Plenair Duthler bij behandeling Begroting Veiligheid en Justitie



Verslag van de vergadering van 15 december 2015 (2015/2016 nr. 13)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 9.39 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Duthler (VVD):

Mijnheer de voorzitter. Het is eerder uitzondering dan regel dat er in deze Kamer een begrotingsdebat wordt gehouden. Dat gebeurt nu voor de begroting van Veiligheid en Justitie voor de tweede keer op rij en niet voor niets. Laat ik beginnen met uit te spreken dat in de aanloop naar dit begrotingsdebat de regering een aantal positieve stappen heeft gezet. De VVD-fractie waardeert het dat de verhoging van de griffierechten definitief niet doorgaat, alsook dat de regering het wetsvoorstel eigen bijdrage detentie heeft ingetrokken. Voor 2016 wordt er 310 miljoen extra vrijgemaakt voor de begroting van Veiligheid en Justitie, vanaf 2017 structureel 250 miljoen en tijdens de behandeling van de Voorjaarsnota 2016 wordt opnieuw bezien of dit genoeg is.

Dit zijn goede berichten — laat ik dat onderstrepen — maar we zijn er nog niet, want goed kijkende naar de begroting en inzoomende op onderwerpen als Nationale Politie, de rechtspraak en de strafrechtketen houdt mijn fractie grote zorgen. Hiervoor wenst zij dan ook tijdens dit debat nadrukkelijk aandacht te vragen. Daarbij merk ik op dat in deze Kamer in de afgelopen jaren diverse debatten zijn gevoerd over rechtsstatelijke onderwerpen. Ook dat was niet voor niets. De onderwerpen die mijn fractie hierna aan de orde zal stellen, houden hiermee nauw verband en overigens ook onderling hangen zij nauw met elkaar samen.

Ik kom bij toegang tot de rechtspraak en dan allereerst de rechtspraak zelf. De rechter heeft in de rechtsstaat een centrale rol. De VVD-fractie heeft grote zorgen over de staat van de rechtspraak. Het lijkt erop dat de rechtspraak steeds verder dichtslibt. Procedures in eerste aanleg kunnen zomaar vier jaar duren, weet ik uit eigen ervaring. Tussenvonnissen bijvoorbeeld voor het benoemen van deskundigen kunnen keer op keer worden uitgesteld. Zelf kreeg ik afgelopen najaar een brief van de Haagse deken waarin stond aangekondigd dat het vragen van pleidooi in hoger beroep bij het Hof 's Hertogenbosch mogelijk pas in 2017 gehonoreerd kan worden. Ik begrijp dat een dergelijke lange doorlooptijd ook geldt voor het Hof Leeuwarden-Arnhem. Dit is niet uit te leggen aan rechtzoekenden. Van werkelijke toegang tot de rechtspraak is dan de facto geen sprake. Deelt de regering deze zorgen en heeft de regering een verklaring?

De rechtspraak heeft te maken met grote tekorten die zijn ontstaan door de taakstelling van Rutte II, de investeringen in KEI en de afname van de instroom. De afname van de instroom betreft zowel de afname in strafzaken als de afname in civiele zaken. Waardoor wordt de afname in strafzaken veroorzaakt? Mogelijk door de afname van criminaliteit, maar liggen de interne reorganisatieperikelen van de Nationale Politie niet veel meer voor de hand? Wordt op dit moment de capaciteit van de politie wel goed genoeg benut? Er waren tot voor kort nog 65.000 personeelsleden die in onzekerheid verkeerden over hun arbeidspositie en plek in de organisatie. Er is nog geen nieuwe korpschef benoemd. Rond Sinterklaas zouden de voorlopige plaatsingsbesluiten worden gecommuniceerd aan het personeel. Hoe zijn die gevallen? Is er al zicht op een percentage bezwaarschriften dat is of wordt ingediend?

