die al een uitkering hebben, houden die uitkering. De effecten zijn het ernstigst voor mensen die nu in een VUT- of prepensioenregeling zitten en met een inkomensgat te maken hebben. In tegenstelling tot de heer Nagel, die zei dat vooral de laagstbetaalden getroffen worden, denk ik dat de grootste financiële effecten juist bij de mensen met de hogere inkomens liggen die, omdat ze meer dan 300% WML krijgen, niet in aanmerking komen voor de overbruggingsregeling. Het gros van de mensen met een minimuminkomen zal in aanmerking komen voor die overbruggingsregeling. Daar ben ik heel erg blij mee. We zijn heel blij dat die overbruggingsregeling nu zo is uitgebreid dat ze het hele gat dekt. In mijn bijdrage heb ik aandacht gevraagd voor een groep met een minimuminkomen die volgens mij niet volledig in aanmerking komt voor de overbruggingsregeling, namelijk de mensen — ik heb dat net uitgelegd, dus dat ga ik niet nog eens doen — met een niet-verdienende partner. Die mensen moeten dan terugvallen op de bijstand, wat ik echt ongewenst vind. Dat is volgens mij ook niet de bedoeling. De staatssecretaris zei in eerste termijn dat de overbruggingsregeling het doel heeft een voorziening te bieden voor de mensen die al met VUT of prepensioen zijn en zelf onvoldoende middelen hebben om het inkomensgat ten gevolge van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd te overbruggen. Dat zijn deze mensen en daarvoor willen we een overbruggingsregeling. De heer Backer sprak van een pinkreiking. Daarmee ben ik alvast blij. Ik kijk vol verwachting uit naar een mogelijke aanvulling daarop in tweede termijn. Wij vinden dit zo belangrijk dat ik, vooruitlopend daarop, alvast een motie wil indienen.

De voorzitter:

Door de leden De Boer, Thissen, De Lange, Reuten en Nagel wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

dat de overbruggingsregeling tot doel heeft een voorziening te bieden voor mensen die al met de VUT of prepensioen zijn en zelf onvoldoende middelen hebben om het inkomensgat ten gevolge van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd te overbruggen;

dat de mensen die, terwijl ze een partner hebben, na hun 65ste een inkomen uit pensioen of uitkering hebben van meer dan €731,64 bruto per maand niet in aanmerking komen voor de OBR, ook als hun partner geen inkomen heeft;

dat dit betekent dat niet iedereen die zelf onvoldoende middelen heeft om het inkomensgat te overbruggen aanspraak kan maken op de OBR, nu immers niet verwacht mag worden dat twee mensen met een gezamenlijk inkomen tussen de €731 en €1.132 bruto daarmee hun inkomensgat kunnen overbruggen;

dat het onwenselijk is mensen louter ter overbrugging van de periode tussen hun VUT of prepensioen terug te laten vallen op de Participatiewet;

roept de regering op om er door aanpassing van de OBR of anderszins voor te zorgen dat wordt voorkomen dat mensen ter overbrugging van het inkomensgat tussen VUT of prepensioen en AOW een beroep op de Participatiewet moeten doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter G (34083).

De heer Hoekstra i (CDA):

Ik denk dat de motie appelleert aan een breder levend gevoel. Toch wil ik van mevrouw De Boer horen hoe zijzelf de uitvoering van de motie precies voor zich ziet. Wat zou dat kunnen zijn? Dat vind ikzelf namelijk ingewikkeld. Misschien moeten we die vraag ook wel aan de staatssecretaris voorleggen. Maar als het geen bestaande regeling en dus ook niet de bijstand wordt — ik snap de connotatie die mevrouw De Boer daarbij heeft geschetst heel goed — wat moet het dan wel worden?

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Mijn voorkeur zou hebben om te bekijken of je de overbruggingsregeling zodanig kunt aanpassen dat deze groep daaronder valt, omdat je dan niets nieuws vorm hoeft te geven. Dat moet kunnen, want het is eigenlijk vooral een aanpassing van de grens van €731,64. Als je daaraan een regeltje zou toevoegen als "tenzij de partner geen inkomen heeft", dan zou je de regeling zo kunnen wijzigen. Het is een doorbreking van de systematiek. Ik snap dat dat vervelend kan zijn, maar het is niet onmogelijk om het in de overbruggingsregeling aan te passen. Anders zou het mijn voorkeur hebben om een oplossing via de SVB te laten lopen, zodat mensen daarvoor niet nog eens naar hun gemeente hoeven te gaan.

De heer Hoekstra (CDA):

Dat kan ik me op zichzelf voorstellen. Ik wil niet al te veel namens de staatssecretaris denken, maar ik kan me wel voorstellen dat dit betrekkelijk duur en ingewikkeld wordt. Maar het klinkt alsof mevrouw De Boer vooral op het eerste wil inzetten. Zo moeten we haar motie dus interpreteren.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ja, dat zou mijn inzet zijn. Als de staatssecretaris een regeling wil, zij het via een andere route dan de overbruggingsregeling, wil ik dat niet uitsluiten. Vandaar mijn wat bredere formulering.