Plenair Van Rooijen bij behandeling Begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2017



Verslag van de vergadering van 20 december 2016 (2016/2017 nr. 13)

Status: gerectificeerd

Aanvang: 14.14 uur


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Mevrouw de minister, mijnheer de staatssecretaris. Al in december vorig jaar heeft de 50PLUS-fractie aan het slot van haar bijdrage in het debat over de begroting van VWS 2016 het volgende gevraagd over de hoogte van het verlaagde inkomensafhankelijke zorgpremietarief, de zogenaamde IAB. Ik citeer: "De 50PLUS-fractie kijkt ook alvast vooruit naar de voorbereiding van de Miljoenennota 2017. Wij willen dat volgend jaar de Zorgverzekeringswet zo wordt gewijzigd dat voor de toekomst de minister van VWS alleen de bestaande bandbreedte tussen het verlaagde en normale tarief kan wijzigen bij wet of bij AMvB." Wij vroegen de minister daartoe voorstellen te doen. De minister heeft dat niet gedaan.

Ik ga eerst terug in de historie van het verlaagde tarief. Het antwoord op onze vraag bij het Belastingplan 2016 hierover was: "Het motief voor de verhoging van het verlaagde tarief is dan ook niet gelegen in de zorg, maar in de noodzaak om de overheidsfinanciën op orde te brengen." Er werd aan toegevoegd dat er ook na deze aanpassing voor een werkende meer IAB- premie wordt betaald dan voor een oudere met een gelijk inkomen.

Die toevoeging is merkwaardig en leidt ertoe dat mijn fractie op de hoede is en blijft. Dit statement wekt de indruk dat beleidsmatig ook gepleit kan worden voor het gelijktrekken van het lage en het normale tarief. In antwoord op onze vraag vorig jaar antwoordde het kabinet dat er op dat moment geen voornemens waren tot verhoging van het verlaagde tarief. Indien zou worden besloten tot het schrappen van het verschil tussen het normale en verlaagde tarief, zou het verlaagde percentage stijgen met 1% terwijl het normale percentage zou dalen met 0,25%. De totale IAB mag immers niet stijgen.

Ik duik in de gegeven antwoorden over de historie van het verlaagde tarief IAB. Ik citeer weer: "De AOW-gerechtigden kregen de IAB direct vergoed in hun AOW-uitkering, maar kregen geen vergoeding voor de IAB over hun aanvullend pensioen. Omdat zelfstandigen en gepensioneerden (over hun aanvullend pensioen) deze vergoeding niet ontvangen, is in de Zorgverzekeringswet geregeld dat zij een lager IAB-percentage betalen over de inkomsten waarvoor zij geen vergoeding ontvangen. De hoogte van de verlaging is destijds overgenomen uit de Ziekenfondswet. De vereenvoudiging van de Wet uniformering loonbegrip betekende dat werkgevers de IAB rechtstreeks gingen betalen aan het Zorgverzekeringsfonds en dat het IAB-percentage over de AOW-uitkering gelijkgetrokken werd met het verlaagde percentage over het aanvullend pensioen." Aldus de memorie van antwoord van vorig jaar; pagina 86.

Onze fractie heeft vorig jaar ook gevraagd of de motivering voor het lage tarief uit 2006 nog steeds geldt, nu werd voorgesteld het lage tarief aanzienlijk te verhogen, met 0,65% Het antwoord luidde dat bij de invoering van de Zorgverzekeringswet is gekeken naar evenwichtige lastenverdeling tussen huishoudens. Daarbij is met name gekeken naar huishoudens die geen vergoeding kregen voor de IAB, zoals AOW–gerechtigden met een aanvullend pensioen. Besloten is toen om het IAB-percentage voor deze groepen lager vast te stellen. Ik citeer nu: de motivering voor het verschil was destijds een evenwichtig inkomensbeleid en die motivering geldt nog steeds, ook bij de vormgeving van de begrotingsafspraken van 2014.

In het kader van de begrotingsafspraken 2014 is onder meer besloten tot de introductie van een zogenaamde huishoudentoeslag, die onder andere de inkomensondersteuning van ouderen beter zou richten. Dit betekende dat ouderen met een hoger pensioen een grotere bijdrage gingen leveren aan de overheidsfinanciën dan ouderen met een laag inkomen; een nieuwe vorm van nivellering tussen groepen van ouderen buiten de inkomstenbelasting en binnen de zorgpremievaststelling.

De aanvankelijk beoogde invoering van een huishoudentoeslag bleek niet mogelijk, waardoor er in 2014 besloten is tot een alternatieve maatregel. Het alternatief waartoe het kabinet besloten heeft, is het verhogen van de inkomensafhankelijke bijdrage voor gepensioneerden en zelfstandigen.

Ik constateer dat er nu verschillende redenen zijn gegeven. Naast het verbeteren van de overheidsfinanciën is er ook de niet-invoering van de huishoudentoeslag, waarbij genivelleerd zou worden tussen hogere en lagere pensioenen. Dat ging niet door en toen werden alle gepensioneerden maar weer gepakt met de verhoging van 0,65%. Het is een beschamende vertoning, maar we hebben het lek eind 2015 in elk geval boven tafel gehaald.