Daar komt voor de Nationale Politie nog een zorg bij, namelijk de zorg voor ICT-systemen en de daarmee samenhangende mijlpalenplanning. Deze loopt al jaren niet goed. De 25 ICT-systemen zijn nog steeds niet geïntegreerd en enig zicht op realisatie daarvan is er nog steeds niet. Goed functionerende ICT-systemen zijn wezenlijk voor een vitale bedrijfsvoering van de politie. Dan heb ik het nog niet over de beveiliging zoals goede en controleerbare autorisaties van ICT-systemen. Mevrouw Van Bijsterveld refereerde al aan de mol, de politiemol. De minister maakte eerder een onderscheid tussen harde planning, potloodplanning en zelfs penseelplanning. Alleen al het maken van een dergelijk onderscheid doet alarmbellen afgaan. lk zou zeggen, via de voorzitter, beste minister, spreek een harde planning af en houd daarbij rekening met uitloop in tijd en kosten. Daar ontkomt geen enkel ICT-project aan. Met een potloodplanning, laat staan penseelplanning, zou de minister geen genoegen mogen nemen.

Van de 250 miljoen extra die structureel bij de begroting van Veiligheid en Justitie worden geplust, zijn er 138 miljoen bestemd voor de Nationale Politie. De VVD-fractie wil er dan wel van op aan kunnen dat de extra 138 miljoen ook goed besteed worden en dat de minister strak de vinger aan de pols houdt. Dat zal de minister waarschijnlijk zelf ook niet anders willen. Hoe heeft hij dit voor ogen? Welke maatregelen treft de minister hiertoe?

Er zijn niet alleen zorgen over de Nationale Politie. De Nationale Politie maakt onderdeel uit van de strafrechtketen. Deze strafrechtketen kraakt in zijn voegen en dreigt vast te lopen. Uit een uitgevoerde risicoanalyse op de begroting van Veiligheid en Justitie kwam naar voren dat de bezuinigingen bij het OM — en ik citeer — "niet haalbaar zijn zonder risico's voor het primaire proces". Het tempo van bezuinigingen gaat te snel, zo was de conclusie. Dit is vanzelfsprekend zeer zorgelijk. Welke conclusies verbindt de regering aan deze risicoanalyse en nog belangrijker, welke acties en maatregelen? Is de regering bereid om bij de aangekondigde Voorjaarsnota 2016, waarin zij beziet of er nog extra geld bij moet, ook het OM te betrekken?

En dan nog even terug naar de rechtspraak en de instroom van nieuwe zaken. De rechtspraak kampt met ingewikkelde vraagstukken. Aan de ene kant neemt de werklast toe en aan de andere kant is er minder budget. De instroom van zaken neemt af. Minder q betekent op basis van het q x p-principe, minder geld van het ministerie voor de rechtspraak. Tegelijkertijd constateerde ik zojuist dat civiele procedures in eerste aanleg eindeloos kunnen duren en dat aanvragen voor pleidooien in appel pas in 2017 zullen worden gehonoreerd. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Zouden we dan niet eens opnieuw naar de wijze van bekostiging moeten kijken? Hoe kijkt de regering hier tegenaan?

Ik kom bij het KEI-programma. Zoals gezegd loopt er een zogenaamd KEI programma. KEI staat voor kwaliteit en innovatie, waartoe ook behoort de digitalisering van de rechtspraak. De besparingen die dit programma moet opleveren worden deels gebruikt om de taakstelling te realiseren die door de regering is opgelegd aan de rechtspraak. In 2020 wordt gerekend met 50 à 52 miljoen euro. Hoe realistisch is dit? De overheid is bepaald geen kei als het gaat om ICT-projecten. Dikwijls loopt het uit in tijd en kosten en kunnen niet alle functionaliteiten worden gerealiseerd. Dat gaat overigens niet alleen bij de overheid zo. De invoering van KEI is uitgesteld tot de resultaten bekend zijn van de uitgevoerde pilots. Wat is daarvan de status en wat is de prognose? Zijn de reeds ingeboekte besparingen realistisch?

