Plenair Lintmeijer bij behandeling Energieprestatievergoeding



Verslag van de vergadering van 26 april 2016 (2015/2016 nr. 29)

Status: gecorrigeerd

Aanvang: 13.41 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Lintmeijer i (GroenLinks):

Voorzitter. De aanpak van het klimaatvraagstuk is de allergrootste opgave waar de wereldwijde samenleving voor staat. Het terugdringen van de opwarming van de aarde is een absolute noodzaak om de wereld voor mensen bewoonbaar te houden. Dat dit zeker voor onze eigen voor zeespiegelstijging en overstromingen kwetsbare delta geldt, is al bijna een cliché geworden, een cliché dat gebaseerd is op een werkelijkheid die geen uitstel van maatregelen meer duldt. Gelukkig onderkent de wereld dat. Dit is voor mij aanleiding om met instemming het bezoek van secretaris-generaal Ban Ki-moon van de VN te citeren, die vorige week hier op bezoek was in ons parlement en met gevoel voor urgentie vermeldde dat een recordaantal landen het in Parijs gesloten klimaatverdrag zou gaan ondertekenen. Dat is inmiddels vorige week vrijdag in New York gebeurd door 171 landen. 18 landen volgen nog. Nooit, zo hield de secretaris-generaal ons voor, tekenden meer landen op één dag een internationale overeenkomst. Misschien is het ook wel een record dat de afstand tussen een groot internationaal akkoord en dat wat gewone mensen in het dagelijks leven gaan merken en nog moeten merken van maatregelen, nog nooit zo klein was.

In dat verband is het wel mooi om nog even onze eigen premier Rutte te citeren, die tijdens de klimaattop in Parijs zei: dit plan kan alleen werken als het doordringt tot de diepste wortels van onze samenleving. Welnu, zo'n worteltje hebben wij vandaag te pakken. Centraal in alle internationale klimaatplannen staat het terugdringen van de CO2-uitstoot. Het is geen geheim dat in ons land het energiezuiniger maken van de woningvoorraad een absolute noodzaak is om onze, overigens nog te bescheiden, nationale doelen te behalen. Het energiezuinig maken van corporatiewoningen zal wat ons betreft dan ook met kracht ter hand genomen moeten worden. Op dat gebied kunnen wij meters maken, met name in de oudere woningvoorraad, waar wij nog ver af zitten van "nul op de meter" of zelfs maar label A of B. Het doel uit het energieakkoord is, dat in 2020 corporatiewoningen gemiddeld energielabel B hebben. Voor nul-op-de-meterwoningen zijn geen harde doelen gesteld. De markt gaat voor 110.000 woningen op dat tijdstip. Dat zijn veel huizen, maar in percentages is het nog maar een bescheiden aandeel van de woningvoorraad.

Deze wet regelt dat verhuurder en huurder met elkaar afspraken maken over een vergoeding die de huurder betaalt aan de verhuurder bij ingrijpende renovatie en energiemaatregelen. Wat de huurder bespaart op de energierekening, kan de verhuurder innen om de energiemaatregelen uit te bekostigen, mits huurder en verhuurder het hierover eens worden. Met dat principe kan mijn fractie van harte instemmen, maar wij hebben wel de nodige vragen bij de ambities en de uitwerking van deze wet en bij de bescherming van de huurder.

Ik begin bij dat laatste. Voor mijn fractie staat de noodzaak van fors investeren in energiebesparing in de corporatievoorraad voorop, maar er moet wel een goede balans zijn tussen ambitie en de noodzaak om huurders met een kleine beurs, die de afgelopen jaren al met forse huurverhogingen zijn bestookt, te beschermen tegen een te hoge vergoeding. In de energieprestatieovereenkomst is er immers geen objectieve gas- en elektrameter meer, die het verbruik vastlegt en afrekent, maar komt de vergoeding tot stand op voor de huurder moeilijk af te lezen warmtevraag bij de woning. Wij vragen de minister, nog eens duidelijk te maken hoe de huurder kan vaststellen dat zijn woning terecht in aanmerking komt voor een epv en hoe hij kan zien of de gevraagde vergoeding redelijk en passend is. Kan de minister in dat verband ook nog eens uitleggen hoe het kabinet de motie-De Vries c.s. over de woonlastenwaarborg gaat uitvoeren? Wij achten de door Aedes en de Woonbond ontworpen regeling een goede grondslag om ervoor te zorgen dat huurders bij gelijk woongedrag niet te maken krijgen met onredelijk stijgende kosten. Vindt de minister dat ook? Zo ja, hoe gaan wij dat dan terugzien in de komende Algemene Maatregel van Bestuur? Ook wil mijn fractie graag weten wat er gebeurt als na verloop van tijd blijkt dat het daadwerkelijke verbruik uit de pas loopt met het vooraf berekende theoretische verbruik. Als wooncomfort en/of energiebesparing in de praktijk tegenvallen, wat kan de huurder dan ondernemen? Vindt hij dan steun in deze wet? Graag krijg ik daarop ook een reactie.

Dat brengt mij op ons tweede punt. Feitelijk is de wet die nu voorligt, niet veel meer dan een kaderwet. Net als bij de hier onlangs aangenomen Omgevingswet worden de inrichting en de uitvoering van de maatregelen niet hier en nu geregeld, maar bij AMvB. Waarom kiest het kabinet hiervoor? Is de minister het niet met mijn fractie eens dat zowel huurders als verhuurders veel beter weten waar zij aan toe zijn als de grondslagen van de regelingen die de epv en de onderliggende waarden vaststellen gewoon in de wet zijn geregeld? In elk geval vragen wij de minister, gewoon nog eens te bevestigen dat de Kamer geïnformeerd wordt over de vervolgstappen die de minister zet.

Tot slot. Het uitgangspunt bij deze wet is te faciliteren dat verhuurder en huurder afspraken kunnen maken over de bekostiging van ingrijpende, energiebesparende maatregelen. Nogmaals: dat juichen wij toe. Wij missen echter welke ambitie het kabinet zelf nastreeft met deze wet. Laten wij het allemaal aan de markt over of is er een onderliggende gekwantificeerde ambitie waarin het kabinet de tanden zet en waarmee de partijen worden aangespoord om dat daadwerkelijk te realiseren? Ook op dit punt horen wij graag de reactie van de minister.