Onze vraag is of de reden voor het verlaagde tarief nog steeds de niet-vergoeding van de IAB is voor mensen met een aanvullend pensioen. Graag krijgen wij een antwoord van de minister. Of is er een nieuwere benadering, te weten het pakken van de mensen met een aanvullend pensioen? Dit dwingt mij ook om terug te komen op de verhoging van de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke zorgpremie, alweer een tijd geleden. In 2012 tijdens Rutte 1, is die grens in één keer explosief verhoogd — het is nauwelijks voorstelbaar — van €35.000 tot niet minder dan €55.000, de grens van de werknemersverzekeringen. Dat was een premiestijging van niet minder dan maximaal €1.000 in één klap voor ouderen en zelfstandigen. Dat had uiteraard niets te maken met de zorg, maar met het veel zwaarder belasten van aanvullende pensioenen tussen €25.000 en €45.000, onder en boven modaal, die toen al jaren niet waren geïndexeerd, bij toch aanzienlijke inflatie, en ook daarna niet meer zijn geïndexeerd. Ook de komende tien jaar zullen zij wellicht niet worden geïndexeerd, dankzij het fameuze "Financiële Toekomst Kapot". De groep gepensioneerden waar de hardste klappen vallen is die van boven de €36.000 euro, de grens van de ouderenkorting, waarbij de korting ineens daalt met €1.221. Er is zojuist in deze Kamer een motie van 50PLUS aangenomen om tot een veel geleidelijkere afbouw te komen.

Bij de invoering van de Wul waren er compenserende maatregelen, zoals de verlaging van het tarief van de IAB, de verhoging van de ouderenkorting en de introductie van een ouderenkorting van €150, jawel, wat een bedrag, voor de inkomens boven €35.000. Ik constateer dat nadien die compensaties weer deels zijn teruggedraaid. Ik noem dat een beleid van een rad voor de ogen draaien: eerst compenseren bij de Wul en later toch weer stiekem stapje voor stapje compenserende maatregelen terugdraaien.

De IAB is daarna met 0,65% verhoogd tot weer het oude niveau van voor de Wul en de ouderenkorting van €150 is al snel weer verlaagd tot het wel zeer minimale niveau van €71; een kleine fooi. Bovendien is bij het Belastingplan 2015 de ouderenkorting met €83 verlaagd tot beneden €1.000 euro. Zo gaat dit kabinet met ouderen om. Stel je voor dat dit met werkenden zou gebeuren. Die krijgen ieder jaar een steeds hogere arbeidskorting en IACK.

Het zal nu wel duidelijk zijn waarom onze fractie nu nogmaals moet duiken in dit pijnlijke verleden van het kabinet in de omgang met ouderen rond deze IAB zorgpremie. Waar is voor de ouderen de betrouwbare overheid? De minister heeft mij vorig jaar geantwoord dat de verhoging van de IAB helemaal niet in het kader van de zorg is ingevoerd, maar in het kader van de koopkrachtafweging. Wil de minister in voortschrijdend inzicht erkennen dat koopkrachtafwegingen geen onderbouwing behoren te zijn voor heroverweging van het lage IAB-tarief, gelet op de principiële en overduidelijke motivering in de wetsgeschiedenis? Gaarne een antwoord.

Ik constateer terzijde dat dit een andere motivering is dan het op orde brengen van de overheidsfinanciën, zoals de staatssecretaris van Financiën vorig jaar aangaf.

De minister gaf ons in overweging dat zij de wet niet gaat veranderen voor de verandering van de premies, maar dat het dus met een initiatiefvoorstel zal moeten gebeuren. Zij voegde daar desgevraagd nog aan toe dat de beoogde verhoging vorig jaar is gemeld in de Miljoenennota, de begroting van VWS en de begroting van Sociale Zaken voor 2016. "Bij alle behandelingen van die onderwerpen kunnen moties ingediend worden als iets niet gewenst is of als men het anders wil. Het is dus niet zo dat wij het als een dictaat voorschrijven. Dat kan in de parlementaire behandeling gewoon gewijzigd worden." Het kabinet wees er toen op dat er geen voorstellen tot wijziging waren gedaan voor 2016. Collega Krol is bij de schriftelijke voorbereiding van het debat over de begroting van VWS 2017 teruggekomen op de wijze van vaststelling van deze premie. Het antwoord van de minister luidde als volgt: het antwoord is hetzelfde als toen gegeven.

Voor onze fractie blijft de huidige regeling een onbevredigende wijze van democratische besluitvorming over de hoogte van zorgpremies. Het gaat over formidabele lastenverzwaringen: 1% verhoging levert een extra lastenverzwaring van 600 miljoen op waarvan 400 miljoen. voor gepensioneerden en bijna 200 miljoen voor zelfstandigen. Daar komt de betaling van de IAB-premie voor de AOW nog bij. Hoe hoog is dat bedrag overigens?

Mijn slotvraag: is de minister alsnog bereid aan ons democratisch verlangen tegemoet te komen en wil zij de wet aanpassen?

Dan heb ik nog een heel ander punt. Volgens berichten in de media vanmorgen zou het RIVM tot de conclusie zijn gekomen dat kunstgras veilig is. Het RIVM heeft blijkbaar geconcludeerd aan de hand van recente chemische analyses dat de kans op kanker verwaarloosbaar is. Kan de minister aangeven waarom voor rubberen tegels op speelplaatsen strengere normen gelden dan voor kunstgras met rubberen korrels? Kan de minister ook de Eerste Kamer de rapportage van het RIVM zo spoedig mogelijk toesturen, vergezeld van een standpunt van de minister? Kan de minister nu al een eerste reactie geven? Want de fractie van 50PLUS maakt zich zorgen over de gezondheid van onze kinderen en kleinkinderen. Ik voeg eraan toe dat ik twee kleinzoons heb die voetballen, van wie de een zelfs keeper is en dus aan het grootste risico wordt blootgesteld.