Ik kom bij het volgende onderwerp, de rechtbanklocaties, het meerjarenplan en de rol van de Raad voor de rechtspraak, meer in het bijzonder ten opzichte van de bevoegdheden van de minister en het parlement. Blijven de zeven rechtbanken open voor grote zaken? De berichtgeving hierover is niet eenduidig. De Eerste Kamer heeft met gefronste wenkbrauwen kennisgenomen van de inhoud van het meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak, meer in het bijzonder van het zogenoemde locatiebeleid en de gevolgen daarvan voor de wettelijk geregelde zittingsplaatsen. Niet voor niets heeft de Kamer over de implicaties die de Raad aan dat locatiebeleid verbindt, een aantal indringende vragen gesteld, waarvan de strekking kort kan worden samengevat met: wie gaat hier eigenlijk over?

In de wetstekst en in de wetsgeschiedenis van zowel de instelling van de Raad voor de rechtspraak in 2002 als de Wet herziening gerechtelijke kaart (Wet HGK) in 2012 is niets te vinden van een vergaande besluitbevoegdheid van de Raad voor de rechtspraak. Integendeel, de wetgever heeft de Raad gedacht een beheersorgaan voor de bedrijfsvoering van de rechtspraak te zijn. De opdracht en bevoegdheid tot verdeling van de zaakspakketten over de zittingsplaatsen binnen een rechtbank is in de wet uitdrukkelijk bij de gerechtsbesturen gelegd. Het zijn de gerechtsbesturen die in eerste instantie moeten bepalen welke grote en welke kleine zaken in een zittingsplaats worden behandeld. Ook zij moeten daarbij de geest van de wet respecteren, die inhoudt dat alle bestaande zittingsplaatsen materieel volwaardig dienen te zijn en blijven.

Hoe heeft de Raad kunnen komen tot het beeld dat zijn bevoegdheden zo veel verder zouden gaan dan de wetgever heeft bepaald en belangrijker nog, waarom heeft de minister dit beeld zo lang onweersproken gelaten? De VVD-fractie hecht zeer aan klaarheid in deze zaak en wel om de volgende reden. Bij de totstandkoming van de Wet HGK heeft de Eerste Kamer ingestemd met het voorstel om de aanwijzing van zittingsplaatsen uit de wet te halen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat wijziging van de zittingsplaatsen zou plaatsvinden via een AMvB met voorhangprocedure. Deze uitdrukkelijke voorwaarde is door de ambtsvoorganger van deze minister tijdens het debat in de Eerste Kamer eveneens uitdrukkelijk aanvaard.

Het in het meerjarenplan van de Raad voor de rechtspraak collectief reduceren van zeven rechtbanken waar nu alle grote en kleine zaken worden behandeld, tot evenzovele zittingsplaatsen voor louter kleine zaken, is in strijd met deze voorwaarde. Als dit de norm zou worden voor het omgaan met niet alleen de letter, maar ook de geest van de wet, zou de Kamer nu spijt moeten hebben dat zij in 2012 niet heeft geëist het AMvB-vereiste in de reparatiewet op te nemen. Mijn fractie vindt dit een slecht voorbeeld van de wijze waarop het verkeer tussen regering en volksvertegenwoordiging behoort te verlopen en is geïrriteerd over deze gang van zaken.

Wat opvalt is dat de gang van zaken lijkt te passen in een patroon. De bestuurlijke ambities van de Raad en de presidentenvergadering in huidige samenstelling zijn de laatste jaren gegroeid. We zien een groeiende bureaucratisering en reglementering, zonder aanwijsbare wettelijke grondslag. Zoals hiervoor al is opgemerkt heeft een dergelijke ontwikkeling de wetgever bepaald niet voor ogen gestaan.

Interessant is in dit verband het interview met de oud-vicepresident van de Raad van State, mr. Tjeenk Willink, in het decembernummer van het u allen ongetwijfeld bekende blad Mr. Daarin neemt hij onverbloemd stelling tegen wat hij noemt de "verbestuurlijking" van de rechterlijke macht, aangejaagd door de Raad voor de rechtspraak, waardoor het evenwicht tussen bestuur, politiek en rechter uit het lood dreigt te worden geslagen. "Het is nooit de bedoeling geweest", zo stelt hij, "dat de Raad de plaatsvervanger zou worden van de minister tegenover de rechters". Deze kritiek sluit naadloos aan bij de inhoud van het Leeuwarder Manifest van december 2012.

Het geheel overziend vindt mijn fractie het tijd dat de wetgever zich nog eens diepgaand bezint op de plaats en de taakopdracht van de Raad voor de rechtspraak. Wij menen dat de komende evaluatie van de Wet HGK een geschikt moment zou zijn om ook de in 2002 genomen beslissing tot instelling van de Raad grondig te evalueren. Is de minister dat met de VVD-fractie eens?

Tot slot kom ik bij de toekomst van de gefinancierde rechtsbijstand en het rapport van de commissie-Wolfsen. De commissie-Wolfsen adviseert om de regie op het stelsel te versterken en knelpunten hierin te verbeteren. Knelpunten die deze commissie signaleert, zijn het ontbreken van een goede coördinatie, een gebrekkige uitwisseling van informatie tussen partijen en instanties en het structureel niet innen van eigen bijdragen van rechtzoekenden. Ook is de kwaliteit van rechtsbijstandsverleners nog te vaak van wisselend niveau. In voorkomende situaties is de kwaliteit zelfs onder de maat. Deskundigheidseisen voor verschillende gebieden moeten over de hele linie op een hoger niveau komen te liggen, en qua niveau met elkaar te vergelijken zijn.

Het viel de VVD-fractie op dat de kostenstijgingen van 329 miljoen in 2002 tot 440 miljoen in 2014 vooral het gevolg waren van de groei van het aantal toevoegingen met 41%. De begroting van V en J bevat een post van ruim 1,4 miljard euro voor rechtspleging en rechtsbijstand. Bijna een derde daarvan gaat op aan gefinancierde rechtsbijstand. Dat is erg fors. De commissie-Wolfsen geeft in haar rapport aan dat onder meer de financieringsmodellen niet bijdragen aan een efficiënte afhandeling van bijvoorbeeld echtscheidingsverzoeken. Dat voorbeeld haalt de commissie-Wolfsen aan. Dit sluit aan bij mijn eerdere constatering dat het verstandig zou zijn om eens naar de wijze van bekostiging van de rechtspraak te kijken. Wil de regering dit punt bij haar kabinetsreactie expliciet betrekken? Welke prikkels zouden kunnen worden geïntroduceerd om het beroep dat op de gefinancierde rechtsbijstand wordt gedaan, af te remmen? In het debat over de staat van de rechtsstaat vorig jaar heeft mijn fractie gesuggereerd om alternatieve vormen van financiering van rechtsbijstand te onderzoeken. Heeft de regering deze suggesties ter harte genomen en zo ja, wat is de status daarvan?

Opvallend is ook dat de commissie adviseert om de puntenaantallen per toevoeging te evalueren en de puntenvergoeding licht te laten stijgen. De VVD-fractie wenst nu alvast te markeren dat zij dit kritisch zal beoordelen. Zij vraagt zich af of dit bijdraagt aan een rem op de groei van het aantal toevoegingen. Ik heb begrepen dat de kabinetsreactie in het voorjaar kan worden verwacht. Is de regering bereid, met deze Kamer in mondeling overleg te treden alvorens acties te verbinden aan deze kabinetsreactie?

Ik kom tot een afronding. Er valt nog zo veel meer te zeggen, maar de VVD-fractie heeft zich beperkt tot de meest prangende punten. Zoals gezegd is de VVD-fractie positief gestemd — laten we ook wat positieve geluiden laten horen — over de intrekking van de verhoging van de griffierechten en de eigen bijdrage detentie, als ook de extra financiële middelen die de regering reeds heeft toegezegd voor de begroting van V en J. De zorgen die zij heeft met name ten aanzien van de Nationale Politie, de vastgelopen strafrechtsketen en de organisatie en toegang tot de rechtspraak zijn substantieel. De VVD-fractie ziet met belangstelling uit naar de reactie van de regering op de door haar gestelde vragen en suggesties, en gaat er overigens van uit dat ook daarna het laatste woord daarover nog lang niet is gezegd.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Duthler. Ik merk op dat wij dankzij mevrouw Van Bijsterveld nog binnen de tijd zijn. Ik zeg dat met enige dreiging voor de volgende sprekers, die ik verzoek om zich aan de spreektijd te houden. Het woord is aan de heer Engels.